ECLI:NL:RBMNE:2026:4244

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
12194832 \ UE VERZ 26-162
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:241 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident bij ontbinding arbeidsovereenkomst statutair bestuurder met opzegverbod wegens ziekte

In deze zaak staat een bevoegdheidsincident centraal waarbij de vraag is welke rechter bevoegd is om te oordelen over het ontbindingsverzoek van een arbeidsovereenkomst van een statutair bestuurder. De verweerder, voormalig statutair bestuurder, was ziek gemeld voordat het vennootschapsrechtelijke ontslag plaatsvond. Hierdoor geldt een wettelijk opzegverbod.

De verweerder verzocht de kantonrechter zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam, omdat de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd met het vennootschapsrechtelijke ontslag. De verzoeker verweerde zich met verwijzing naar de arresten van 15 april 2005 van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat bij een opzegverbod de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege eindigt en het arbeidsrechtelijk geschil bij de kantonrechter thuishoort.

De kantonrechter oordeelde dat het opzegverbod bij ziekte de beëindiging van de arbeidsovereenkomst blokkeert, zodat ondanks het vennootschapsrechtelijke ontslag de arbeidsovereenkomst voortduurt. Hierdoor is de kantonrechter van Midden-Nederland bevoegd, omdat dit de woonplaats van de verweerder is. Het incidentele verzoek tot onbevoegdheid werd afgewezen en de beslissing over de proceskosten aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst het verzoek tot onbevoegdverklaring af.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12194832 \ UE VERZ 26-162
Beschikking in het incident van 3 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R.A. Moonen en mr. J. Jacobs,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. C.C. Oberman.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoeker] (door de kantonrechter ontvangen op 16 april 2026) met producties,
- het verweerschrift van [verweerder] met producties,
- het incidentele verzoek tot onbevoegdheid,
- de antwoordakte incidenteel verzoek tot onbevoegdheid.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Het incidentele verzoek en het verweer daarop

2.1
[verweerder] verzoekt de kantonrechter om zich onbevoegd te verklaren van de procedure in de hoofdzaak kennis te nemen en deze te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team handelszaken, voor verdere behandeling van het verzoekschrift, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van dit incident.
2.2
[verweerder] legt aan dat verzoek ten grondslag dat de verzoeken van [verzoeker] betrekking hebben op de (arbeids)overeenkomst tussen [verzoeker] als vennootschap en [verweerder] als bestuurder, als bedoeld in artikel 2:241 BW Pro.
2.3
[verweerder] stelt dat op grond van geldende jurisprudentie artikel 2:241 BW Pro van toepassing blijft, ook als de (arbeids)overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder is beëindigd. [1]
2.4
[verzoeker] heeft verweer gevoerd en verwijst voor haar verweer naar de zogenaamde 15 april arresten, die van een latere datum zijn dan de door [verweerder] aangehaalde rechtspraak. [2] In die arresten heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk een uitzondering aanvaard voor het geval een opzegverbod aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. In dat geval eindigt de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege bij het vennootschapsrechtelijke ontslag van de statutair bestuurder en is materieel geen sprake meer van een geschil betreffende de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder, maar van een zelfstandig voortgezette arbeidsovereenkomst waarop het arbeidsrecht van toepassing is. In dat geval is dan ook de kantonrechter bevoegd, en op grond van de bevoegdheidsregels voor arbeidszaken is dat de rechtbank van de woonplaats van verweerder, in dit geval Midden-Nederland.

3.De beoordeling

3.1
Artikel 2:241 BW Pro bepaalt dat de rechtbank in het arrondissement waar de vennootschap haar statutaire zetel heeft,
in beginselexclusief bevoegd is om te oordelen over vorderingen die voortvloeien uit de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder.
3.2
Het uitgangspunt bij het ontslag van een statutair bestuurder is dat het (vennootschapsrechtelijke) ontslagbesluit óók een einde maakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Hierop is in de jurisprudentie nadrukkelijk echter een uitzondering gemaakt voor de situatie dat sprake is van een wettelijk ontslagverbod. [3] Het bestaan van een ontslagverbod maakt dat de vennootschapsrechtelijke ontslag wel doorgaat, er is geen sprake meer van statutair bestuurderschap, maar het arbeidsrechtelijke deel niet, omdat het wettelijke ontslagverbod de beëindiging van het arbeidsrechtelijke deel blokkeert, met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst wel doorloopt.
3.3
In dit geval heeft de ziekmelding van [verweerder] plaatsgevonden op 29 december 2025, dat wil zeggen voor het vennootschapsrechtelijke ontslag en ook voor de oproeping van de vergadering waar dat ontslagbesluit heeft plaatsgevonden. Omdat [verweerder] al arbeidsongeschikt was toen hij als statutair bestuurder werd ontslagen, was sprake van een opzegverbod en kon – ondanks het ontslag als statutair bestuurder - de arbeidsovereenkomst niet zonder meer worden beëindigd.
3.4
Het ontbindingsverzoek van [verzoeker] is daarom alleen nog gebaseerd op een arbeidsovereenkomst, zonder dat nog langer sprake is van statutair bestuurderschap. In dat geval ligt de absolute bevoegdheid om kennis te nemen van dat verzoek bij de kantonrechter. De relatieve bevoegdheid ligt bij de kantonrechter van de rechtbank van de woonplaats van verweerder, in dit geval Midden-Nederland. [verzoeker] heeft haar verzoek daarom op de juiste wijze ingediend.
3.5
Dat betekent dat [verzoeker] in het gelijk wordt gesteld en het verzoek wordt afgewezen.
3.6
De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot zal zijn beslist in de hoofdzaak.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
wijst het incidentele verzoek af;
4.2
houdt de beslissing over de proceskosten aan, totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. C.J.M. Hendriks op 3 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 17 november 1009, NJ 1996/142 (Atlantic Nominees/Van den Elshout)
2.HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2713 (Ciris/Bartelink), HR 15 april 2005, ECLI 2005:AS2030 (Eggenhuizen/Unidek) en HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2032 (Euromedica/Merck)
3.HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005, AS2030 (Eggenhuizen/Unidek), r.o. 3.4.3 en HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005, AS2713 (Ciris/Bartelink), r.o. 3.5.3