AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging omgevingsvergunning wegens onjuiste toepassing parkeernormen bij transformatie garage naar appartementen
Eisers maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende voor het transformeren van een garage en bovenwoning naar acht appartementen met bergingen. Zij voerden onder meer aan dat er sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering, dat er meer woningen worden gebouwd dan toegestaan en dat er parkeeroverlast zal ontstaan.
De rechtbank oordeelde dat het college de vergunningvrije bouwdelen terecht buiten de beoordeling kon laten. Wel stelde de rechtbank vast dat het college de beleidsregel parkeernormen auto 2021 niet correct had toegepast bij het berekenen van de parkeerbehoefte. Een juiste toepassing leidt tot een tekort van één parkeerplaats. Het college had dit tekort echter gemotiveerd gecompenseerd door toepassing van een afwijkingsmogelijkheid en het voorschrift dat bewoners geen parkeervergunning krijgen.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers 2 en 3.
Uitkomst: De omgevingsvergunning wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van parkeernormen, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/629, 24/647 en 24/655
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser 1], eiser 1
[eiser 2], eiser 2, (gemachtigde: mr. A.A.M. van der Linden)
[eiser 3], eiser 3, (gemachtigde: mr. G. Kranendonk), mede namens [A], [B], [C], [D] en [E],
allen uit [plaats], gezamenlijk aan te duiden als eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
vertegenwoordigd door [vergunninghouder]uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. Th.F. Roest).
Inleiding
1. Eisers wonen respectievelijk aan het [adres 1], de [adres 2] en het [adres 3] in [plaats]. In het pand aan het [adres 4] en [adres 5] [plaats] (het perceel) was een garagebedrijf gevestigd met een zelfstandige bovenwoning. Vergunninghouder wil het pand transformeren en vergroten naar in totaal acht appartementen en acht bergingen met de bestaande bovenwoning (het bouwplan). Het college heeft hiervoor op 20 april 2023 de gevraagde omgevingsvergunning verleend (het primaire besluit). Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning.
1.1.
Met het bestreden besluit van 22 december 2023 heeft het college besloten de bezwaren ongegrond te verklaren en de omgevingsvergunning in stand te laten.
1.2.
Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Vergunninghouder heeft schriftelijk op het beroep gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van eisers, de gemachtigde van het college, de vergunninghouder, vertegenwoordigd door [F] en de gemachtigde van vergunninghouder, vergezeld door mr. N.J. Loekemeijer. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden. Het college is in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie over te leggen. Het gaat om een nadere inzichtelijke opgave over het bepalen van de parkeerbehoefte; de daarvoor gebruikte tekeningen en plattegronden, een nadere uitleg over wat een mobiliteitshub is, over hoe locaties van deelautoplekken worden geduid en of het college rekening heeft gehouden met de andere projecten in de directe omgeving van het perceel. Het college heeft op 28 maart 2025 de aanvullende informatie aangeleverd. Eisers hebben de gelegenheid gekregen hierop schriftelijk te reageren, waarvan zij gebruik hebben gemaakt. Nadat partijen hebben aangegeven dat een nadere behandeling op een zitting niet nodig is, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten
1.4.
De rechtbank heeft op 31 juli 2025 besloten het onderzoek te heropenen en het college verzocht om aanvullende informatie. Het gaat om de motivering waarom het college van mening is dat ondanks het tekort van 0,5 parkeerplaats op de parkeereis van het bouwplan, toch wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Het college heeft op 15 augustus 2025 de aanvullende informatie aangeleverd. Eisers hebben de gelegenheid gekregen hierop schriftelijk te reageren, waarvan zij gebruik hebben gemaakt.
1.5.
Op 28 oktober 2025 heeft de rechtbank – nadat partijen hadden aangegeven dat zij niet nader op een zitting gehoord wilden worden – het onderzoek opnieuw gesloten.
1.6.
