ECLI:NL:RBMNE:2026:677

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/343
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 20, vijfde lid, TW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering toeslag wegens schending inlichtingenplicht afgewezen

Eiseres ontving sinds 2012 een toeslag op grond van de Toeslagenwet en een uitkering. Het UWV herzag de toeslag en vorderde terugbetaling omdat het inkomen van eiseres en haar partner sinds 2019 boven het sociaal minimum lag, terwijl eiseres hierover geen informatie verstrekte, waardoor zij de inlichtingenplicht schond.

Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de herziening en terugvordering. Zij voerde aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase, dat het vertrouwensbeginsel en rechtsverwerking van toepassing zijn, dat er dringende redenen zijn om niet terug te vorderen, en dat de zesmaandenjurisprudentie analoog moet worden toegepast.

De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende heeft voldaan aan het hoor- en wederhoorrecht, maar dat eiseres hierdoor niet is benadeeld en het gebrek wordt gepasseerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en rechtsverwerking faalt omdat eiseres geen toezeggingen aannemelijk heeft gemaakt. Dringende redenen zijn niet aanwezig, mede omdat het UWV al een groot deel van de terugvordering heeft kwijtgescholden en een betalingsregeling mogelijk is. De zesmaandenjurisprudentie is niet van toepassing bij schending van de inlichtingenplicht.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres, en bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van de toeslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/343

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. P. Salim en mr. F. Michael),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het herzien en terugvorderen van de toeslag die eiseres ontving op grond van de Toeslagenwet (TW). Het Uwv legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat uit onderzoek is gebleken dat de partner van eiseres meer is gaan verdienen. Hierdoor is het totale inkomen van eiseres en haar partner vanaf september 2019 hoger dan het sociaal minimum en heeft eiseres geen recht meer op een toeslag. Door geen informatie te verstrekken over het ontvangen inkomen van de partner van eiseres heeft zij de inlichtingenplicht geschonden. Het Uwv heeft de toeslag herzien. Eiseres moet de teveel ontvangen toeslag terugbetalen. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de toeslag terecht heeft herzien en teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering van de toeslag is voldaan. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres ontving sinds 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en een toeslag op grond van de TW. De partner van eiseres werkt sinds 2017. Het inkomen van eiseres en haar partner is sinds 2019 hoger dan het sociaal minimum. Het Uwv heeft met het besluit van 21 augustus 2024 de toeslag herzien en verlaagd. Met het besluit van 22 augustus 2024 heeft het Uwv beslist dat eiseres de teveel ontvangen toeslag over de periode 1 maart 2019 tot 1 maart 2022 moet terug betalen. Het gaat om een brutobedrag van € 14.578,19. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de twee besluiten.
2.1.
Met het bestreden besluit van 28 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het bezwaar ongegrond verklaard. Omdat eiseres gedupeerde van de problemen met de Kinderopvangtoeslag is, heeft het Uwv beslist dat eiseres alleen de teveel ontvangen toeslag over de periode 1 januari 2021 tot 1 maart 2022 moet terug betalen. Het gaat om een brutobedrag van € 5.924,21.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigden van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. Ook was de partner van eiseres aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

