ECLI:NL:RBMNE:2026:4021

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6596
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4.1, tweede lid, Wet hersteloperatie toeslagenArtikel 3:2 Algemene wet bestuursrechtArtikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrechtArtikel 6:39 Burgerlijk WetboekArtikel 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overname private schulden gedupeerde kinderopvangtoeslagenaffaire op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire, verzocht de Minister om overname van haar private schulden op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Minister wees de overname van twee schulden af, waarop eiseres beroep instelde.

De rechtbank beoordeelde per schuld of deze voldeed aan de wettelijke vereisten, zoals ontstaan na 31 december 2005, opeisbaarheid vóór 1 juni 2021 en het niet voldoen op het moment van aanvraag. Twee schulden voldeden niet aan deze criteria: één schuld kon niet worden aangetoond en een andere was niet opeisbaar vóór 1 juni 2021.

De derde schuld, een vordering van een sportschool, werd wel als opeisbaar en voldoende onderbouwd beoordeeld. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover deze schuld niet werd overgenomen en bepaalde dat de Minister deze schuld moet overnemen.

Eiseres voerde ook aan dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, maar de rechtbank oordeelde dat zij dit niet mag toetsen aan de wet zelf en dat bijzondere omstandigheden niet zodanig waren dat de toepassing van de wet moest worden achterwege gelaten.

De Minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat de Minister één schuld van eiseres moet overnemen en wijst het beroep deels toe.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6596

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren),
en

de Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] )

Samenvatting

Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en heeft de Minister verzocht om haar private schulden over te nemen op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Minister heeft de overname van de schulden gedeeltelijk geweigerd. Daartegen is het beroep van eiseres gericht.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de schulden van eiseres niet voldoen aan de vereisten in de Wet hersteloperatie toeslagen voor overname op één na die alsnog door de Minister moet worden overgenomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

1. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hiervoor heeft zij compensatie gekregen in het kader van de Catshuisregeling. In dit kader heeft eiseres een schuldenlijst toegezonden aan Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om overname van diverse private schulden.
2. Op 29 januari 2025 (het primaire besluit) heeft SBN de overname van de schulden gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is het primaire besluit herroepen, voor zover twee schulden op de schuldenlijst niet zijn overgenomen. De overige schulden op de schuldenlijst zijn ongewijzigd beschikt met code 11. Die code houdt in dat de schuld (nog) niet wordt afbetaald, omdat de schuldeiser nog niet (volledig) heeft gereageerd.
3. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is uitsluitend gericht tegen het niet overnemen van schulden aan [schuldeiser 1] , [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] (een sportschool). De Minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. Het beroep is op 8 mei 2026 met behulp van een beeldverbinding op een hybride zitting door de rechtbank behandeld. Eiseres en haar gemachtigde hebben digitaal via Teams deelgenomen. De Minister heeft zich fysiek laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Wet hersteloperatie toeslagen
5. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking voor overname van private schulden die voldoen aan de vereisten van de Wht. De regeling met betrekking tot het overnemen van private schulden is verduidelijkt in de Memorie van Toelichting [1] en de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [2] Hieruit blijkt dat de regeling onderdeel is van de zogenoemde schuldenaanpak die is opgezet om gedupeerde ouders met schulden die zijn ontstaan of verergerd door de toeslagenproblematiek te helpen bij het maken van een nieuwe start. Het maakt niet uit of het ontstaan of verergeren van de private schulden waarvan om overname wordt verzocht is te herleiden tot de terugvordering van kinderopvangtoeslag. Schuldovername houdt in dat de private schulden van een gedupeerde ouder of diens toeslagpartner overgaan op de overheid.
6. Om in aanmerking te komen voor overname van private schulden dient de gedupeerde ouder zelf een aanvraag in te dienen. Hierbij is het de verantwoordelijkheid van de ouder om de benodigde gegevens te verstrekken. [3] Het overnemen van private schulden wordt uitgevoerd door SBN, namens de Minister. Op grond van de Wht neemt SBN een schuld over als deze is ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan. [4]
Omvang van het beroep
7. Eiseres doet een beroep op het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel. Omdat de beoordeling van het beroep een onderzoek naar de feiten vergt, zal de rechtbank hierna per schuld beoordelen of deze aan de vereisten in de Wht voor overname voldoet. De rechtbank zal dus niet op elk beginsel van behoorlijk bestuur separaat ingaan. Tot slot beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel, omdat eiseres daarom op de zitting expliciet heeft verzocht.
De schuld aan [schuldeiser 1]
8. De rechtbank is van oordeel dat deze schuld niet voldoet aan de vereisten in de Wht voor overname, omdat eiseres het bestaan van de schuld niet aannemelijk heeft gemaakt. Omdat [schuldeiser 1] het account van eiseres niet kon vinden in de systemen en eiseres geen klant- of factuurnummer heeft overgelegd, is de rechtbank met de Minister niet gebleken dat sprake is van een schuld die niet was voldaan op het moment van de aanvraag. De schuld, voor zover die al bestaat, komt dus niet voor overname in aanmerking. In zoverre slaagt het beroep niet.
De schulden aan [schuldeiser 2]
9. De rechtbank is van oordeel dat de Minister de overname van schulden aan [schuldeiser 2] mocht afwijzen, omdat de factuurnummers dateren van na 1 juni 2021, waardoor de schulden niet opeisbaar zijn in de zin van de Wht. Het standpunt van eiseres dat de schulden mogelijk eerder zijn ontstaan op basis van een contractuele betalingsverplichting is niet door eiseres onderbouwd en volgt de rechtbank dan ook niet. Het begrip opeisbaarheid uit de Wht moet worden uitgelegd naar het civiele recht en dat bepaalt dat een vordering opeisbaar is vanaf het moment waarop de schuldeiser daarvan nakoming kan vorderen. Het Burgerlijk Wetboek schrijft in artikel 6:39 voor Pro dat een vordering opeisbaar is als een daartoe afgesproken termijn verstrijkt. [5] Omdat de facturen dateren van na 1 juni 2021, en daarin normaliter een betalingstermijn wordt opgenomen, is geen sprake van opeisbare schulden als bedoeld in de Wht. De schulden aan [schuldeiser 2] komen dus niet voor overname in aanmerking. Ook op dit onderdeel slaagt het beroep niet.
De schulden aan [schuldeiser 3]
10. [schuldeiser 3] heeft aan SBN doorgegeven dat de vordering € 1.003,20,- bedraagt, inclusief rente en extra kosten. De Minister heeft deze schuld niet overgenomen, omdat de opbouw van de hoofdsom van € 1.003,20,- niet verklaarbaar zou zijn op basis van de contractuele verplichtingen en de schuldeiser geen specificatie van de opbouw van de schuld heeft overgelegd. Eiseres voert aan de contracten, herinneringsbrieven en de door de schuldeiser opgegeven bedragen voldoende basis bieden om de schuld te kunnen beoordelen. De Wht stelt volgens eiseres niet de eis dat vast moet komen te staan hoe de hoofdsom is opgebouwd.
11. Alhoewel de Wht niet de eis stelt dat de opbouw van de hoofdsom gespecificeerd moet zijn, gelden onverkort de eisen in artikel 4.2, tweede lid, van de Wht en rust op de Minister de verplichting om kennis te vergaren over de relevante feiten. [6] De rechtbank stelt vast dat op basis van de contractuele afspraken de hoofdsom logischerwijs € 981,-. bedraagt. Dat is € 22,20,- minder dan de door de schuldeiser opgegeven hoofdsom van € 1.003,20,-. Gelet op dit minimale verschil, en met inachtneming van de ingrijpende gevolgen van de toeslagenaffaire voor eiseres, en omdat de vordering evident opeisbaar was voor 1 juni 2021, bepaalt de rechtbank dat de Minister de schuld van eiseres aan [schuldeiser 3] van
€ 1.003,20 alsnog moet overnemen. Op dit punt slaagt het beroep.
Is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
12. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres voert aan dat het afwijzen van relatief geringe schulden op basis van administratieve onvolkomenheden buitenproportioneel is. De nadelige gevolgen van de afwijzing staan voor eiseres niet in verhouding tot de met de besluitvorming te dienen doelen, aldus eiseres.
13. De rechtbank mag toepassing van artikel 4.1 van de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel toetsen. In artikel 120 van Pro de Grondwet is namelijk bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. In de rechtspraak is nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin, zoals de Wht, niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Uit deze rechtspraak volgt ook dat aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [7] De rechtbank is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in het geval van eiseres niet voordoen.
14. Het vereiste in de Wht van opeisbaarheid voor 1 juni 2021 is een bewuste keuze van de wetgever geweest. Uit de memorie van toelichting van de Wht blijkt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. Alleen op 1 juni 2021 openstaande betalingsachterstanden op geldschulden worden overgenomen, niet de toekomstige termijnen. Het is namelijk niet het doel om ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. [8] Ook is het een bewuste keuze van de wetgever geweest om alleen openstaande schulden over te nemen. [9] De rechtbank is daarmee van oordeel dat de bijzondere omstandigheden waar eiseres zich op beroept, voldoende zijn verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever. De rechtbank komt aan een evenredigheidstoetsing van artikel 4.1 van de Wht dan ook niet toe. De rechtbank is ook niet gebleken van ernstige nadelige gevolgen voor eiseres, omdat zoals eiseres zelf stelt, het om relatief geringe bedragen gaat die niet zijn overgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is gedeeltelijk in strijd met artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Omdat aan alle voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht wordt voldaan ten aanzien van de schuld aan [schuldeiser 3] , zal de rechtbank met het oog op finale geschilbeslechting zelf in de zaak voorzien. [10]
16. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, voor zover in die besluiten door de Minister is beslist om de schuld van eiseres aan [schuldeiser 3] niet over te nemen. De rechtbank bepaalt dat de Minister de schuld van
€ 1.003,20,- van eiseres aan [schuldeiser 3] moet overnemen. De Minister hoeft geen nieuw besluit te nemen. De Minister moet alleen feitelijk uitvoering aan deze uitspraak geven.
17. Omdat het beroep gegrond is moet de Minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De Minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat de schuld van eiseres aan [schuldeiser 3] niet wordt overgenomen;
  • herroept het primaire besluit voor zover daarin is beslist dat de schuld aan [schuldeiser 3] niet wordt overgenomen;
  • bepaalt dat de Minister de schuld van eiseres aan [schuldeiser 3] van € 1.003,20,- overneemt en dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de Minister het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de Minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 en van 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:630.
3.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 oktober 2025, ECLI:RBMNE:2025:6306.
4.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
5.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 september 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5550.
6.Artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.Uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772
10.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.