De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen gevoegd. [1]
Ingetrokken beroepsgronden
2. Op de zitting hebben eisers 2 en 3 hun beroepsgronden over de toepassing van de kruimelgevallenregeling [2] ingetrokken. Eiser 1 heeft op de zitting zijn gronden over de laadpaal ten behoeve van de deelautoplek ingetrokken. Omdat eisers bovengenoemde beroepsgronden op de zitting hebben ingetrokken, beoordeelt de rechtbank deze gronden niet.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. [3]
3.1.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het college terecht de omgevingsvergunning heeft verleend. Zij betrekt daarbij de beroepsgronden van eisers.
3.2.
Het beroep is gegrond .Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontvankelijkheid
4. Voordat de rechtbank het beroep van eisers inhoudelijk kan beoordelen, moet zij eerst ambtshalve beoordelen of de beroepen van eisers ontvankelijk zijn. Als eisers geen belanghebbenden zijn bij het besluit, kunnen zij geen beroep instellen bij de bestuursrechter. [4] De rechtbank is van oordeel dat eisers belanghebbenden zijn bij dit besluit en zal uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Dat wordt slechts anders wanneer er geen sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [5]
4.2.
Alleen het perceel van eiser 3 grenst aan het perceel waar het bouwplan op wordt gerealiseerd. De percelen van de andere eisers liggen echter binnen een straal van 100 meter van het perceel. Ook hebben deze eisers op de zitting voldoende toegelicht dat zij zicht hebben op de planlocatie. Bovendien is op voorhand niet uitgesloten dat eisers ruimtelijke gevolgen, met name van verkeer en parkeren, van het besluit kunnen ondervinden. Wanneer er twijfel mogelijk is over de vraag of een betrokkene gevolgen van enige betekenis zal ondervinden, moet die betrokkene het voordeel van de twijfel krijgen. [6] Daarom acht de rechtbank eisers allemaal ontvankelijk in hun beroep.
Het geschil
5. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan. [7] De strijd met het bestemmingsplan ziet op de kapvorm en het aanleggen van een dakterras. Voor parkeren is afgeweken van de toepasselijke beleidsregels. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Onder meer omdat er sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering, er meer woningen worden gebouwd dan volgens hen mogelijk is en zij parkeeroverlast vrezen.
Toetsingskader
6. Ten tijde van het bestreden besluit zijn op het perceel meerdere bestemmingsplannen van kracht die elkaar inhoudelijk aanvullen. Op grond van het bestemmingsplan ‘Rivierenwijk’ (het bestemmingsplan) rust op het perceel de enkelbestemming ‘gemengde doeleinden’ met de aanduidingen ‘maximaal 3 bouwlagen’ en ‘benzineverkooppunt’. De gronden zijn onder andere bestemd voor wonen, garagebedrijf en motorbrandstoffenverkoopunt zonder LPG, bedrijfscategorie 3. [8] Daarnaast is op het perceel het bestemmingsplan ‘Chw Bestemmingsplan Algemene regels Utrecht’ (het Chw-bestemmingsplan) van toepassing. Een vergunning voor het bouwen wordt op grond van de planregels van dit Chw-bestemmingsplan alleen verleend als vast staat dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. [9] Voor de uitleg van deze regel over parkeren heeft het college de ‘Beleidsregel parkeernormen auto 2021 gemeente Utrecht’ (de beleidsregels) vastgesteld. [10] Tot slot is op het perceel het facetbestemmingsplan ‘Woningsplitsing II – REGELS’ (het facetbestemmingsplan) van toepassing. Op grond van dit facetbestemmingsplan is aan artikel 6 vanPro het bestemmingsplan een zevende lid toegevoegd, op grond waarvan het niet is toegestaan om een bestaande woning te gebruiken en/of te verbouwen of vergroten ten behoeve van meer dan één zelfstandige woning. [11]
6.1.
Het college kan alleen gebruik maken van de aan hem gegeven bevoegdheden om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen, als de activiteit waarvoor hij de vergunning verleent niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. [12] Bij het nemen van de beslissing of hij wel of geen gebruik maakt van de aan hem gegeven bevoegdheid komt aan het college beleidsruimte toe, daarbij moet het college alle betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van verzoekers of het besluit dat het college heeft genomen om in dit geval wel gebruik te maken van zijn bevoegdheid in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Is sprake van een privaatrechtelijke belemmering?
