ECLI:NL:RBMNE:2026:4008

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
12052785 \ UE VERZ 26-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • J.G. Ommeren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:130 BWArt. 2:15 BWArt. 2:8 BWArt. 5:121 BWArtikel 1 aanhef en sub d splitsingsreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

VvE mag weigeren toestemming voor doorbreken dragende muur ondanks bouwvergunning

De zaak betreft een geschil tussen appartementseigenaren en hun Vereniging van Eigenaren (VvE) over het doorbreken van een dragende muur in het appartement. De VvE heeft op 6 januari 2026 unaniem besloten geen toestemming te verlenen voor deze verbouwing, terwijl de gemeente Utrecht wel een omgevingsvergunning heeft afgegeven.

De appartementseigenaren hebben de kantonrechter verzocht het besluit van de VvE te vernietigen of nietig te verklaren en hen vervangende machtiging te verlenen. De rechtbank oordeelt dat de VvE bevoegd is om toestemming te weigeren voor wijzigingen die de constructie van het gebouw raken, omdat de dragende muur als gemeenschappelijk gedeelte wordt aangemerkt volgens het splitsingsreglement.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van de VvE rechtsgeldig tot stand is gekomen, dat de oproepingsvereisten zijn nageleefd en dat het besluit niet in strijd is met wet, statuten of redelijkheid en billijkheid. De belangenafweging van de VvE, waarbij de veiligheid en stabiliteit van het gebouw prevaleert boven individuele woonwensen, is redelijk. De gevraagde vervangende machtiging wordt daarom afgewezen.

Ten slotte worden de appartementseigenaren veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door kantonrechter J.G. Ommeren op 26 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek af en bevestigt dat de VvE terecht toestemming heeft geweigerd voor het doorbreken van de dragende muur.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12052785 \ UE VERZ 26-17
Beschikking van 26 juni 2026
in de zaak van

1.[verzoeker sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[verzoeker sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] ,
gemachtigde: mr. C. Koot,
tegen
de vereniging van eigenaren
VERENIGING VAN EIGENAREN [verweerder],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. M.B. van Munster,
met vermelding dat de personen op de door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] overgelegde lijst van stemgerechtigden, als belanghebbenden zijn aangemerkt. [1]

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ontvangen op 9 januari 2026;
- aanvullende productie 9 bij het verzoekschrift, ontvangen op 15 mei 2026;
- het verweerschrift, ontvangen op 21 mei 2026.
1.2
Op 29 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en belanghebbenden hebben hun standpunten toegelicht en de griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen besproken is.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraakdatum bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1
Op 6 januari 2026 heeft de algemene ledenvergadering van de VvE aan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] toestemming geweigerd om een dragende muur (deels) te doorbreken in hun appartement. De gemeente Utrecht daarentegen heeft wél een omgevingsvergunning verleend voor de doorbraak van de muur. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] vragen aan de kantonrechter om het weigeringsbesluit van de VvE te vernietigen of nietig te verklaren en hen vervangende machtiging te verlenen om de doorbraak te realiseren. De kantonrechter oordeelt dat toestemming van de VvE voor verbouwingen die de constructie van het pand wijzigen noodzakelijk is en dat de VvE in redelijkheid haar toestemming mocht onthouden. De kantonrechter wijst daarom het verzoek van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] af.

