ECLI:NL:RBMNE:2026:683

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
UTR 26/1663
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaald verzoek voorlopige voorziening tegen last verwijderen tent in openbare ruimte

Verzoeker verbleef met een tent in de openbare ruimte van Maarssen, waarvoor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht hem op 15 januari 2026 een last gaf om de tent te verwijderen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om schorsing van deze last, maar dit verzoek werd op 6 februari 2026 afgewezen. Na verwijdering van de tent op het eerste perceel, werd verzoeker op 13 februari 2026 opnieuw met een tent aangetroffen op een andere locatie in de openbare ruimte, waarop het college op 23 februari 2026 een tweede last gaf om de tent te verwijderen, met dreiging van bestuursdwang bij niet-naleving.

Verzoeker maakte ook tegen deze tweede last bezwaar en vroeg opnieuw om schorsing, welke op 26 februari 2026 werd afgewezen. Vervolgens diende verzoeker op 27 februari 2026 een herhaald verzoek om voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter oordeelt dat een herhaald verzoek alleen kan slagen indien nieuwe feiten of omstandigheden zijn die bij eerdere verzoeken niet bekend waren of zich na de eerdere uitspraken hebben voorgedaan.

De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een herhaald verzoek rechtvaardigen. Het feit dat verzoeker na de eerste zitting een alternatieve locatie heeft bezocht en deze ongeschikt vond, geldt niet als nieuw feit. De eerdere uitspraken staan in rechte vast en kunnen niet opnieuw worden beoordeeld in dit kader. Daarom wordt het herhaalde verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het herhaalde verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1663

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, (het college)
(gemachtigde: mr. S. Ralovic).

Inleiding

1. Verzoeker verblijft in een tent in de openbare ruimte van Maarssen. Eerst op het perceel ( [locatie] ) [nummer] , een klein stukje groen langs de westzijde van [straat] ter hoogte van de [locatie] . Volgens het college is dat niet toegestaan op dit perceel. Het college heeft verzoeker daarom op 15 januari 2026 (hierna: de eerste last) gelast om uiterlijk binnen één week zijn tent te verwijderen en verwijderd te houden. Verzoeker is het niet eens met dit besluit en heeft bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voozieningenrechter gevraagd om de last te schorsen tot dat het college een besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift (zaaknummer 26/308). Het verzoek is op 23 januari 2026 door de voorzieningenrechter op een zitting behandeld. Met de uitspraak van 6 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker afgewezen. [1]
2. Hierop heeft verzoeker zijn tent verwijderd van perceel ( [locatie] ) [nummer] . Daarmee heeft hij aan de last van 15 januari 2026 voldaan. Bij een controle op 13 februari 2026 hebben buitengewoon opsporingsambtenaren van het college echter geconstateerd dat verzoeker opnieuw in zijn tent verblijft in de openbare ruimte van Maarssen, maar ditmaal ter hoogte van de [straat] , nabij de woonwijk [naam] . Volgens het college is het nergens toegestaan om een tent te plaatsen en te gebruiken als woonverblijf in de openbare ruimte van Maarssen, specifiek op gronden met de bestemming ‘Bos’.
3. Met het besluit van 23 februari 2026 (hierna: de tweede last) heeft het college verzoeker daarom gelast om uiterlijk zaterdag 28 februari 2026 om 23:59 uur zijn tent en spullen op deze locatie te verwijderen en verwijderd te houden. Als verzoeker daar niet tijdig aan voldoet zal het college bestuursdwang toepassen en zelf overgaan tot het verwijderen van de tent en spullen van verzoeker. Ter voorkoming van herhaling is verzoeker hierin ook gelast om zijn tent en spullen te verwijderen uit de openbare ruimte binnen het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht. Als verzoeker daaraan niet voldoet zal het college onmiddellijk bestuursdwang toepassen, zo staat in het besluit.
4. Verzoeker is het ook niet eens met dit besluit en heeft bezwaar gemaakt. Ook ten aanzien van dit besluit heeft verzoeker de voozieningenrechter daarnaast gevraagd om de last te schorsen tot dat het college een besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift. Met de uitspraak van 26 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter ook dit verzoek afgewezen, ditmaal zonder het verzoek op een zitting te behandelen.
5. Bij e-mail van 27 februari 2026 heeft verzoeker nogmaals een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In de onderhavige uitspraak beslist de voorzieningenrechter over dát herhaalde verzoek.