7. Eiser 3 voert aan dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat. De vergunning is verleend voor het bouwen op de mandelige muren van onder andere eiser 3. Daarvoor is geen toestemming gegeven. Ook wordt aan de voorzijde van het pand op de begane grond de ‘overstek’ dichtgemaakt, waarmee wordt gebouwd op grond van de gemeente. Daardoor is de vergunning niet uitvoerbaar en is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
7.1.
Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, bestaat slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. [13] De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.
7.2.
In de wet is vastgelegd dat iedere mede-eigenaar tegen de mandelige scheidsmuur aan mag bouwen en daarin tot op de helft der dikte balken, ribben, ankers en andere werken aan mag brengen, mits hij aan de muur en aan de door de muur bevoegdelijk daarmee verbonden werken geen nadeel toebrengt. [14] Uit dit artikel leidt de rechtbank niet zonder meer af dat toestemming is vereist van de mede-eigenaar en daarom is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
7.3.
Over het bebouwen van een stukje gemeentegrond, dat zich bevindt onder het overstek aan de voorzijde van het pand, overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft op de zitting toegelicht dat het zich niet verzet tegen het dichtzetten van de al sinds 1933 bestaande situatie. Vastgesteld kan dan ook worden dat van een privaatrechtelijke belemmering geen sprake is. De beroepsgrond slaagt niet.
Worden er meer woningen gebouwd dan toegestaan?
8. Eisers 2 en 3 voeren aan dat er woningen worden toegevoegd ten koste van een bestaande woning. Dat is volgens eisers in strijd met artikel 5.2 in samenhang met artikel 12.3 van het Chw-bestemmingsplan en artikel 6, lid 7, van het bestemmingsplan.
8.1.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat de bestaande woning niet wordt gesplitst in meerdere woningen. Daar zien de door eisers aangeduide bepalingen op. De bestaande bovenwoning blijft hetzelfde. Met het bouwplan worden er alleen nieuwe woningen toegevoegd. Dat is niet in strijd met de desbetreffende bepalingen. De rechtbank kan dit standpunt van het college volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de vergunningvrije bouwdelen terecht buiten de aanvraag gelaten?
9. Eisers 2 en 3 hebben aangevoerd dat de vergunningvrije delen van het bouwplan (de slaapkamers op de begane grond) niet vergunningvrij zijn en ten onrechte niet zijn betrokken in de ruimtelijke afweging en de parkeerberekening.
9.1.
Op de zitting heeft vergunninghouder toegelicht - en de rechtbank stelt ook vast - dat de op de bouwtekening als vergunningvrij gewaarmerkte delen (de slaapkamers op de begane grond) vergunningvrij te realiseren zijn. Eisers hebben geen argumenten aangevoerd om hieraan te twijfelen. Deze delen in het bouwplan zijn bouwkundig en functioneel te onderscheiden van de vergunningplichtige bouwdelen. Gezien de bedoeling van de aanvrager om deze bouwdelen buiten de aanvraag te laten, kon het college deze dus buiten beschouwing laten bij het beoordelen van de aanvraag om omgevingsvergunning. [15] Dat betekent dat deze delen ook bij de ruimtelijke afweging en het berekenen van de parkeercapaciteit niet betrokken hoefde te worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wordt bij het bouwplan voorzien in voldoende parkeergelegenheid?
10. Eisers voeren aan dat het college de parkeernorm uit het Chw-bestemmingsplan niet juist heeft toegepast. Volgens eiser 3 is niet het juiste bruto vloeroppervlakte (BVO) gehanteerd en is uitgegaan van de verkeerde zone voor het toepassen van de beleidsregel parkeernormen. Volgens eiser 2 moet het bezoekersdeel niet worden betrokken bij het berekenen van de parkeereis. Volgens eiser 1 heeft het college het bezoekersdeel bij het berekenen juist ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Daarnaast hebben eisers 1 en 3 vragen over de deelautoplek.
10.1.
