Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2016 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de korpschef van politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Ik zag dat er beelden beschikbaar waren vanuit drie posities, namelijk camera 10 vanuit [naam 3] naar de deur, camera 1 op de openbare weg, ongeveer 5 meter vanaf de deur in de richting van de [locatie] en camera 16, meteen boven de toegangsdeur van [naam 3] . Ik beschrijf de beelden in de volgorde 10/16/1.
Als overwogen houdt verweerders beleid in dat de toestemming wegens het ontbreken van voldoende betrouwbaarheid niet alleen wordt ingetrokken ingeval van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling wegens het plegen van een misdrijf, maar ook indien andere omtrent de betrokkene bekende en relevante feiten daartoe nopen. Sprake moet zijn van een serieuze verdenking dat betrokkene rechtsregels naast zich neerlegt, waarvan de overtreding beschouwd kan worden als tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Verweerder heeft zijn oordeel hieromtrent gebaseerd op de op camerabeelden vastgelegde en in een proces-verbaal beschreven gedragingen van eiser, die eiser overigens grotendeels heeft erkend. Verweerder is in de bestuursrechtelijke procedure dan ook niet teruggevallen op het feit dat een strafrechtelijke procedure jegens eiser aanhangig is of op een nog niet onherroepelijke veroordeling. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat sprake is van een zodanige band tussen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM van toepassing is. Van strijd met de in die bepaling neergelegde onschuldpresumptie kan reeds daarom geen sprake zijn.