ECLI:NL:RBMNE:2026:933

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
16-386436-24; 16/047348-24 (vord. TUL)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag en bedreiging, veroordeling medeplichtigheid diefstal met geweld

Op 19 oktober 2024 vond een woningoverval plaats in Leusden waarbij drie mannen, waaronder medeverdachten van de verdachte, de woning binnendrongen en een hoeveelheid vapes met geweld meenamen. Een van de daders had een vuurwapen en schoot door de voordeur. Verdachte fungeerde als chauffeur en bleef in de auto in de buurt wachten.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag en bedreiging omdat niet kon worden vastgesteld dat hij het vuurwapen gebruikte of wist dat dit werd meegenomen, noch dat hij (voorwaardelijk) opzet had op de dood of bedreiging. De verklaringen van medeverdachten waren inconsistent en onvoldoende betrouwbaar om dit te bewijzen.

Wel werd verdachte medeplichtig bevonden aan diefstal met geweld, omdat hij opzettelijk behulpzaam was door de vluchtauto te besturen en de mededaders te vervoeren, met kennis van het plan om de woning te beroven. De rechtbank legde een jeugddetentie van 84 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, rekening houdend met verminderd toerekeningsvatbaarheid en positieve gedragsverandering.

De proeftijd van een eerdere voorwaardelijke taakstraf werd verlengd en de bijzondere voorwaarden gewijzigd conform het advies van de reclassering. De rechtbank wees de vordering van de benadeelde partij deels toe: €35 materiële schade en €3.500 immateriële schade, met een schadevergoedingsmaatregel van €535 voor verdachte. Diverse voorwerpen werden onttrokken aan het verkeer of teruggegeven.

De rechtbank oordeelde dat toepassing van het jeugdstrafrecht passend was gezien de leeftijd en persoonlijkheidskenmerken van verdachte. De voorlopige hechtenis werd opgeheven omdat de opgelegde straf gelijk is aan de duur daarvan.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag en bedreiging, veroordeeld tot 84 dagen jeugddetentie voor medeplichtigheid aan diefstal met geweld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/386436-24; 16/047348-24 (vord. TUL)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] te [plaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.De zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 februari 2026. Met toestemming van de officier van justitie en de advocaat is het onderzoek ter zitting enkelvoudig gesloten op de zitting van 10 maart 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Op de zitting van 10 februari 2026 waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de advocaat van [verdachte] , mr. F. Visser;
  • de officier van justitie, mr. M.M.L. Kalsbeek;
  • de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] , te weten mr. J. de Vries;
  • de jeugdreclasseerder van SAVE, [A] .

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
Feit 1
Primair:op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, heeft geprobeerd om
[slachtoffer] van het leven te beroven;
Subsidiair: medeplichtig is geweest aan deze poging tot doodslag op [slachtoffer] , begaan door zijn mededaders;
Feit 2
Primair: op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd;
Subsidiair: medeplichtig is geweest aan deze bedreiging van [slachtoffer] , begaan door zijn mededaders;
Feit 3
Primair:op 19 oktober 2024 te Leusden, samen met anderen, een hoeveelheid vapes heeft gestolen door middel van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer] ;
Subsidiair: medeplichtig is geweest aan deze diefstal met geweld, begaan door zijn mededaders.

3.Het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vraagt vrijspraak van het medeplegen zoals steeds primair ten laste is gelegd. Zij acht medeplichtigheid aan poging tot doodslag (feit 1 subsidiair), medeplichtigheid aan bedreiging (feit 2 subsidiair) en medeplichtigheid aan diefstal met geweld (feit 3 subsidiair) wettig en overtuigend te bewijzen. Voor zover van belang worden de standpunten van de officier van justitie hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.
3.2
Het standpunt van de advocaat
De advocaat heeft vrijspraak van feit 1, feit 2 en feit 3 primair bepleit. Hij voert aan dat het medeplegen dan wel de medeplichtigheid niet kunnen worden bewezen, nu uit het dossier niet blijkt dat [verdachte] wetenschap van het vuurwapen had. Ten aanzien van feit 3 subsidiair heeft de advocaat geen bewijsverweer gevoerd. Voor zover van belang worden de standpunten van de advocaat hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleidende overweging
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die op de zitting niet ter discussie hebben gestaan. Op 19 oktober 2024 heeft er in de woning van aangever [slachtoffer] te Leusden een woningoverval plaatsgevonden, waarbij drie mannen de woning zijn binnengekomen en een hoeveelheid vapes uit de woning van de aangever hebben meegenomen. Enkele uren voor de overval heeft [verdachte] eerst een onbekend gebleven medeverdachte en daarna medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de auto opgehaald. Deze verdachten zijn samen in de auto van [verdachte] naar de woning van de aangever gereden. Medeverdachte [medeverdachte 1] is als eerste uit de auto gestapt en heeft enige tijd met de aangever in zijn woning doorgebracht. Op enig moment heeft [medeverdachte 1] het doen lijken alsof hij met zijn telefoon een milkshake bestelde. Toen er even later werd aangebeld, zogenaamd door de bezorger van de milkshake, deed [medeverdachte 1] de deur open en kwamen drie personen met bivakmutsen de woning van de aangever binnen. Één van de personen mishandelde de aangever en een andere had een vuurwapen bij zich. De aangever is erin geslaagd om de persoon met het vuurwapen via de voordeur zijn woning uit te werken, de galerij op. Nadat de aangever de voordeur dicht en op slot had gedaan, heeft de persoon met het vuurwapen door de ruit van de voordeur geschoten. Hierna hebben de drie personen de woning van de aangever verlaten. Zij zijn terug gerend naar [verdachte] , die nog altijd in zijn auto zat en in de buurt van de woning geparkeerd stond. [verdachte] is vervolgens samen met twee personen weggereden van de woning. Medeverdachte [medeverdachte 2] is echter bij de woning achtergebleven en kon als enige van de verdachten direct na het voorval worden aangehouden.
