ECLI:NL:RBMNE:2026:678

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
UTR 24/4205
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 219 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid legesaanslag bij omgevingsvergunningaanvraag

Eiser heeft op 6 november 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van kozijnen en het plaatsen van een dakkapel. De gemeente Stichtse Vecht heeft de beslistermijn eenmaal met zes weken verlengd en de vergunning uiteindelijk op 27 februari 2024 verleend. Vervolgens is aan eiser een legesaanslag van €2.348,24 opgelegd voor de behandeling van de aanvraag, inclusief welstandsadvies en toetsingen.

Eiser maakte bezwaar tegen de legesaanslag en stelde dat de vergunning van rechtswege was verleend, waardoor hij geen leges verschuldigd zou zijn, en dat het bedrag exorbitant was. De bezwaarcommissie verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) valt vanwege het overgangsrecht, maar dat de vergunning niet van rechtswege is verleend omdat het college de beslistermijn overschreed en de Omgevingswet per 1 januari 2024 de mogelijkheid van een vergunning van rechtswege heeft afgeschaft zonder overgangsrecht. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de legesverordening rechtmatig is toegepast en het bedrag niet onredelijk of exorbitant is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de legesaanslag blijft in stand.

Uitkomst: De legesaanslag van €2.348,24 is terecht opgelegd en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4205

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder.

Samenvatting

1. In deze uitspraak gaat het om de vraag of de legesaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Eiser vindt om verschillende redenen dat de legesaanslag onterecht is en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de legesaanslag terecht aan eiser is opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de legesaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 6 november 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van enkele kozijnen en plaatsen van dakkapel op de locatie [adres] in [plaats] . Op 27 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht (het college) de beslistermijn verlengd met zes weken. Het college heeft op 27 februari 2024 de omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Op 20 maart 2024 is aan eiser een factuur gezonden voor de betaling van
€ 2.348,24 aan leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag, bestaande uit het welstandsadvies van MooiSticht, het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit kleine buitenplanse of tijdelijke afwijking.
2.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze factuur. Met de uitspraak op bezwaar van 13 mei 2024 (de bestreden uitspraak op bezwaar) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser is in beroep gegaan tegen de bestreden uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
Op 7 oktober 2025 heeft eiser gevraagd om een uitspraak zonder zitting. Verweerder heeft hiermee ingestemd. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, en heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en de Omgevingswet in werking is getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Grondslag van de legesaanslag
3.1.
Leges worden geheven door de gemeente in verband met vergunningaanvragen of andere gemeentelijke diensten. De heffingsambtenaar heeft de legesaanslag van € 2.348,24 gebaseerd op de ‘Verordening op de heffing en invordering van leges 2023’ (de legesverordening) die ten tijde van het opleggen van de legesaanslag van toepassing was. In deze verordening heeft de gemeenteraad - kort gezegd - geregeld voor welke diensten van de gemeente leges worden geheven en de tarieven voor die leges. Het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning is zo’n dienst waarvoor leges worden geheven. Als voor het verlenen van een omgevingsvergunning een binnenplanse afwijkingsprocedure moet worden gevolgd en een welstandsadvies nodig is, dan worden de leges verhoogd. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat de aanvraag in behandeling is genomen en toegelicht welke diverse toetsingen en beoordelingen van de aanvraag hebben plaatsgevonden.
3.2.
Eiser voert aan dat hij geen leges is verschuldigd, omdat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Hij wijst er daarbij op dat sinds 1 januari 2024 de Omgevingswet weliswaar van toepassing is, en een omgevingsvergunning van rechtswege niet meer kan worden verleend, maar dat zijn aanvraag van voor deze datum is waardoor deze wijziging niet van toepassing is. Eiser meent ook dat de hoogte van de legesaanslag exorbitant is en hij ziet het niet als zijn verplichting om deze te betalen.
3.3.
Op grond van de legesverordening geldt het uitgangspunt dat leges zijn verschuldigd voor het in behandeling nemen van een aanvraag. Daarbij is niet relevant of de omgevingsvergunning uiteindelijk van rechtswege is verleend of niet. De rechtbank merkt daar verder over op dat de omgevingsvergunning overigens niet van rechtswege is verleend. De rechtbank legt dit uit. Eiser heeft op 6 november 2023 een aanvraag ingediend. Het college moet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag op de aanvraag beslissen. [1] Het college kan binnen deze acht weken besluiten om de beslistermijn éénmaal met zes weken te verlengen. [2] Dit heeft het college gedaan met de brief van 27 december 2023. Uiterlijk op 12 februari 2024 had het college een besluit moeten nemen op de aanvraag van eiser. Het college heeft de omgevingsvergunning echter op 27 februari 2024 verleend. Desalniettemin is geen omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Met de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de mogelijkheid van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning vervallen. Hiervoor is geen overgangsrecht van toepassing. [3] Dit betekent dat vanaf 1 januari 2024 geen omgevingsvergunning van rechtswege meer kan ontstaan, ook niet als de aanvraag van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is. [4] De beroepsgrond slaagt niet.
3.4.
De rechtbank kan eiser evenmin erin volgen dat het bedrag aan leges exorbitant dan wel onredelijk is. Gemeenten kunnen zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. [5] De belastingrechter (= de rechtbank) mag hier niet over oordelen, tenzij de belasting leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing waarop de wetgever bij het aan de lokale overheden toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van belasting niet het oog kan hebben gehad. Verder is op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad geen rechtstreeks verband vereist tussen de hoogte van de geheven leges aan de ene kant en de omvang van de verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten aan de andere kant. [6] In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de leges niet zo onredelijk hoog is dat hij niet mocht worden opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de legesaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo.
2.Artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo.
3.Dit volgt uit artikel 4.3 aanhef en onder a van de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet houdt in dat als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag is ingediend, het oude recht van toepassing blijft, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
4.Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 december 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6749.
5.Zie artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet en het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1174.
6.Bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943.