ECLI:NL:RBNHO:2016:8177
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteit op aandelen vastgoedvennootschap bij overlijden 2009
De zaak betreft een beroep tegen een aanslag successierecht opgelegd door de Belastingdienst, waarbij eiseres stelt dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) van toepassing is op de aandelen in [G] B.V., een vastgoedvennootschap waarvan de erflater 100% aandeelhouder was. De rechtbank beoordeelt of [G] B.V. een materiële onderneming dreef in de zin van artikel 35b van de Successiewet 1956.
Uit het feitenonderzoek blijkt dat [G] B.V. zich bezighield met de exploitatie van onroerende zaken, voornamelijk verhuur, zonder werknemers in dienst en zonder verkoopactiviteiten. De werkzaamheden bestonden uit onderhoud en beheer, wat volgens de rechtbank normaal vermogensbeheer is. Diverse door eiseres aangevoerde werkzaamheden en investeringen, waaronder bouwplannen en verbouwingen, zijn onvoldoende onderbouwd of vonden plaats na het overlijden van de erflater.
De rechtbank concludeert dat de aard en omvang van de werkzaamheden niet meer omvatten dan normaal vermogensbeheer en dat er geen sprake is van een materiële onderneming gericht op het behalen van een bovengemiddeld rendement. Hierdoor is de BOF niet van toepassing en wordt het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank wijst proceskosten af en informeert over de mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de aandelen in [G] B.V. geen materiële onderneming vormen en de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing is.