Eiser maakte bezwaar tegen de verlening van een vergunning aan de VriendenLoterij N.V. voor het organiseren van een nationale telefoonnummerloterij. Hij stelde dat hij al sinds 2005 concrete activiteiten ontplooide om een soortgelijke loterij te ontwikkelen en dat het besluit hem de mogelijkheid ontneemt zijn eigen loterij te exploiteren.
De rechtbank oordeelde dat eiser ten tijde van zijn bezwaar geen aanvraag had ingediend, geen uitgewerkt businessplan had en niet actief was in de loterijbranche. Hierdoor ontbrak het aan een concreet en actueel belang dat rechtstreeks bij het besluit betrokken is. De rechtbank verwierp de stelling dat eerdere correspondentie en vooroverleg als een aanvraag konden worden aangemerkt.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin werd gesteld dat een voornemen zonder begin van uitvoering onvoldoende is om belanghebbende te zijn. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.