Overwegingen

Het verzoek
6. Volgens verzoeker is de voorzieningenrechter die over de eerste last heeft geoordeeld, om verschillende redenen partijdig geweest. Volgens het college zouden er voldoende alternatieve verblijfslocaties voor verzoeker bestaan, ook rondom Maarssen, maar zou verzoeker niet willen meewerken. Daar is de voorzieningenrechter zomaar in meegegaan, terwijl verzoeker naar eigen zeggen juist welwillend is geweest, maar de alternatieven gewoonweg niet geschikt zijn. Na afloop van de zitting 23 januari 2026 heeft verzoeker die ongeschiktheid nader willen onderbouwen, maar dat heeft de voorzieningenrechter geweigerd. Verder zou deze voorzieningenrechter volgens verzoeker op de zitting hebben gezegd dat er hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) open staat tegen zijn uitspraak, hetgeen niet het geval blijkt te zijn. De klacht die verzoeker over deze voorzieningenrechter heeft ingediend bij de rechtbank, is ten onrechte afgewezen. Volgens verzoeker rest hem nu dan ook niets anders, dan opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.
7. Verzoeker voert daarnaast ten aanzien van de tweede last aan dat het onrechtvaardig is dat het college over gaat tot onmiddellijke bestuursdwang als hij met zijn tent en spullen elders in de openbare ruimte binnen het (gehele) grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wordt aangetroffen. De eerste last zag alleen op het betreffende perceel ( [locatie] ) [nummer] : het college heeft nooit eerder gezegd dat hij nergens in Maarssen zou mogen verblijven. Bovendien is dit ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een ander slechts een waarschuwing zou krijgen.
Beoordeling van het verzoek
8. Op grond van de artikelen 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
9. De uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure is in beginsel bedoeld om te gelden tot er een besluit is genomen op het bezwaar. Verzoeker heeft met de uitspraken van 6 februari 2026 en 26 februari 2026 een oordeel van een voorzieningenrechter gekregen over de eerste en tweede last, aan de hand van zijn bezwaren daartegen.
10. Een herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan dan slechts voor toewijzing in aanmerking komen als zich nieuwe feiten of omstandigheden voordoen die daar aanleiding voor geven. Het moet gaan om feiten of omstandigheden die verzoeker ten tijde van zijn vorige verzoeken niet bekend waren en hem redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, of om feiten of omstandigheden van ná de uitspraken op de vorige verzoeken van verzoeker, die een herhaald verzoek rechtvaardigen. [2]
11. De voorzieningenrechter ziet niet dat daar in geval van verzoeker sprake van is. Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheden genoemd van ná de uitspraken van 6 februari 2026 en 26 februari 2026. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die verzoeker ten tijde van zijn vorige verzoeken niet bekend waren en hem redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn. Dat verzoeker zelf pas na de zitting van 23 januari 2026 een van de door het college genoemde alternatieve locaties ( [locatie] in [plaats] ) heeft bezocht en tot de conclusie is gekomen dat dit geen geschikt alternatief zou zijn, kan niet als een dergelijk feit of omstandigheid gelden. De voorzieningenrechter wijst er tot slot op dat de uitspraken van 6 februari 2026 en 26 februari 2026 in rechte vast staan en dat daartegen geen rechtsmiddel openstaat. De voorzieningenrechter kan niet, ook niet impliciet, treden in de beoordeling van die uitspraken en de procesbeslissingen die de voorzieningenrechters in die procedures hebben genomen, over de boeg van een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening.
Conclusie
12. Omdat verzoeker zich niet beroept op nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven voor het treffen van een voorlopige voorziening, moet het herhaalde verzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 in het openbaar uitgesproken
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1624.