Op grond van het Chw bestemmingsplan kan een vergunning voor het bouwen alleen worden verleend, als vast staat dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Aan de hand van de beleidsregels, waarin de normen voor parkeergelegenheid zijn opgenomen, wordt dit vastgesteld. [16] De op deze aanvraag om omgevingsvergunning toepasselijke normen voor parkeergelegenheid zijn vastgelegd in de beleidsregels en de ‘Parkeernormentabellen, Bijlage bij de module Parkeernormen’ (de parkeernormtabellen). Uit de beleidsregels volgt dat bij een bouwontwikkeling alleen hoeft te worden voorzien in de extra parkeerbehoefte die deze veroorzaakt. Dit is de parkeereis. Bij nieuwbouw is de capaciteitseis de parkeereis. Bij sloop/nieuwbouw of een gebruikswijziging is de parkeereis de capaciteitseis van de nieuwe bouwontwikkeling minus de capaciteitseis van de bestaande bouw. [17] De beleidsregels staan toe dat bij bouwontwikkelingen tot 1.500 m2 wordt afgeweken van de parkeereis (en er dus minder autoparkeerplekken worden gerealiseerd). In het gebied dat is aangeduid als zone B1 behoeft bij de toepassing van deze afwijking het aandeel bezoek in het geheel niet te worden gerealiseerd. [18] Verder kan met deze afwijking in zone B1 een aandeel van 25% tot 50% van de parkeereis worden omgezet in deelauto’s. Hierbij geldt dat maximaal 4 autoparkeerplaatsen vervangen kunnen worden door 1 autodeelplek. [19]
10.2.
Het college heeft na de zitting een nieuwe parkeerberekening met motivering overgelegd en toegelicht waarom bij het bouwplan voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Het college is uitgegaan van de ligging van het bouwplan binnen het gebied dat is aangeduid als zone B1. [20] In de nieuwe berekening heeft het college op onderdelen gewijzigde bruto vloeroppervlaktes gehanteerd. Het college heeft de berekening als volgt toegelicht.
- Met het bouwplan worden in het te ontwikkelen appartementencomplex drie woningen gerealiseerd met een oppervlakte kleiner dan 55 m². De parkeernorm voor deze woningen bedraagt op grond van de parkeernormtabellen 0,43, waarvan het aandeel bezoek 0,2 bedraagt. [21] De norm voor dit type woning (na aftrek van 0,2 van het aandeel bezoek) is dus 0,23. Voor deze drie woningen moeten totaal (3 x 0,23 =) 0,69 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
- Met het bouwplan worden verder drie woningen met een oppervlakte tussen 55 en 80 m² gerealiseerd. De parkeernorm voor deze woningen bedraagt op grond van de parkeernormtabellen 0,89, waarvan het aandeel bezoek eveneens 0,2 bedraagt. [22] Na aftrek van het aandeel bezoek van 0,2 moeten er voor deze woningen dus (3 x 0,69 =) 2,07 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
- Voor de drie met het bouwplan te realiseren woningen met een oppervlakte tussen de 80 en 130 m² bedraagt de parkeernorm 0,92, met eveneens een aandeel van 0,2 voor bezoek. [23] Voor deze woningen moeten op grond van de norm (na aftrek van het aandeel bezoek) dus (3 x 0,72 =) 2,16 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Bij elkaar opgeteld bedraagt volgens het college de capaciteitseis van de nieuwe bouwontwikkeling (0,69 + 2,07 + 2,16 =) 4,92 parkeerplaatsen.
10.3.
In de berekening heeft het college vervolgens van het benodigde aantal parkeerplaatsen de capaciteitseis van de bestaande bouw afgetrokken. Deze capaciteitseis van de bestaande bouw heeft het college eveneens aan de hand van de parkeernormtabellen als volgt vastgesteld.
De bestaande garage heeft het college aangemerkt als een ‘arbeidsintensief bezoekersextensief bedrijf’. Hiervoor geldt op grond van de parkeernormtabellen in gebied B1 een norm van 0,6 per 100 m2 bruto vloeroppervlak, met een bezoekerdeel van 0,05. De oppervlakte van de garage heeft het college vastgesteld op 254 m2. Na aftrek van het bezoekersdeel (0,6-0,05=0,55) heeft het college de parkeereis van de garage vastgesteld op (0,55 x 254 =) 1.397.