3.3.2
Vrijspraak feit 1 en feit 2
[verdachte] wordt verweten dat hij als medepleger of medeplichtige heeft deelgenomen aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] (feit 1) en/of aan een bedreiging met de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] (feit 2). Bij beide beschuldigingen staat het gebruik van het vuurwapen centraal.
Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij zelf niet in de woning van de aangever was maar de hele avond in zijn auto is geweest. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de medeverdachten en wordt ook niet weersproken door andere bewijsmiddelen. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] niet degene is geweest die met het vuurwapen heeft geschoten. Om hem toch als medepleger of medeplichtige aansprakelijk te houden voor de poging doodslag en bedreiging, moet er bewijs zijn dat het wel de bewuste bedoeling van [verdachte] was dat geprobeerd zou worden om iemand te doden of om iemand te bedreigen met de dood of zwaar lichamelijk letsel (vol opzet). De rechtbank ziet hiervoor geen bewijs. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of bij [verdachte] sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Daarvoor moet worden gekeken of er voldoende bewijs is dat hij wist dat het doden of bedreigen van [slachtoffer] waarschijnlijk kon gebeuren en dat dat hij dit risico ook bewust accepteerde. De rechtbank is op basis van het dossier en wat op zitting is besproken, niet overtuigd dat [verdachte] dit voorwaardelijk opzet had.
[verdachte] verklaart dat hij de medeverdachten op de dag van de overval heeft ontmoet. Hij zou in de auto geen vuurwapen hebben gezien en ook niet hebben gehoord dat er over een vuurwapen werd gesproken. Pas toen de medeverdachten na de overval weer bij de auto aankwamen, zou één van hen hebben gezegd dat er geschoten was. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet, althans onvoldoende wordt weersproken door het dossier.
Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart, net als [verdachte] , dat hij in de auto geen vuurwapen heeft gezien en er ook niet over een vuurwapen is gesproken. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in zijn verklaring van 20 december 2024 op dit punt afwijkend verklaard. Volgens [medeverdachte 2] had de (onbekend gebleven) bijrijder een vuurwapen bij zich en heeft diegene in de auto gezegd dat hij de bewoner van de woning daarmee onder schot zou houden. De rechtbank vindt dit specifieke punt in de verklaringen van [medeverdachte 2] onvoldoende betrouwbaar. De reden daarvoor is dat [medeverdachte 2] sinds zijn aanhouding wisselende en deels tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wat het plan was, wat er uiteindelijk is gebeurd, wie erbij betrokken waren en wat hun aandeel is geweest. [medeverdachte 2] verklaarde aanvankelijk dat medeverdachte [medeverdachte 1] het vuurwapen bij zich had en de aangever daarmee heeft geslagen. Later verklaarde hij dat dit toch iemand anders was. Hij verklaarde tevens dat medeverdachte [medeverdachte 3] ook in de woning van de aangever is geweest, terwijl hij daar later weer op teruggekomen is. Gelet op de inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte 2] is de rechtbank terughoudend met het gebruik daarvan als bewijsmiddel en gebruikt zij de verklaringen alleen als die voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, anders dan de officier van justitie, dit specifieke punt in de verklaringen over de aanwezigheid van het vuurwapen, niet kan worden gebruikt voor het bewijs.
Buiten de verklaring van [medeverdachte 2] bevat het dossier geen andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat [verdachte] wist dat er een vuurwapen zou worden meegenomen. De officier van justitie heeft erop gewezen dat [verdachte] in afgeluisterde gesprekken op de dag van de woningoverval tegen iemand heeft gezegd dat hij een ‘klus’ had in een woning in Leusden en dat het de bedoeling was om die woning te gaan ‘legen.’ De rechtbank is van oordeel dat uit deze tapgesprekken niet kan worden afgeleid dat [verdachte] wist dat een van de medeverdachten een vuurwapen zou meenemen.
Nu de rechtbank niet kan vaststellen of [verdachte] wist dat een van zijn medeverdachten een vuurwapen meenam naar de woning, kan in ieder geval daaruit niet worden afgeleid dat hij voorwaardelijk opzet had op de dood, op het bedreigen met de dood of op het bedreigen met zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat ook geen ander bewijs waaruit dat (voorwaardelijk) opzet van [verdachte] op de dood of de bedreiging van [slachtoffer] duidelijk wordt.
