Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
De ondergetekenden:
Rechtbank Noord-Holland
Eiser verhuurt 23 vakantiewoningen op een vakantiepark en stelt dat de exploitatie sinds 2008 als onderneming moet worden aangemerkt vanwege zijn feitelijke beheer en beleidsvoering. De beheerwerkzaamheden zijn echter formeel en feitelijk in handen van een BV, waarvan de zoon van eiser directeur en aandeelhouder is. De BV verzorgt het beheer en onderhoud op basis van beheerovereenkomsten en ontvangt hiervoor beheervergoedingen.
De rechtbank stelt vast dat het bezit en beheer van panden in beginsel niet als onderneming wordt aangemerkt, tenzij sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die beduidend meer omvat dan normaal vermogensbeheer. Eiser heeft aanvankelijk de woningen als belegging in box 3 aangegeven en heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die een herkwalificatie tot ondernemingsvermogen rechtvaardigen.
De werkzaamheden van eiser betreffen de algehele verbetering van het park en niet specifiek de exploitatie van zijn eigen woningen. Bovendien vinden de beheerwerkzaamheden plaats voor rekening en risico van de BV. Subsidiair is ook geen sprake van resultaat uit overige werkzaamheden omdat eiser geen vergoeding ontvangt en de werkzaamheden niet buiten normaal actief vermogensbeheer vallen.
De rechtbank concludeert dat de inkomsten uit verhuur terecht in box 3 zijn belast en verklaart het beroep ongegrond. Ook het beroep tegen de heffingsrente wordt ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de exploitatie van de vakantiewoningen niet als onderneming kwalificeert.