Voor de bestaande woning (met een oppervlakte groter dan 130 m2) is het college uitgegaan van een norm van 0,81 (de norm van 1,01, minus het aandeel bezoek van 0,2).
Bij elkaar opgeteld bedraagt de capaciteitseis van de bestaande bouw volgens het college (1.397 + 0,81 =) 2,207.
10.4.
Door van de capaciteitseis van de nieuwe ontwikkeling (4,92) de capaciteitseis van de bestaande bouw (2,207) af te trekken, is het college op 2,713 benodigde parkeerplaatsen uitgekomen. Afgerond betekent dit dat voor het bouwplan drie nieuwe parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.
10.5.
Vervolgens heeft het college gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 7, eerste lid, onder c, van de beleidsregels op grond waarvan maximaal 50% van de parkeereis, tot een maximum van vier autoparkeerplaatsen, kan worden vervangen door één autodeelplek. Op basis van de door het college berekende parkeereis van drie parkeerplaatsen, kon daarvan maximaal 50% en dus anderhalve parkeerplaats worden vervangen door één autodeelplek. Per saldo is met de berekening van het college naast één autodeelplek, dus anderhalve parkeerplaats voor het bouwplan nodig. De verleende omgevingsvergunning voorziet in één autodeelplek en één nieuwe parkeerplaats. Er is dus sprake van een tekort van een halve parkeerplaats. Afgerond maakt dit een tekort van één parkeerplaats.
10.6.
De rechtbank overweegt dat het de nieuw gegeven berekening over de parkeerbehoefte en de motivering daarop van het college kan volgen voor zover het gaat om de ligging van het bouwplan in het gebied dat is aangeduid met zone B1, de gehanteerde bruto vloeroppervlakten en de daarbij behorende parkeernormen van de te realiseren woningen in de nieuwe situatie en de vloeroppervlakten en daarbij behorende parkeernormen van de garage en de woning uit de bestaande situatie. De rechtbank volgt het college echter niet in de wijze waarop in de berekening met het aandeel bezoek is omgegaan. In artikel 5, vijfde lid, van de beleidsregels is bepaald dat de capaciteitseis van de bestaande bouw zoveel mogelijk eerst in mindering wordt gebracht op het aantal bezoekersplekken en daarna pas op het resterende deel van de capaciteitseis van de nieuwe situatie. Deze regel heeft het college genegeerd. Door bij het vaststellen van de parkeereis voor de nieuwe en bestaande situatie het aandeel bezoek niet in de berekening te betrekken maar al direct buiten beschouwing te laten, heeft het college de door de beleidsregels voorgeschreven wijze van berekenen verkeerd toegepast.
10.7.
Op grond van artikel 7, eerste lid, onder a, van de beleidsregels kan van de parkeereis worden afgeweken en hoeven bezoekersplekken niet te worden gerealiseerd. Gelet op het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, van de beleidsregels is deze mogelijkheid tot afwijken alleen aan de orde in het geval er na de aftrek van de capaciteitseis van de bestaande bouw in het resterende deel van de capaciteitseis van de nieuwe bouwontwikkeling nog een aandeel van bezoekersplekken aanwezig is. Daarvan is alleen sprake als de capaciteitseis van de bestaande bouw kleiner is dan het aandeel bezoek uit de capaciteitseis van de nieuwe bouwontwikkeling. Dat is echter voor het onderhavige bouwplan niet het geval. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
10.8.
De rechtbank stelt vast dat met inbegrip van het aandeel bezoek, de capaciteits voor de nieuwe bouwontwikkeling 4,92 + 1,2 (aandeel bezoek) = 6,12 bedraagt. Met inbegrip van het aandeel bezoek bedraagt de capaciteitseis voor de bestaande bouw (voor de garage: 2,54 x 0,6 =) 1,524 + (voor de woning) 1,01 = 2,534. Door overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, lid 5, van de beleidsregels de capaciteitseis voor de bestaande bouw eerst in mindering te brengen op het bezoekersaandeel van 1,2 en daarna op het resterende deel van 4,92 van de capaciteitseis van de nieuwe bouwontwikkeling, leidt dit tot een parkeereis van 3,586. Het college is dus ten onrechte uitgegaan van een parkeereis van 2,713. Het betekent dat er afgerond geen drie maar vier extra parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden vanwege de nieuwe bouwontwikkeling.