De rechtbank spreekt [verdachte] daarom geheel vrij van de beschuldigingen van poging doodslag (feit 1) en bedreiging (feit 2).
3.3.3
Bewijsmiddelen feit 3 [1]
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: [adres 2] , [plaats]
Pleegdatum: 19 oktober 2024 [2]
Ik was thuis en er kwam een jongen langs die ik ken als [medeverdachte 1] [
de rechtbank begrijpt medeverdachte [medeverdachte 1]]. [3] Ik hoorde dat [medeverdachte 1] de voordeur opendeed. Ik zag vervolgens dat er drie personen in mijn woning waren gekomen. Ik zag dat deze personen bivakmutsen op hadden. Eén van deze personen liep op mij af en begon meteen op mij in te slaan. [4] Ik werd mishandeld in mijn woning. Ik zag dat een van de mannen spullen in een tas deed. Ik zag dat de man daarna mijn huis uit liep. Ik ben overal op mijn lichaam geslagen. Ik heb twee blauwe ogen, mijn bovenlip is kapot en ik heb meerdere bulten op mijn hoofd. [5]
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Medische informatie betreffende [slachtoffer] .
Datum waarop persoon werd onderzocht: 19 oktober 2024
Letsel oogkas
Snee bovenlip [6]
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 10 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 19 oktober 2024 met een aantal jongens in mijn auto naar de woning van de aangever [slachtoffer] in Leusden ben gereden. Ik was via via benaderd om dat te doen en zou er een beloning voor krijgen. [medeverdachte 1] is als eerste uit de auto gestapt en pas later stapten ook de andere jongens uit de auto. Ik ben zelf in mijn auto gebleven. Toen de jongens terugkwamen hoorde ik één van hen zeggen dat er was geschoten en dat ik weg moest rijden. Hierop ben ik weggereden van de woning.
Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 29 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het was ergens in Leusden. De bedoeling was de bewoner te overvallen en dingen te pakken. Er kwam een jongen met de auto [
de rechtbank begrijpt: [verdachte]]. Als eerste ging [medeverdachte 1] [
de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]] uit de auto. Op een gegeven moment appte [medeverdachte 1] dat wij moesten komen. De bestuurder van de auto bleef in de auto achter. Ik pakte vapes uit de woonkamer. [7]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 oktober 2024 kregen wij, verbalisanten, het verzoek om te gaan naar het [adres 2] in [plaats] . Hier zou een melder kabaal en geschreeuw horen uit eerder genoemde
woning. Tevens zou deze melder personen met bivakmutsen uit de woning hebben zien
lopen. Deze personen zouden volledig in het zwart gekleed zijn. Ik zag dat het pand
een appartementencomplex betrof met een hoofdingang dat uitkwam op de parkeerplaats.
Ik zag op de parkeerplaats een manspersoon lopen. Ik zag dat de verdachte in zijn handen een voorwerp vasthield. Hierop reden wij, verbalisanten, onmiddellijk op naar de verdachte. Toen wij naast de verdachte stopten, zag ik, verbalisant, dat de verdachte stopte met lopen en de spullen op de grond liet vallen. Verdachte is aangehouden. Tijdens de fouillering van de verdachte [
de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]] zag ik op de grond twee volle doosjes vapes liggen. Ik zag dat dit de voorwerpen waren die de verdachte eerder droeg want ik herkende de vorm en kleuren. [8]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 oktober 2024 deed ik, verbalisant, onderzoek op de openbare weg nabij het plaats delict, gelegen aan de [adres 2] te [plaats] . Op ongeveer 30 meter afstand stond een prullenbak. Ik zag dat daarin was gedeponeerd:
  • een plastic verpakking van een vape van het merk JNR;
  • een kartonnen verpakking van een vape van het merk JNR, batchnummer Y2M1D1-BT8500
Tijdens de doorzoeking van de woning [
de rechtbank begrijpt: de woning van de aangever] werden in de woonkamer zes vapes aangetroffen. De batchnummers van de vapes in de woning kwamen overeen met de verpakking van de vape die in de prullenbak werd aangetroffen. [9]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van een overval op een slijterij in Hoogland op 28 september 2024 is er een opsporingsonderzoek gestart. In dit onderzoek kwam het telefoonnummer [telefoonnummer] naar voren. Om vast te stellen wat de betrokkenheid van het nummer [telefoonnummer] is, is besloten het telefoonnummer te intercepteren. In de politiesystemen staat het telefoonnummer geregistreerd op naam van [verdachte] . [10] Tijdens het intercepteren vielen er een aantal gesprekken op en kon er een link gelegd worden met de overval op de woning in Leusden. [11]
Sessienr: 6585 Datum/tijd: 18/10/2024 15:46:07
Herkomst tap: 618974019
[letter] : Eeeh, nou kijk, het ding is, daarna, nadat, ga ik naar Hilversum even aankleden douche en daarna heb ik een klus in hoe
heet het eeh, Leusden.
[letter] : Wat voor klus is het?
[letter] : eeeh jaja, kan ik dat zo hardop zeggen via de telefoon.
