ECLI:NL:RBMNE:2026:3998

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6078
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op overname private schuld in kader Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres, een gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagenaffaire, verzocht de minister om overname van vier private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister nam slechts één schuld over en wees de schuld bij ABN AMRO Bank N.V. van €43.458,40 af omdat deze niet voldeed aan de voorwaarde dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar moest zijn.

Eiseres betwistte dit en stelde dat de schuld wel degelijk binnen de referteperiode opeisbaar was, onderbouwd met correspondentie van de bank over betalingsachterstanden en BKR-registraties. De rechtbank oordeelde echter dat de bank nooit vóór 1 juni 2021 het volledige bedrag had opgeëist, zoals vereist volgens de kredietvoorwaarden, en dat daarmee geen opeisbare schuld bestond in die periode.

Verder voerde eiseres aan dat zij ongelijk werd behandeld ten opzichte van andere gedupeerden en dat het besluit onevenredig zwaar was. De rechtbank verwierp deze gronden wegens gebrek aan concrete vergelijkingsgevallen en omdat de wetgever bewust heeft gekozen voor de opeisbaarheidsvoorwaarde. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat eiseres onvoldoende inzicht gaf in haar actuele financiële situatie om een schrijnende situatie aan te tonen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af en bevestigde dat alleen schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren, voor overname in aanmerking komen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was en het beroep op de hardheidsclausule onvoldoende is onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6078

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M. Kartal),
en

De Minister van Financiën, de minister,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het overnemen en betalen van private schulden in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor de fouten. Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid de private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen.

Procesverloop

1.1
Eiseres heeft in 2024 een aanvraag ingediend voor het overnemen van vier openstaande schulden. De uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland heeft deze aanvraag namens de minister met het besluit van 24 april 2025 gedeeltelijk afgewezen door twee van de vier aangemelde schulden niet over te nemen. Met het bestreden besluit van 10 september 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de minister zijn besluit gedeeltelijk herroepen en daarbij nog één schuld overgenomen en één schuld afgewezen.
1.2
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres via de telefoon, mr. E. Cakmak, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de minister en haar collega mr. [gemachtigde 2] .