10.9.
De conclusie uit het voorgaande is dat het beroep slaagt en het besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank zal dit in het navolgende verder toelichten.
10.10.
De rechtbank is van oordeel dat het college in zijn berekening wel toepassing heeft kunnen geven aan de afwijkingsmogelijkheid uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de beleidsregels door 50% van het aantal benodigde parkeerplaatsen (met een maximum van vier) om te zetten in één autodeelplek. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er vier extra parkeerplaatsen voor het bouwplan nodig zijn, kunnen hiervan dus twee parkeerplaatsen (50% van het benodigde aantal) met toepassing van de afwijkingsmogelijkheid vervangen worden door één autodeelplek. Dat betekent dat er naast één autodeelplek, twee parkeerplaatsen nodig zijn. De verleende omgevingsvergunning voorziet zoals al vermeld in de realisatie van één autodeelplek en één extra parkeerplaats. Daarmee is er dus sprake van een tekort van één parkeerplaats. Het college kwam in zijn berekening uit op een tekort van een halve parkeerplaats, wat afgerond ook neer komt op een tekort van één parkeerplaats. Hoewel het college een verkeerde berekeningsmethodiek heeft gebruikt, leidt dat in dit geval dus niet tot een ander resultaat. Ondanks dat er volgens de beleidsregels sprake is van een tekort van één parkeerplaats, heeft het college de omgevingsvergunning met het bestreden besluit in stand gelaten onder het standpunt dat toch voldaan wordt aan het vereiste uit het Chw-bestemmingsplan dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd.
10.11.
Na de heropening van het onderzoek heeft de rechtbank vragen aan het college gesteld over hoe het zich met dit tekort van één parkeerplaats op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Het college heeft op 15 augustus 2025 hierover een aanvullende reactie gegeven en heeft verduidelijkt dat met toepassing van artikel 4:84 vanPro de Awb van de beleidsregels is afgeweken.
10.12.
Op grond van artikel 4:84 vanPro de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het bestuursorgaan moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval nagaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat het handelen in overeenstemming met de beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. [24]
10.13.
In zijn aanvullende reactie heeft het college gemotiveerd dat het onevenredig is om voor een klein tekort van een halve parkeerplaats de vergunning voor het bouwplan te weigeren. Het college heeft meegewogen dat bij een grotere parkeerbehoefte een aantal tot maximaal vier parkeerplaatsen vervangen had kunnen worden door één autodeelplaats. Nu in dit geval de parkeereis met drie parkeerplaatsen al laag is, kan slechts het aandeel van 50% en dus anderhalve parkeerplaats vervangen worden een autodeelplek. Het college wijst er op dat een autodeelplek een effectief middel is om regulier autoparkeren te beperken, hetgeen bevestigd is in de rechtspraak. [25] Verder is aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat bewoners van de nieuwe woningen geen recht hebben op een parkeervergunning. Deze bewoners zullen dus geen structureel gebruik maken van parkeerplaatsen in de buurt. Met het verdwijnen van het garagebedrijf komen bovendien negen zakelijke parkeervergunningen in het rayon vrij, hetgeen een positief effect heeft op de parkeerdruk in de buurt.
10.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich met deze motivering op het standpunt kunnen stellen dat toepassing van de beleidsregels in dit concrete geval tot onevenredige gevolgen leidt, in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen. Gelet op de bijzondere omstandigheden zoals toegelicht kon het college zich op het standpunt stellen dat het bouwplan met één autodeelplek en één extra parkeerplaats, voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
Voldoet de deelauto aan de beleidsregels?