[letter] : Ow, o zo klus.
[letter] : Heh?
[letter] : Je bedoelt zo klus.
[letter] : Ja Ja in een woning. [12]
Sessienr: 6779 Datum/tijd: 18/10/2024 20:07:06
[letter] : Ik heb een klus vanavond bro, Ik ga nu onderweg naar daar
[letter] : Ow Ja toch, hoe laat ben je ongeveer klaar denk je.
[letter] : Ja ik weet, ik weet, ik weet
[letter] : Maar goed bo, eewa je weet niet hoe laatje klaar bent?
[letter] : Ja ligt eraan hoe laat we die osso gaan legen. [13]
3.3.4.
Bewijsoverwegingen feit 3
Partiële vrijspraak
In de beschuldiging van de woningoverval staat dat [verdachte] met anderen een woning heeft overvallen door onder meer een vuurwapen te tonen en daarmee te schieten. De rechtbank heeft hiervoor al uitgelegd dat en waarom [verdachte] voor het meenemen en gebruiken van het vuurwapen niet verantwoordelijk kan worden gehouden. De rechtbank zal om diezelfde redenen [verdachte] ook vrijspreken van het tonen en gebruiken van het vuurwapen zoals dat staat in feit 3.
In het resterende gedachtestreepje is ten laste gelegd dat de aangever geslagen en geschopt zou zijn. Het schoppen volgt echter niet uit de verklaring van de aangever. Aan het specieke punt in de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij heeft getrapt, gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank verwijst naar haar eerdere opmerkingen over de wisselingen en deels tegenstrijdigheid van zijn verklaringen, waardoor de rechtbank geen waarde hecht aan dit specifieke punt in zijn verklaring. Verder zijn er geen andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat [slachtoffer] is getrapt. Daarom zal [verdachte] ook van dit onderdeel van de beschuldiging worden vrijgesproken.
Vrijspraak medeplegen; bewijsoverweging medeplichtigheid aan diefstal met geweld
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er een hoeveelheid vapes uit de woning van de aangever is weggenomen, dat de aangever is geslagen en dat hij daar letsel aan heeft overgehouden. De rechtbank acht diefstal met geweld hiermee wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [verdachte] als medepleger dan wel als medeplichtige aan de diefstal met geweld heeft deelgenomen. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] zelf niet in de woning van de aangever is geweest. Hij heeft dus geen gewelds- en/of wegnemingshandelingen verricht, maar wel als chauffeur voor zijn medeverdachten gefungeerd. De rechtbank is van oordeel dat deze bijdrage van [verdachte] niet van voldoende gewicht is om hem als medepleger van de diefstal met geweld aan te merken. Het besturen van de (vlucht)auto is een handeling die doorgaans als medeplichtigheid wordt bestempeld en de rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen dat de rol van [verdachte] groter is geweest dan alleen het optreden als chauffeur.
Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is vereist dat er sprake is van ‘dubbel opzet’: opzet op de medeplichtigheidsgedraging en opzet op het gronddelict dat door die gedraging wordt bevorderd. De rechtbank overweegt dat [verdachte] als chauffeur voor zijn medeverdachten heeft opgetreden en daarmee opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van het misdrijf. Ten aanzien van het opzet op het gronddelict is van belang dat [verdachte] op de dag van de woningoverval in een telefoongesprek zegt dat hij vanavond een klus heeft, waarbij ze een ‘osso gaan legen’. De rechtbank begrijpt hieruit dat [verdachte] in elk geval wist dat het plan was om met anderen een diefstal uit een woning te plegen. Hieruit volgt niet dat de verdachte ook wist dat daarbij geweld zou worden gebruikt.
Als het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) is gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van zo'n voldoende verband sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. In de regel zal echter kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat als het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, bijvoorbeeld bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat er bij een diefstal die uiteindelijk uitmondt in een diefstal met geweld sprake is van het hiervoor bedoelde ‘voldoende verband.’ [14] Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan diefstal met geweld is dan ook voldoende dat het opzet van de medeplichtige alleen op een diefstal (dus zonder geweld) was gericht. [15]
Gelet hierop is rechtbank is van oordeel dat het beperktere opzet van [verdachte] (namelijk op een diefstal) er niet aan in de weg staat om hem als medeplichtige van diefstal met geweld aan te merken. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] medeplichtig is geweest aan de diefstal met geweld, begaan door zijn mededaders.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :
Feit 3 subsidiair
[medeverdachte 2] en zijn mededaders op 19 oktober 2024 te Leusden,
tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid vapes, die geheel aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door die [slachtoffer] meermalen met kracht te slaan,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 19 oktober 2024 te Leusden opzettelijk behulpzaam is geweest door
- zijn voertuig beschikbaar te stellen en dit voertuig als vluchtauto ter beschikking stellen en
- die [medeverdachte 2] en zijn mededaders naar de plaats van het misdrijf te vervoeren en
- zich in de nabijheid van de plaats van het misdrijf op te houden en
zijn mededaders van de plaats van het misdrijf naar elders te vervoeren;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1
Kwalificatie
Het bewezen feit levert volgens de wet het volgende stafbare feit op:
medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5.2
Strafbaarheid feit en verdachte
Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van [verdachte] opheffen. De feiten zijn strafbaar en [verdachte] is dat ook.

