ECLI:NL:RBMNE:2026:887

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/4198
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WhtArt. 2.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag kinderopvangtoeslag wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding

Eiseres diende op 17 januari 2025 een aanvraag in voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag, maar deze werd door de Dienst Toeslagen afgewezen wegens te late indiening. Eiseres betoogde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat zij in Aruba woont en niet tijdig op de hoogte was van de hersteloperatie en de aanmeldtermijn. Tevens voerde zij persoonlijke omstandigheden aan, waaronder het overlijden van haar tante en psychische klachten.

De rechtbank oordeelde dat het niet op de hoogte zijn van de kinderopvangtoeslagaffaire en de hersteloperatie geen bijzondere omstandigheid vormt die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigt. De ruime aanmeldtermijn van ongeveer drieënhalf jaar is volgens de rechtbank voldoende om slachtoffers in staat te stellen zich aan te melden. Ook de persoonlijke omstandigheden van eiseres voldeden niet aan de strenge criteria van actuele, schrijnende omstandigheden zoals vastgesteld in jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.

De rechtbank concludeerde dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door haar psychische gesteldheid of andere omstandigheden niet tijdig kon reageren. De Dienst Toeslagen had voldoende toegelicht dat de hersteloperatie en de aanmeldtermijn breed bekend waren via nieuws, sociale media en de eigen website. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de te laat ingediende aanvraag kinderopvangtoeslag.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4198

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] (Aruba), eiseres

(gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Eiseres heeft zich op 17 januari 2025 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen heeft mogen weigeren om deze aanvraag in behandeling te nemen omdat de aanvraag te laat was ingediend.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft de aanvraag met het besluit van 6 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
1.2.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (per videoverbinding), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen de aanvraag op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen haar aanvraag in behandeling had moeten nemen, omdat zij goede redenen heeft gehad voor het te laat indienen daarvan. Eiseres voert aan dat zij niet op de hoogte was van de kinderopvangtoeslagaffaire en de hersteloperatie en de aanmeldtermijn. Eiseres is namelijk sinds 2013 woonachtig in het buitenland en wist hierdoor niet dat zij mogelijk gedupeerd zou zijn. Pas in december 2024 is eiseres erop geattendeerd om zich aan te melden. Zij heeft zich vervolgens binnen één maand aangemeld. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding niet aan haar kan worden tegengeworpen vanwege verschillende bijzondere persoonlijke omstandigheden. Zij voert daartoe aan dat haar tante in 2023 is overleden en dat dit een grote impact heeft gehad op haar psychische gesteldheid.
3.1.
Uit artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, moet worden ingediend vóór 1 januari 2024. Indien er sprake is van een bijzondere situatie die niet is te voorzien en waarin toepassing van artikel 6.1 van de Wht leidt tot een zeer onbillijke uitkomst, kan van deze termijn worden afgeweken op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. In gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zal door Dienst Toeslagen worden gekeken of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3.2.
Voor de vraag of er in deze zaak sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, beoordeelt de rechtbank aan de hand van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) of er sprake is van actuele, schrijnende omstandigheden, zoals serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. [1] Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiseres niet op de hoogte was van de kinderopvangtoeslagaffaire en de mogelijkheid om compensatie aan te vragen niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt en daardoor niet leidt tot verschoonbare termijnoverschrijding. Met de omstandigheid dat mogelijke slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire al in een lastige situatie zitten, heeft de wetgever in algemene zin al rekening mee gehouden door een ruime aanmeldperiode te nemen van ongeveer drieënhalf jaar. Hoewel de situatie van eiseres moeilijk moet zijn geweest de afgelopen jaren, voldoet het niet aan de strenge eisen die de Afdeling stelt om een te late aanmelding toch in behandeling te nemen. Eiseres heeft niet met stukken onderbouwd dat zij zodanig persoonlijk ontwricht was dat zij daardoor niet in staat was om zich tijdig aan te melden. Desgevraagd heeft eiseres in dat kader evenmin aannemelijk gemaakt dat zij in de periode tot haar vertrek uit Nederland op één of andere manier door de Belastingdienst en/of Dienst Toeslagen is benadeeld. Dat er sprake was van geestelijke klachten is op zich onvoldoende om aan te nemen dat eiseres zich daardoor niet kon aanmelden. Eiseres stond ten tijde van de aanvraagperiode, voor zover bekend bij de rechtbank, niet onder behandeling voor haar psychische klachten. Dat eiseres niet op de hoogte is geraakt, behoort daarom tot haar eigen verantwoordelijkheid. Dienst Toeslagen heeft op de zitting voldoende toegelicht dat de hersteloperatie en de daarvoor geldende termijn veelvuldig in het nieuws is geweest en dat hierover ook is bericht op sociale media en vindbaar was op de website van de Dienst Toeslagen. Eiseres had zich op een laagdrempelige manier kunnen laten informeren. Mogelijk gedupeerden konden per brief, online, telefonisch of op één van de locaties van Dienst Toeslagen informatie opvragen. Uit het beroepschrift wordt verder niet duidelijk dat eiseres niet is staat was om op geen enkele manier contact te leggen met Dienst Toeslagen. De beroepsgrond slaagt niet.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat strikte toepassing van de aanmeldtermijn in het geval van eiseres niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres niet in behandeling hoeft te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1004 en 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1435.