De hoorzitting in de bezwaarfase
3. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord op een hoorzitting in de bezwaarfase, terwijl eiseres in het bezwaarschrift en in haar brief van 13 november 2024 heeft aangegeven gehoord te willen worden.
3.1.
Het Uwv heeft op de zitting toegelicht dat per post en per e-mail een antwoordformulier aan de gemachtigde is toegezonden waarop kon worden aangegeven of eiseres gebruik wilde maken van haar recht om te worden gehoord. Ook heeft een medewerker van het Uwv twee keer gebeld naar het kantoor van de gemachtigde. Nadat de reactietermijn uit het antwoordformulier was verstreken, was het bestreden besluit aan de gemachtigde van eiseres toegezonden.
3.2.
De rechtbank vindt deze pogingen van het Uwv echter onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat eiseres geen gebruik wilde maken van het recht te worden gehoord. De rechtbank overweegt dat de ‘antwoordkaartmethode’ in principe niet meer kan worden toegepast als de belanghebbende in haar bezwaarschrift aangeeft gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. [1] Door bijkomende omstandigheden kan dat anders liggen, [2] maar de rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Twee keer bellen zonder eiseres of de gemachtigde daadwerkelijk te spreken, is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres alsnog heeft afgezien van recht om te worden gehoord. Het Uwv heeft eiseres daarom in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet gehoord. De rechtbank overweegt dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om in beroep haar standpunten naar voren te brengen en dat zij ook van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Eiseres heeft op de zitting ook aangegeven dat het alsnog laten plaatsvinden van een hoorzitting voor haar niet nodig is. De rechtbank vindt het daarom niet aannemelijk dat eiseres is benadeeld door het overslaan van een hoorzitting in de bezwaarfase. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro te passeren.
Vertrouwensbeginsel en rechtsverwerking
3.3.
Eiseres voert aan dat zij en haar partner meerdere keren telefonisch contact hebben gehad met het Uwv over het extra inkomen van haar partner. Volgens haar is door het Uwv toegezegd dat als haar echtgenoot zou gaan werken, dit geen consequenties zou hebben voor de toeslag van eiseres. Daarnaast doet eiseres een beroep op rechtsverwerking. Gelet op de duur van de periode waarin eiseres niets heeft vernomen en de inhoud van het contact met het UWV, had zij er redelijkerwijs op mogen vertrouwen dat het Uwv niet zou terugvorderen.
3.4.
De rechtbank overweegt dat de bewijslast voor een beroep op het vertrouwensbeginsel bij eiseres ligt. Eiseres heeft echter op de zitting aangegeven dat zij in bewijsnood verkeert omdat zij twijfelt aan de volledigheid van de door verweerder overlegde belnotities en zij afhankelijk is van de belnotities van het Uwv. Het enige dat hiertoe is aangevoerd is dat er een gat zit tussen de periode 2017 en 2020. Eiseres meent dat dit gat tussen 2017 en 2020 te groot is, om ervan uit te kunnen gaan dat geen contact is geweest tussen eiseres en het Uwv. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat er over enkele jaren geen belnotities zijn onvoldoende om aan te nemen dat de lijst van verweerder onvolledig is. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat zij in bewijsnood verkeert. Eiseres had immers ook zelf aantekeningen kunnen maken van haar gesprekken met medewerkers van het Uwv of (de inhoud van) deze gesprekken op een andere manier aannemelijk kunnen maken.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet omdat het gewekte vertrouwen niet aannemelijk is gemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het Uwv toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het Uwv in haar geval zou afzien van terugvordering. Uit de zich in het dossier bevindende belnotities tussen eiseres en het Uwv blijkt daarvan niet en eiseres heeft een dergelijke toezegging ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt. Omdat geen toezegging door eiseres aannemelijk is gemaakt, slaagt ook het beroep op rechtsverwerking niet. Enkel tijdsverloop is hiervoor niet voldoende. De beroepsgronden slagen niet.
Dringende redenen
3.6.
Eiseres stelt dat het Uwv van terugvordering had moeten afzien omdat er sprake is van dringende redenen. [3] Tijdens de zitting hebben de gemachtigden toegelicht dat eiseres en haar partner sinds 2012 gedupeerden zijn van de toeslagenaffaire. Sindsdien leven zij in de sfeer van terugvorderingen. De terugvordering in deze zaak zorgt voor een herbeleving van de oude situatie. Ook hebben eiseres en haar partner geen draagkracht om het bedrag van
€ 5.924,21 aan het Uwv terug te betalen. Daarnaast hebben eiseres en haar partner beide medische klachten.
3.7.
De rechtbank begrijpt de moeilijke situatie van eiseres en haar partner, maar ziet ook dat het Uwv hier al rekening mee heeft gehouden door een groot deel kwijt te schelden. Eiseres kan daarnaast gebruik kunnen maken van een betalingsregeling en krijgt bescherming door de beslagvrije voet, waardoor zij een bepaald minimumbedrag (maandelijks) moeten overhouden. Dit bedrag is bedoeld om ervoor te zorgen dat eiseres voldoende geldt heeft om in de basisbehoeften van het levensonderhoud te voorzien. De rechtbank merkt daarbij op dat de terugvordering is veroorzaakt door de eigen schending van de inlichtingenplicht door eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom geen aanleiding om dringende redenen aan te nemen om van terugvordering af te zien. De beroepsgrond slaagt niet.
Analoge toepassing zesmaandenjurisprudentie
3.8.
Op de zitting hebben de gemachtigden van eiseres een beroep gedaan op de analoge toepassing van de zesmaandenjurisprudentie in het kader van de Participatiewet. Voor een analoge toepassing van deze jurisprudentie is geen plaats als de inlichtingenplicht is geschonden, waarvan in dit geval sprake is. [4] De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor het Uwv tot herziening en terugvordering mocht overgaan. Omdat niet aannemelijk is dat eiseres is benadeeld door het overslaan van een hoorzitting in de bezwaarfase zal de rechtbank het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Dit betekent dat er weliswaar een gebrek is, maar het besluit wel klopt en daarom niet hoeft te worden vernietigd. Wel moet het Uwv vanwege het gebrek het griffierecht en de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep, 22 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:552.
2.Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1624.
3.Artikel 20, vijfde lid, van de TW.
4.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:258.