ECLI:NL:RBNHO:2017:7721
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Nieuw feit rechtvaardigt navorderingsaanslag inkomstenbelasting na overlijden erflaatster
De rechtbank Noord-Holland behandelde het geschil over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2010 ten name van een overleden erflaatster. De inspecteur had de aanslag opgelegd wegens niet aangegeven winst uit aanmerkelijk belang, na vragen over een fictieve vervreemding van aandelen in een BV die deel uitmaakten van de huwelijksgemeenschap.
De erfgenaam betwistte de navordering en stelde dat er geen nieuw feit was dat navordering rechtvaardigde en dat recht op doorschuiving van de belasting bestond op grond van artikel 4.17a Wet IB 2001. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht uitging van de juistheid van de aangifte, maar dat het niet raadplegen van andere dossiers geen ambtelijk verzuim vormde. De inspecteur beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde.
Verder werd geoordeeld dat de aandelen bij overlijden van de erflaatster fictief waren vervreemd, maar dat het beroep op doorschuiving van belasting op grond van ondernemingsvermogen niet hoefde te worden behandeld omdat de echtgenoot stelde dat er geen onderneming werd gedreven.
Het verzoek tot toepassing van artikel 4.12a Wet IB 2001 kon niet worden gedaan in deze procedure omdat dit betrekking heeft op de aangifte van de erfgenamen en niet van de erflaatster. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2010.