Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €350 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 16 november 2022. De sanctie werd gehandhaafd door de officier van justitie, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de verbalisant terecht afzag van staandehouding omdat de gedraging via camerabeelden was vastgesteld en er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De sanctie mocht daarom aan de kentekenhouder worden opgelegd. Betrokkene ontkende de gedraging, maar kon dit niet aannemelijk maken tegen het bewijs van het proces-verbaal.
Verder werd vastgesteld dat de hoorplicht was geschonden doordat professionele gemachtigden enkel schriftelijk werden gehoord, wat in de praktijk een structurele schending vormt. De kantonrechter volgde de jurisprudentie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en oordeelde dat compensatie noodzakelijk is. Ook werd de redelijke termijn overschreden, wat leidde tot matiging van de sanctie met 25%. De officier van justitie werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan betrokkene.