Uitspraak
Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
€ 18.275-/-
€ 4.282-/-
€ 773.959
Kentekenregistratie
€ 15.000
Rechtbank Noord-Holland
Eiser heeft voor het jaar 2006 niet alle inkomsten en vermogensbestanddelen correct aangegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv). Verweerder legde daarom een navorderingsaanslag op, die eiser betwistte. De rechtbank beoordeelde de stukken, waaronder proces-verbalen van de Belastingdienst/FIOD-ECD, bankafschriften en WOZ-waardes van onroerende zaken.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet had aangegeven dat hij beschikte over een Spaanse bankrekening met een positief saldo van € 200.000 en dat hij eigenaar was van onroerende zaken met een hogere waarde dan opgegeven. Ook werden voordelen uit het gebruik van personenauto's door eiser en zijn familieleden aangemerkt als belastbaar inkomen. Eiser voerde aan dat hij deze vermogensbestanddelen niet tot zijn inkomen moest rekenen, maar onderbouwde dit niet voldoende.
De rechtbank oordeelde dat eiser de vereiste aangifte niet had gedaan en dat de omkering en verzwaring van de bewijslast terecht was toegepast. Verweerder had aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslag op een redelijke schatting berustte. Het beroep tegen de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
De uitspraak werd gedaan door drie rechters en griffier op 17 juli 2013 te Haarlem. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2006 wordt ongegrond verklaard.