ECLI:NL:RBNHO:2016:1762
Rechtbank Noord-Holland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Finale kwijtingsbeding staat niet in de weg aan vordering ongerechtvaardigde verrijking na echtscheiding
De vrouw en de man zijn in 1987 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en in 2011 gescheiden. In 2014 sloten zij een vaststellingsovereenkomst met een finale kwijtingsbeding over de afwikkeling van hun ontbonden vennootschap onder firma (V.O.F.).
Na de vaststellingsovereenkomst ontving de vrouw belastingteruggaven die per vergissing op de zakelijke rekening van de V.O.F., beheerd door de man, werden gestort. De vrouw vorderde terugbetaling van deze bedragen van de man, stellende dat hij ongerechtvaardigd was verrijkt.
De man verweerde zich met een beroep op het finale kwijtingsbeding en stelde dat hij premies en voorheffingen had voldaan en dat de teruggaven daarom terecht aan hem toekwamen. De rechtbank oordeelde dat het finale kwijtingsbeding niet ziet op deze vordering omdat de teruggaven na het sluiten van de overeenkomst zijn ontvangen en partijen dit niet redelijkerwijs hadden kunnen voorzien.
De rechtbank stelde vast dat de man de teruggaven onrechtmatig heeft ontvangen en dat de vrouw daardoor is verarmd. Het beroep op verrekening faalde omdat de premies door de V.O.F. en niet door de man persoonlijk waren voldaan. De vordering tot vergoeding van incassokosten en wettelijke rente werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De man werd veroordeeld tot betaling van € 4.180 aan de vrouw, met compensatie van proceskosten.
Uitkomst: De man is veroordeeld tot terugbetaling van € 4.180 aan de vrouw wegens ongerechtvaardigde verrijking ondanks finale kwijting.