3.De beoordeling

Het verzoek is tijdig ingediend
3.1
Het verzoek is op 9 januari 2026 ingediend, binnen één maand na de vergadering op 6 januari 2026. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek. [2]
Het besluit van de VvE is rechtsgeldig genomen
3.2
De kantonrechter volgt [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] niet in hun stelling dat het besluit van de VvE nietig is. Van strijdigheid van het besluit met de wet, statuten en/of de akte van splitsing is immers niet gebleken. Op de mondelinge behandeling heeft de VvE de gang van zaken van het stemmen nader toegelicht. Bij de eerste vergadering op 9 december 2025 waren er onvoldoende stemgerechtigden aanwezig of vertegenwoordigd. De besluiten van de eerste vergadering zijn op de tweede vergadering op 6 januari 2026 formeel bekrachtigd. [3] De stemgerechtigden hebben met algemene stemmen (dus unaniem) gestemd tegen het verzoek van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] .
Het besluit van de VvE is niet vernietigbaar
3.3.
Er is voldaan aan de oproepingsvereisten zoals genoemd in de splitsingsakte, [4] zodat het besluit niet vernietigbaar is. De VvE heeft namelijk de stemgerechtigden voor de tweede vergadering opgeroepen door – in dit geval – het sturen van een e-mailbericht met de vermelding van de datum van de vergadering (6 januari 2026) en een opgave van de te behandelen punten. In de agenda, gevoegd bij de oproeping, stond weliswaar een onjuiste datum (9 januari 2026) vermeld, maar dat is niet zo verwarrend dat [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] daardoor in hun belangen zouden zijn geschaad.
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] moesten toestemming aan de VvE vragen
3.3
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben betoogd dat zij geen toestemming van de vergadering van eigenaars voor het doorbreken van de muur nodig hebben (hoewel zij wél toestemming hebben gevraagd). De kantonrechter volgt hen niet in die stelling.
3.4
Op grond van artikel 1 aanhef Pro en sub d van het splitsingsreglement zijn de gedeelten van het gebouw “welke niet voor afzonderlijk gebruik bestemd zijn” aan te merken als gemeenschappelijk gedeelte. Het gaat hier om een muur die niet alleen volledig binnen het appartement van verzoekers valt, maar die tegelijk ook onderdeel uitmaakt van de (bouwkundige) constructie van het gebouw. Het doorbreken van die muur betreft daarmee dus niet alleen het aanbrengen van een verandering in hun privégedeelte waarvan zij het uitsluitend gebruiksrecht hebben, maar ook een wijziging aan de (bouwkundige) constructie van het gebouw. Daarmee komt die muur, vanwege de constructieve functie daarvan, onder het bereik van de definitie van “gemeenschappelijk gedeelte” in artikel 1 aanhef Pro en sub d van het splitsingsreglement.
3.5
Artikel 2 lid 4 van Pro het splitsingsreglement geeft eigenaren de bevoegdheid in hun flat te slopen, mits geen vitale delen worden aangetast of schade wordt toegebracht aan gemeenschappelijke gedeelten. Artikel 8 lid 2 van Pro het splitsingsreglement is geen uitzondering op de in artikel 2 lid 4 neergelegde Pro bevoegdheid, omdat die in artikel 2 lid 4 al Pro wordt beperkt onder meer daar waar het gemeenschappelijke gedeelten betreft. Een beslissing over de instandhouding van de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw, waaronder dus de draagmuur, moet daarom worden overgelaten aan de vergadering van eigenaars.
3.6.
Dat de afdeling Vergunningen van de Gemeente Utrecht een omgevingsvergunning aan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] heeft afgegeven, houdt niet in dat zij geen toestemming van de VvE meer nodig hebben. Dat dat zo is, staat ook in de omgevingsvergunning zelf:
“Naast deze omgevingsvergunning kan het zijn dat u andere toestemmingen nodig hebt (…). Als dat zo is, dan moet u daar zelf voor zorgen.”Verder blijkt ook uit jurisprudentie dat een verleende omgevingsvergunning een appartementseigenaar niet ontslaat van de verplichting om toestemming te vragen aan de VvE bij bouwplannen die invloed (kunnen) hebben op de constructie van het gebouw. [5] Het beroep van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] op de uitspraak van de voorzieningenrechter van Amsterdam [6] mist doel. In die procedure was gebleken dat het ging om (al verrichtte) aanpassingen in niet dragende muren. Vanwege die constatering stond het feitelijk vast dat de hechtheid van het pand niet in gevaar zou komen.
Het besluit van de VvE is redelijk
3.6