Het bestreden besluit

2. De minister neemt de openstaande schuld aan ABN AMRO Bank N.V. van € 43.458,40 niet over, omdat deze schuld niet voldoet aan de in de Wht gestelde voorwaarde dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar moest zijn.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister terecht heeft geweigerd de aangemelde schuld bij ABN AMRO van eiseres over te nemen, dan wel te compenseren.
Was de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de schuld van ABN AMRO wel voldoet aan de vereisten van de Wht. De schuld is ontstaan en opeisbaar geworden binnen de referteperiode van 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Eiseres wijst op de correspondentie van de bank in 2019 en 2020 dat de lening structureel in achterstand verkeerde en dat zij herhaaldelijk is aangeschreven om te betalen met de dreiging de betaalachterstanden te melden bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) en dat dit ook gebeurd is. Zo heeft de bank haar op 15 juni 2020 bericht dat de registratie bij het BKR niet wordt verwijderd omdat zij de gemaakte betaalafspraak niet was nagekomen. Daarna is er weer een achterstand ontstaan. Uiteindelijk heeft de bank de lening volledig opgeëist en overgedragen aan een incassopartner. Dit bevestigt volgens eiseres dat sprake was van een opeisbare schuld.
5. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat geldschulden worden overgenomen die (a) zijn ontstaan na 31 december 2005, (b) opeisbaar waren voor 1 juni 2021 en (c) niet voldaan zijn op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Uit de memorie van toelichting bij de Wht [1] blijkt dat de regeling voor het overnemen van private schulden tot doel heeft gedupeerden die te maken hebben met deurwaarders en schuldenproblematiek tegemoet te komen.
6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wht volgt verder dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen dat alleen de vóór 1 juni 2021 daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. [2] Het doel van de regeling is gericht op het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Alleen wanneer een schuld opeisbaar is en niet wordt voldaan kan, al dan niet met tussenkomst van een deurwaarder, tot incassomaatregelen worden overgegaan.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake was van een vóór 1 juni 2021 opeisbare betalingsachterstand. In de kredietovereenkomst tussen de bank en eiseres is bepaald dat het krediet in maandelijkse termijnen van € 732,82 moet worden terugbetaald en dat de bank onder bepaalde omstandigheden gerechtigd is het volledige kredietbedrag ineens op te eisen. In artikel 3 van Pro de Algemene Voorwaarden Lenen staat dat eiseres het krediet in één keer helemaal moet terugbetalen als de bank hierom vraagt. De bank kan dit vragen als eiseres twee maanden of langer niet (terug) heeft betaald, ook niet nadat de bank hierom heeft gevraagd. Uit de overgelegde brieven van de bank is duidelijk dat er wel meerdere keren in 2019 en 2020 sprake was van een betalingsachterstand en ook van een betalingsachterstand van ruim twee maanden, maar de bank heeft niet aan eiseres vóór 1 juni 2021 gevraagd het gehele bedrag terug te betalen. Daarmee is de voorwaarde uit artikel 3 van Pro de Algemene Voorwaarden Lenen dus niet vervuld geweest in die periode. De minister heeft dus terecht gesteld dat van een opeisbare schuld vóór 1 juni 2021 geen sprake was.
Strijd met het gelijkheidsbeginsel?
8. Eiseres heeft aangevoerd dat gedupeerde ouders in vergelijkbare omstandigheden verschillend worden behandeld. Gedupeerde ouders die de betalingsverplichting netjes nagekomen zijn, zoals zij, worden nu benadeeld ten opzichte van gedupeerde ouders die de verplichtingen niet of nauwelijks zijn nagekomen.
9. De rechtbank overweegt hierover het volgende. In het geval van een beroep op het gelijkheidsbeginsel is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. Eiseres heeft geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd van één of meer andere gevallen die als gelijk kunnen worden aangemerkt. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat sprake is van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden. Verder geldt dat in alle gevallen steeds een individuele toetsing plaatsvindt aan de voorwaarden van de Wht. Alleen als een schuld aan alle wettelijke vereisten voldoet, kan tot schuldovername worden overgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met het evenredigheidsbeginsel?
10. Eiseres vindt dat de gevolgen van het besluit voor haar onevenredig zwaar zijn in vergelijking met het belang dat het besluit dient. Zij heeft diverse persoonlijke leningen moeten afsluiten om de betalingsverplichting na te kunnen komen, waardoor zij onevenredig is benadeeld omdat zij daar nog steeds de lasten van ondervindt.
11. De Wht is een wet in formele zin, zodat toetsing aan het evenredigheidsbeginsel of aan andere algemene rechtsbeginselen in beginsel niet mogelijk is. Het betoog van eiseres dat de in de Wht gestelde vereisten onevenredig zijn en dat er in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft voorzien, volgt de rechtbank niet.
Uit de totstandkoming van de schuldenregeling van de Wht blijkt dat het een bewuste en gemotiveerde keuze van de wetgever is geweest om alleen die schulden voor overname in aanmerking te laten komen die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, en dat de wetgever heeft voorzien dat daardoor niet alle gedupeerde ouders die in financiële moeilijkheden verkeren door de gevolgen van de kinderopvangtoeslagenproblematiek met deze schuldenregeling van hun schulden afkomen. [3] Daaronder kunnen dus ook ouders vallen zoals eiseres die onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van een opeisbare schuld te voorkomen en bij wie het krediet na 1 juni 2021 wel opeisbaar is geworden met alle financiële gevolgen van dien. De wetgever heeft de gevolgen van de toepassing van het vereiste van opeisbaarheid dus wel bedoeld en voorzien. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of de gestelde wettelijke voorwaarde over de opeisbaarheid voor eiseres buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. [4] De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
Slaagt het beroep op de hardheidsclausule?
12. Eiseres heeft aangevoerd dat strikte toepassing van de Wht voor haar leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Eiseres acht het schrijnend dat de schulden haar langdurig blijven achtervolgen en mogelijk ook na haar overlijden gevolgen kunnen hebben voor haar kinderen. Het niet overnemen van de schuld heeft tot veel stress in haar gezin geleid en het belemmert haar ook in het maken van een nieuwe start. Ook hebben de schulden ertoe geleid dat zij lange tijd extra onder emotioneel belastende omstandigheden heeft moeten werken, waardoor zij minder tijd en aandacht had voor de zorg en opvoeding van haar kinderen.
13. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
14. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden. Die dus maken dat in dit specifieke geval - vanwege een schrijnende situatie - afwijking van de wettelijke bepalingen gerechtvaardigd is. [5] Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die direct samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. [6]
15. De rechtbank is van oordeel dat eiseres het beroep op de hardheidsclausule onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de schuld die eiseres heeft een grote last voor haar is en de situatie zwaar op haar en haar gezin drukt. Eiseres heeft echter onvoldoende inzicht gegeven in haar actuele feitelijke financiële situatie en haar financiële draagkracht die aanknopingspunten bieden om vast te stellen dat sprake is van een schrijnende situatie. Eiseres had bijvoorbeeld concreet inzicht kunnen geven met een overzicht van haar inkomsten en uitgaven over tenminste drie maanden. Nu eiseres niet met stukken of op een andere wijze heeft onderbouwd in hoeverre sprake is van structurele financiële nood of van ernstige medische omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
griffier
rechter

(is verhinderd te ondertekenen)

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 43-45.
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045.
3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 44-45.
4.Zie de uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.
6.Bijvoorbeeld de uitspraken van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6132 en van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:761.