6.Strafoplegging

6.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] met toepassing van het jeugdstrafrecht wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 66 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met dien verstande dat de ITB Harde Kern 6 maanden zal duren en aan [verdachte] geen locatieverbod voor de gemeente Leusden zal worden opgelegd;
- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen en aan [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Voor het geval de rechtbank een deels voorwaardelijke straf oplegt, heeft de advocaat verzocht om in de bijzondere voorwaarden geen locatieverbod voor de gemeente Leusden op te nemen, dan wel te bepalen dat de A28 van dit locatieverbod is uitgezonderd. Ook heeft de advocaat verzocht om, voor het geval de rechtbank ambulante behandeling in de bijzondere voorwaarden opneemt, nader te specificeren dat het gaat om de behandeling zoals [verdachte] die nu volgt.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
[verdachte] is medeplichtig aan een woningoveral. Hij heeft de medeverdachten in zijn auto naar de woning van het slachtoffer vervoerd en is in de buurt van de woning op hen blijven wachten. Een van de medeverdachten kende het slachtoffer persoonlijk en heeft enige tijd met hem in zijn woning doorgebracht. Nadat die medeverdachte de deur van de woning had geopend, zogenaamd voor de bezorger van een milkshake, kwamen de andere medeverdachten met bivakmutsen op de woning van het slachtoffer binnen. Het slachtoffer werd geslagen en beroofd van een hoeveelheid vapes. Een van medeverdachten had een vuurwapen bij zich en heeft daarmee door de ruit van de voordeur geschoten. Hierna is een deel van de medeverdachten weer bij [verdachte] in de auto gestapt en heeft [verdachte] hen van de woning weggereden.
Een woningoverval als deze getuigt van een enorme minachting voor het welzijn en de eigendom van anderen. Het slachtoffer heeft niet alleen lichamelijk letsel opgelopen, maar ervaart blijkens de toelichting op zijn verzoek tot schadevergoeding ook sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in zijn eigen woning. Dit is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig zou moeten voelen. De rechtbank rekent het [verdachte] aan dat hij zijn medeverdachten heeft geholpen om de woningoverval te plegen en dat hij zich daarbij kennelijk alleen door eigen financieel gewin heeft laten leiden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] . Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor diefstal met geweld maar wel voor mishandeling is veroordeeld en dat hij ten tijde van het feit nog in de proeftijd van die veroordeling liep.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het persoonlijkheidsonderzoek van 18 april 2025, uitgebracht door [B] (GZ-psycholoog). Hierin wordt beschreven dat bij [verdachte] sprake is van beginnende persoonlijkheidsproblematiek met borderline- en antisociale kenmerken, een normoverschrijdende gedragsstoornis (matig) en ADHD. Volgens de psycholoog waren deze stoornissen ook aanwezig ten tijde van de woningoverval en hebben zij invloed gehad op de keuzes en gedragingen van [verdachte] ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Daarom adviseert de psycholoog om deze feiten verminderd aan [verdachte] toe te rekenen. De psycholoog schat het risico op recidive als matig tot hoog in wanneer er geen interventies worden toegepast. De belangrijkste zorgpunten zijn gelegen in de gebrekkige zelfsturing, impulscontrole en emotieregulatie van [verdachte] . Deze maken dat hij erg beïnvloedbaar is en tot handelen kan overgaan zonder de negatieve gevolgen voor zichzelf of een ander adequaat in te schatten. De psycholoog adviseert om een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden op te leggen, die voorzien in intensief toezicht door de reclassering en ambulante behandeling.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het advies van de reclassering van
29 oktober 2025, uitgebracht door [C] , reclasseringswerker. Hierin komt naar voren dat [verdachte] sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een positieve verandering in zijn gedrag heeft laten zien. Hij is niet opnieuw in aanraking gekomen met de politie en heeft op verschillende leefgebieden meer stabiliteit dan ten tijde van de ten laste gelegde feiten. [verdachte] gaat binnenkort starten met een behandeltraject bij [instelling] , gericht op (onder meer) weerbaarheid en het maken van pro-sociale keuzes. Hiernaast heeft [verdachte] ambulante begeleiding van [instelling] , die vooral gericht is op ondersteuning bij praktische hulpvragen. De reclassering schat het risico op recidive als gemiddeld in. Het baart de reclassering zorgen dat [verdachte] momenteel geen baan en structureel inkomen heeft en dat hij geen volledige openheid van zaken lijkt te geven over zijn motieven en keuzes ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De reclassering adviseert om [verdachte] een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen, namelijk:
I. Begeleiding door de jeugdreclassering in de vorm van de maatregel Toezicht en Begeleiding, waarvan de eerste 12 maanden in het kader van ITB Harde Kern;
II. Ambulante behandeling bij [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;
III. Een locatieverbod voor de gemeente Leusden, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk vindt;
IV. Inspanning voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Toepassing jeugdstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] ten tijde van de ten laste gelegde feiten achttien jaar oud was. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om verdachten tussen de 18 en de 23 jaar te berechten volgens het jeugdstrafrecht, als de rechtbank daar grond voor ziet in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. In het persoonlijkheidsonderzoek komt naar voren dat [verdachte] een ingewikkelde thuissituatie kent en moeite heeft om zichzelf te sturen, structuur aan te brengen en risico’s in te schatten. Hij kon in het verleden opstandig reageren op autoriteit maar heeft sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een positieve houding ten opzichte van begeleiding en pedagogische beïnvloeding laten zien. Om deze redenen adviseert de psycholoog om het jeugdstrafrecht toe te passen. Ook de reclassering adviseert om de huidige begeleiding in het jeugdkader voort te zetten. Deze begeleiding heeft namelijk stabiliteit in het leven van [verdachte] gebracht en creëert ruimte voor pedagogische beïnvloeding waarin ook zijn moeder kan worden betrokken. Gelet op deze adviezen van de deskundigen is de rechtbank, net als de officier van justitie en de advocaat, van oordeel dat het passend is om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Verminderde toerekenbaarheid
De rechtbank neemt het advies van de psycholoog om de diefstal met geweld verminderd aan [verdachte] toe te rekenen over en houdt daar bij de strafoplegging rekening mee.