Op grond van artikel 5:130 jo Pro. artikel 2:15 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is een besluit vernietigbaar, indien het strijdig is met de wettelijke bepalingen die de bevoegdheid van de vergadering van eigenaars en de wijze van totstandkoming van besluiten regelen, dan wel in strijd is met het huishoudelijk reglement of met de redelijkheid en billijkheid. Hier gaat het, gelet op het standpunt van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] , om een beroep op de laatste categorie. Bij toetsing van een besluit aan redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW Pro wordt geëist, gaat het om een marginale toetsing van het besluit door de rechter. Voor vernietiging van een besluit is alleen maar plaats indien de vergadering van eigenaars in redelijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen en de vergadering de gevraagde toestemming zonder redelijke grond heeft geweigerd.
3.7
De kantonrechter is van oordeel dat de vergadering van eigenaars in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. De vereniging heeft een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het belang van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] om hun woonwensen in hun appartement te realiseren en anderzijds het belang van de hele VvE om een veilige en stabiele constructie van het pand te behouden. Op de algemene ledenvergadering zijn zorgen geuit dat de draagkrachtberekening van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] uitsluitend ziet op het betreffende appartement en niet op de draagstructuur van het gehele gebouw van tien verdiepingen. Evenmin zijn de cumulatieve effecten van toekomstige vergelijkbare muurdoorbraken in de berekening opgenomen. Dat zijn legitieme bezwaren van de VvE en ook bezwaren die zien op een belang waarover de VvE heeft te waken. Dat het besluit, na afweging van de betrokken belangen, in het nadeel van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] is uitgevallen, betekent niet dat de vergadering niet in redelijkheid tot dat besluit had kunnen komen. De kantonrechter zal daarom het verzoek van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] afwijzen.
3.8
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat bij het verweerschrift berichten van vier bouwdeskundigen zijn overgelegd, die (kort gezegd) eerst aanvullend constructief onderzoek van het hele pand aanbevelen om de consequenties en risico’s voldoende te kunnen beoordelen.
Een vervangende machtiging wordt niet verleend
3.9
Indien een appartementseigenaar voor een bepaalde (feitelijke of rechts)handeling de medewerking of toestemming nodig heeft van een of meer andere appartementseigenaars of van (een orgaan van) de vereniging van eigenaars, en die medewerking of toestemming wordt geweigerd kan deze worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter. [7] De machtiging kan worden verleend, indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd of degene die haar moet geven zich niet verklaart. Het artikel is te beschouwen als een bijzondere uitwerking van het beginsel dat de verhouding tussen mede-eigenaars wordt beheerst door redelijkheid en billijkheid. [8] Het gaat daarom om een afweging van de belangen.
3.1
Uit het hiervoor gegeven oordeel dat de VvE niet heeft gehandeld in strijd met de binnen de VvE in acht te nemen redelijkheid en billijkheid door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] geen toestemming te geven om een dragende muur tussen twee kamers in hun appartement te doorbreken. Daaruit volgt logischerwijs ook dat met redelijke grond de toestemming is geweigerd. De gevraagde vervangende machtiging wordt daarom afgewezen.
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] moeten de proceskosten betalen
3.11
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op € 576,00 (2 punten à € 288,00) en € 144,00 aan nakosten.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
wijst de verzoeken van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] af;
4.2
veroordeelt [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en de beschikking wordt daarna betekend, dan moeten zij ook de kosten van betekening betalen;
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Ommeren en in het openbaar uitgesproken op
26 juni 2026.
1466

Voetnoten

1.Deze lijst is als bijlage bij dit vonnis gevoegd.
2.Artikel 5:130 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.In overeenstemming met artikel 25 lid 4 van Pro de akte van splitsing.
4.Artikel 21 van Pro de akte van de splitsing.
5.Rechtbank Rotterdam 13 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11370 en Gerechtshof
6.Rechtbank Amsterdam 31 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1763.
7.Artikel 5:121 lid 1 BW Pro.
8.Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8783.