ECLI:NL:RBMNE:2026:3886

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/5476
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op WIA-herbeoordelingsverzoek

Eiser heeft op 24 december 2025 een verzoek ingediend bij de Raad van bestuur van het UWV om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit verzoek beslist, wat onbetwist is en door verweerder zelf is erkend.

De rechtbank stelt vast dat eiser een ingebrekestelling heeft gestuurd op 6 mei 2026 en dat sindsdien de wettelijke termijn van twee weken is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen.

Gezien de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, stelt de rechtbank een beslistermijn van twee maanden vast, aansluitend bij eerdere jurisprudentie. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000.

Het beroep wordt kennelijk gegrond verklaard, waardoor eiser recht heeft op vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten en €54 aan griffierecht aan eiser.

De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier E.J.H.C. Hui op 18 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee maanden alsnog een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5476

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 24 december 2025 om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn verzoek. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn verzoek om herbeoordeling ingediend op 24 december 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 3 juni 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 6 mei 2026 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. [1] De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
8. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). [3] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

3.Conform de uitspraak van de Afdeling van bijvoorbeeld 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.