Jeugddetentie
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit acht de rechtbank de oplegging van een jeugddetentie aan de orde. De rechtbank zal echter een kortere jeugddetentie opleggen dan door de officier van justitie ie geëist. De belangrijkste reden hiervoor is dat [verdachte] van het grootste deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] een strafbare rol heeft gehad bij de poging tot doodslag, de bedreiging én het meest strafwaardige onderdeel van de diefstal met geweld, namelijk het gebruik van het vuurwapen.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] in het kader van deze strafzaak 84 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarvoor nooit eerder heeft vastgezeten. De rechtbank overweegt daarnaast dat [verdachte] als gevolg van zijn psychische problematiek verminderd toerekeningsvatbaar is en dat dat hij tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een (voorzichtig) positieve verandering van zijn gedrag heeft laten zien. Gelet op al het vorengaande ziet de rechtbank geen grond om aan [verdachte] een jeugddetentie op te leggen die de duur van zijn voorlopige hechtenis overschrijdt. Aan [verdachte] zal daarom een jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van 84 dagen, met aftrek van het voorarrest. Gelet op de zorgen over [verdachte] zoals blijkend uit het persoonlijkheidsonderzoek en het reclasseringsadvies, vindt de rechtbank het wel belangrijk dat er een kader blijft lopen op basis waarvan [verdachte] begeleid en behandeld kan worden. Daarom zal de rechtbank de proeftijd bij zijn eerdere voorwaardelijke veroordeling verlengen en daarnaast de voorwaarden bij die eerdere veroordeling wijzigen (zie paragraaf 9).
Voorlopige hechtenis
Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie is qua duur gelijk aan de tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gelet hierop zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.In beslag genomen voorwerpen

7.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de wapenkoffer en het veerdrukwapen te onttrekken aan het verkeer en om de bivakmuts en de Motorola telefoon verbeurd te verklaren. Ten aanzien van de plaatsbepalingsapparatuur, de computer en de Samsung telefoon heeft de officier van justitie gevorderd om te bepalen dat deze aan [verdachte] worden teruggegeven.
7.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om de bivakmuts te retourneren aan [verdachte] omdat er geen grond is om dit voorwerp verbeurd te verklaren.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de wapenkoffer en het veerdrukwapen onttrekken aan het verkeer, omdat deze van een zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechtbank zal de Motorola telefoon verbeurd verklaren omdat deze is aan te merken als een voorwerp met behulp waarvan het strafbare feit is begaan. Ten aanzien van de bivakmuts overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat [verdachte] dit voorwerp bij het bewezenverklaarde feit heeft gebruikt. Ook overigens is er geen wettelijke grondslag om de bivakmuts verbeurd te verklaren. Daarom zal de rechtbank de teruggave van de bivakmuts aan [verdachte] gelasten. Ook ten aanzien van de Samsung telefoon, de computer en de plaatsbepalingsapparatuur zal de teruggave aan [verdachte] worden gelast, omdat er geen strafvorderlijk belang (meer) is om deze goederen in beslag genomen te houden.
8. Vordering benadeelde partij
8.1.
Voeging benadeelde partij
[slachtoffer] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij vordert een bedrag van € 9.535,- euro, bestaande uit € 35,- materiële schade en € 9.500,- immateriële schade, als gevolg van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. Hij vordert daarbij ook de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de materiële schade en toewijzing van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft primair verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er onvoldoende verband bestaat tussen het handelen van [verdachte] en de door benadeelde gestelde schade. Subsidiair heeft de advocaat verzocht om het gevorderde immateriële schadebedrag te matigen, omdat zowel het lichamelijk als het geestelijk letsel onvoldoende onderbouwd is. De advocaat heeft tot slot verzocht om een eventuele schadevergoedingsmaatregel alleen op te leggen voor het deel waarvoor [verdachte] aansprakelijk is.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De materiële schade heeft betrekking op één dag ziekenhuisdaggeldvergoeding. Dit onderdeel van de vordering is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Immateriële schade
Op grond van art. 6:106 BW Pro is vergoeding van immateriële schade onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of ‘op andere wijze is zijn persoon is aangetast.’