11. Eisers 1 en 3 hebben aangevoerd dat er voor wat betreft de deelauto niet wordt voldaan aan de realisatie eisen van artikel 12 vanPro de beleidsregels. Volgens eiser 1 is er voor een dergelijk besluit een verkeersbesluit nodig omdat voor de aanleg van de parkeerplaatsen de weg wordt gewijzigd en er een verkeersbord nodig is. Eiser 3 voert aan dat niet is voldaan aan de eis uit artikel 12, lid 2, van de beleidsregels omdat er een mobiliteitshub binnen 250 meter van het bouwplan ligt. Eiser 3 wijst hierbij naar andere deelautoplekken. Daarnaast wordt volgens eiser 3 niet voldaan aan artikel 12, lid 3, van de beleidsregels omdat er in het plan niet is voorzien in de aanleg van een elektriciteitsvoorziening.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat de vraag of er een verkeersbesluit nodig is voor de uiteindelijke uitvoering van de werkzaamheden en of de aanleg van een elektriciteitsvoorziening [26] vereist is, niet ter beoordeling voorligt. De rechtbank kan alleen een oordeel geven over de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. Er zijn geen argumenten aangevoerd waarom het aannemelijk is dat de benodigde voorzieningen niet aangelegd zouden kunnen worden.
11.2.
Met betrekking tot de mobiliteitshub oordeelt de rechtbank dat de beleidsregels bepalen dat een deelautoplek alleen mag worden gerealiseerd als er geen aangewezen mobiliteitshub aanwezig is binnen 250 meter. [27] Een mobiliteitshub is een ‘locatie buiten de openbare ruimte waar minimaal drie soorten deelvervoer worden aangeboden door commerciële aanbieders’. [28] Volgens het college is de dichtstbijzijnde mobiliteitshub gelegen bij Vaartsche Rijn. Deze locatie ligt op meer dan 250 meter afstand van het bouwplan. Dit is door eiser 3 niet weersproken. De locatie van de deelautoplek is dus niet in strijd met de beleidsregels. Deze gronden slagen niet.
Andere projecten in de buurt
12. Eiser 3 voert tot slot nog aan dat het college bij de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de andere projecten in de buurt. Dit is de ontwikkeling van de merwedekanaalzone (deelgebied 5) en de aanpak van het Ledig Erf en omgeving.
12.1.
Het college ziet in de door eiser 3 genoemde ontwikkelingen geen aanleiding om te oordelen dat voor wat betreft dit bouwplan geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De belangenafweging beperkt zich tot de punten waarop het bouwplan afwijkt van het bestemmingsplan. Daarbij wijst het college op de relatief beperkte aard van de afwijkingen van het bestemmingsplan en dat het bestemmingsplan het vestigen van meerdere appartementen op het perceel al toestaat. Gelet op de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en de -in verhouding- beperkte omvang van dit bouwplan in verhouding tot de door eiser 3 genoemde ontwikkelingen is het college van mening dat een goede ruimtelijke ordening blijft gewaarborgd. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Deze grond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepen zijn gegrond omdat het college een verkeerde toepassing heeft gegeven aan de beleidsregels. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluiten. De rechtbank ziet, zoals al toegelicht, reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.
13.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers 2 en 3 ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers 2 en 3 een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eisers hebben in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigden hebben een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend, aan de zitting van de rechtbank deelgenomen en tweemaal een schriftelijke zienswijze na inlichtingen ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.134,- per eiser. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 december 2023;
- bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser 1, eiser 2 en eiser 3 moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiser 2;
- veroordeelt het college tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiser 3.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.De rechtbank heeft dit gedaan op grond van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 4, aanhef en onderdelen 1, 4 en 9 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
3.Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2972.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2476.
7.Artikel 2.1, lid 1, onder a en c, van de Wabo. Het college heeft de vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2˚, van de Wabo in samenhang met artikel 4 aanhefPro en onderdelen 1, 4 en 9 van bijlage II bij het Bor.
8.Artikel 6.1 van de planregels van het bestemmingsplan.
9.Artikel 5.1 van de planregels van het Chw bestemmingsplan.
10.Op grond van artikel 5.1, lid 3, van de planregels van het Chw bestemmingsplan.
11.Artikel 6, lid 7, van de planregels van het bestemmingsplan.
12.Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1274.
14.Zie artikel 5:67 vanPro het Burgerlijk Wetboek.
15.Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:699.
16.Artikel 5.1 van de regels van het Chw bestemmingsplan.