Uit het dossier en toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in ieder geval aan zijn oogkas, rug en bovenlip. In de toelichting op de vordering wordt gesteld dat de benadeelde daarnaast ernstig psychisch letsel heeft opgelopen. Deze stelling is niet onderbouwd met verklaringen van bijvoorbeeld een huisarts of psycholoog. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit mag echter verondersteld worden dat het slachtoffer in ieder geval enig geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op het vorengaande zal de rechtbank het immateriële deel van de vordering gedeeltelijk toewijzen.
Voor de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag zoekt rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als een hulpmiddel bij de billijkheidsafweging. De rechtbank heeft gekeken naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Uit categorie 19.1 blijkt dat, in het geval van een overval in de woning van de benadeelde, een bedrag tussen de € 3.000,- en € 8.000,- passend wordt gevonden. Vanwege de beperkte onderbouwing van met name het geestelijk letsel, ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om aan de onderkant van de genoemde bandbreedte te gaan zitten. Omdat er ook sprake is van lichamelijk letsel, komt de rechtbank wel tot een iets hoger bedrag dan de ondergrens van € 3.000,-.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.500,- billijk is. De rechtbank wijst het immateriële deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe en verklaart het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente en hoofdelijkheid
De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.535,-, inclusief de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling. De vordering zal hoofdelijk worden toegewezen. Hiermee wordt bedoeld dat elke verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is en van zijn vergoedingsplicht is bevrijd voor zover een van de medeverdachten heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dit betekent (kort gezegd) dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag dat [verdachte] op grond van de schadevergoedingsmaatregel moet betalen, heeft de rechtbank gekeken naar het aandeel van [verdachte] in het veroorzaken van de door de benadeelde geleden schade. Dit om te voorkomen dat een groot deel van de schade op één van de (mede)verdachten wordt verhaald, terwijl ieder een eigen aandeel in het veroorzaken van de schade heeft gehad. De rechtbank overweegt dat [verdachte] zelf geen rechtstreeks aandeel in het veroorzaken van de schade heeft gehad, maar wel het optreden van zijn medeverdachten heeft bevorderd door als chauffeur te fungeren. De rechtbank vindt bij deze omstandigheden een schadebedrag van
€ 535.00,- billijk en bepaalt dat [verdachte] dit bedrag aan de Staat moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierboven vermeld. De betaling die door [verdachte] aan de Staat is gedaan, wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Omdat [verdachte] volgens het jeugdstrafrecht wordt berecht, zal er bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskosten
[verdachte] zal tot slot worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

9.Vordering tot tenuitvoerlegging

9.1
Eerdere veroordeling
Op 11 april 2024 is [verdachte] door de kinderrechter in deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 16/047348-24, veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk.
9.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat het voorwaardelijk deel van de aan [verdachte] opgelegde taakstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
9.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om de vordering af te wijzen, al dan niet onder wijziging van voorwaarden conform het advies van de reclassering in de hoofdzaak.
9.4
Het oordeel van de rechtbank
[verdachte] heeft de algemene voorwaarde bij zijn voorwaardelijke veroordeling geschonden door zich binnen de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit schuldig te maken. Gelet hierop komt de vordering van de officier van justitie in beginsel voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank ziet echter voldoende aanleiding om de vordering af te wijzen en de proeftijd bij de eerdere veroordeling te verlengen. In het persoonlijkheidsonderzoek en het advies van de reclassering komt namelijk naar voren dat [verdachte] gebaat is bij een voortzetting van het toezicht en de begeleiding door de jeugdreclassering. Om deze reden zal de rechtbank niet alleen de proeftijd bij de eerdere veroordeling verlengen, maar ook de voorwaarden wijzigen. De eerdere voorwaarden worden vervangen door de bijzondere voorwaarden die in deze zaak door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank zal echter op drie punten afwijken van het advies van de reclassering. Allereerst zal de rechtbank in de bijzondere voorwaarden ook een contactverbod met het slachtoffer en contactverboden met de medeverdachten opnemen. Deze contactverboden maakten namelijk ook deel uit van de schorsingsvoorwaarden en de rechtbank ziet voldoende aanleiding om deze contactverboden in stand te houden. Ten tweede zal de rechtbank in de bijzondere voorwaarden geen locatieverbod voor de gemeente Leusden opnemen. Dit verbod is in de loop van de schorsing van de voorlopige hechtenis al opgeheven en de rechtbank ziet geen aanleiding om deze bijzondere voorwaarde opnieuw te stellen. Tot slot ziet de rechtbank, net als de officier van justitie, aanleiding om te bepalen dat de begeleiding door de jeugdreclassering niet voor twaalf, maar voor zes maanden zal bestaan uit ITB Harde Kern.

10.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en de beslissingen op beslag zijn gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 48, 49, 77a, 77g, 77i, 77a, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder feit 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het in paragraaf 4 bewezenverklaarde;
Oplegging van straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 84 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht (de opgelegde jeugddetentie is dus gelijk aan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zodat verdachte niet terug hoeft naar gevangenis.);
Beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
 1 STK wapenkoffer (G3447184);
 1 STK wapen, GX4 (G3447297);
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd: telefoon, Samsung (G3447191);
- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:
 1 STK telefoon, Motorola (G3447188);
 1 STK computer, Lenovo Thinkpad (G3447213);
 1 STK niet te definiëren goederen, plaatsbepalingsapparatuur (G3447207);
 1 STK niet te definiëren goederen, plaatsbepalingsapparatuur (G3447208);
 1 STK muts (G3447176);
Benadeelde partij [slachtoffer]
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.535,-, waarvan een bedrag van € 35,- voor materiële schade en een bedrag van € 3.500,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] ;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 535.00,- te betalen, zijnde het door de rechtbank bepaalde aandeel van verdachte in de schade (om te voorkomen dat een groot deel van de schade op één van de (mede)verdachten wordt verhaald, terwijl ieder een eigen aandeel in het veroorzaken van de schade heeft gehad), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;
Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
- wijst de vordering af;
- verlengt de proeftijd, verbonden aan de op 11 april 2024 door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland opgelegde voorwaardelijke taakstraf, met één jaar;
- wijzigt de voorwaarden zodanig dat deze thans als volgt komen te luiden:
- stelt als
algemene voorwaardendat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
* zich in het kader van de Maatregel Toezicht en Begeleiding, waarvan de eerste maanden in het kader van ITB Harde Kern, houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering (De Jeugd en Gezinsbeschermers) en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
* zich laat behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
* zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* op geen enkele wijze ook niet via derden contact zoekt, heeft of onderhoudt met het slachtoffer, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1993). De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
* op geen enkele wijze ook niet via derden contact zoekt, heeft of onderhoudt met:
 [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum] 2007);
 [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum] 2007);
 [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum] 2006);
 [medeverdachte 4] (geboren op [geboortedatum] 2008);
De politie ziet toe op handhaving van deze contactverboden.
Voorlopige hechtenis
- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter tevens kinderrechter,
mr. S.D. Groen en mr. S.T. Könning, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Molals griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- met (een) vuurwapen(s) naar de woning van die [slachtoffer] is gegaan en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer] heeft doorgeladen en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de voordeur (ter hoogte
van om en nabij de middelhoogte van een volwassen menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer] heeft geschoten in/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(Artikel art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 287 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door hem en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet,
- met (een) vuurwapen(s) naar de woning van die [slachtoffer] is gegaan en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer] heeft doorgeladen en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer] heeft geschoten in/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot welk feit verdachte op 19 oktober 2024 te Leusden
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft
verschaft door
- zijn voertuig beschikbaar te stellen en/of dit voertuig als vluchtauto ter beschikking stellen en/of
- die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) naar de plaats van het misdrijf te vervoeren en/of
- zich in de nabijheid van de plaats van het misdrijf op te houden en/of op de uitkijk te staan en/of
- die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) van de plaats van het misdrijf naar elders te vervoeren;
2
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer] te schieten in/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer] te schieten in/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer] ,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- zijn voertuig beschikbaar te stellen en/of dit voertuig als vluchtauto ter beschikking stellen en/of
- die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) naar de plaats van het misdrijf te vervoeren en/of
- zich in de nabijheid van de plaats van het misdrijf op te houden en/of op de uitkijk te staan en/of
- die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) van de plaats van het misdrijf naar elders te vervoeren;
3
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de
vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer] te schieten in/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer]
- die [slachtoffer] meermalen (met kracht) te slaan en/of te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere
deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
- ( een) vuurwapen(s) te tonen aan die [slachtoffer] en/of
- dit/deze vuurwapen(s) in de woning van de [slachtoffer] door te laden en/of
- met dit/deze vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) door (het glas van) de voordeur (ter hoogte van om en nabij de middelhoogte van een volwassen menselijk lichaam) van de woning van die [slachtoffer] te schieten in/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of in de richting van die [slachtoffer]
- die [slachtoffer] meermalen (met kracht) te slaan en/of te schoppen,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 oktober 2024 te Leusden opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- zijn voertuig beschikbaar te stellen en/of dit voertuig als vluchtauto ter beschikking stellen en/of
- die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) naar de plaats van het misdrijf te vervoeren en/of
- zich in de nabijheid van de plaats van het misdrijf op te houden en/of op de uitkijk te staan en/of
- die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) van de plaats van het misdrijf naar elders te vervoeren;

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024331744, pagina 1 tot en met 428. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
2.P. 87 PV VGL.
3.P. 87 PV VGL.
4.P. 88 PV VGL.
5.P. 89 PV VGL.
6.P. 339 PV VGL.
7.P. 178 en 179, PV VGL.
8.P. 14 en p. 16 PV VGL.
9.P. 41 VGL.
10.P. 166 PV VGL.
11.P. 167 PV VGL
12.P. 168 PV VGL.
13.P. 170 PV VGL.