ECLI:NL:RBMNE:2026:3688

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6217
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te late indiening van PGB-bezwaar afgewezen

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om hun bezwaar tegen de vaststellingsbeschikking van het persoonsgebonden budget (PGB) niet-ontvankelijk te verklaren wegens te late indiening. Het oorspronkelijke besluit tot beëindiging van het PGB dateert van 27 december 2017, met vaststellingsbeschikkingen in 2019 en 2020. Het bezwaar werd pas in februari 2025 ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken.

Eisers voerden aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een overmachtssituatie, waarbij de bewindvoerder van mevrouw, de moeder van eisers, de thuiszorg niet had opgezegd en nota’s niet had betaald. Ook verwezen zij naar een tussenuitspraak van de rechtbank Overijssel over de mogelijkheid van terugwerkende kracht van een PGB.

De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, omdat de bewindvoerder nalatig was en dit voor rekening en risico van de betrokkene komt. Ook de vertraging in het inschakelen van de gemachtigde PGB in Beweging werd niet als verschoonbaar erkend. De verwijzing naar de andere uitspraak was niet relevant voor de vraag van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor eisers geen gelijk kregen, geen griffierecht terugkregen en geen proceskostenvergoeding ontvingen.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] en [eiser], eisers
(gemachtigde: mr. P.J.V. Bertrams),
en

CZ Zorgkantoor, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit van 2 september 2025, waarmee verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 december 2017 heeft verweerder het persoonsgebonden-budget (Pgb) van mevrouw [naam] (de moeder van eisers) per 30 oktober 2017 beëindigd. Verweerder heeft hierbij aangekondigd dat mevrouw [naam] een vaststellingsbeschikking zal ontvangen.
2.1.
Verweerder heeft op 15 mei 2019 en 6 augustus 2020 vaststellingsbeschikkingen over 2017 verstuurd. Eisers hebben op 17 februari 2025 een bezwaarschrift ingediend.
2.2.
Met het bestreden besluit van 2 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres [eiseres] en de gemachtigde van eisers.
2.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Verweerder heeft het Pgb van mevrouw [naam] met het besluit van 27 december 2017 beëindigd en vervolgens op 15 mei 2019 en 6 augustus 2020 een eindafrekening voor het Pgb vastgesteld in vaststellingsbeschikkingen. Eisers hebben op 17 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen onbetaalde facturen over de periode augustus 2017 tot en met 31 december 2018. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit aangemerkt als een bezwaar tegen de eindafrekening in de vaststellingsbeschikking van 6 augustus 2020. Verder heeft verweerder in beroep nog gesteld dat het besluit, dat impact heeft op de nota’s die eisers nog willen declareren over 2017 en 2018, het beëindigingsbesluit van 27 december 2017 is. De rechtbank stelt vast dat eisers het bezwaarschrift niet tijdig hebben ingediend. Eisers hebben dit ook niet betwist.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
4. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is, omdat daarvoor een geldige reden is. Het gaat dan om omstandigheden waar een bezwaarmaker redelijkerwijs niets aan kon doen. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
5. Tussen partijen is in geschil of de geconstateerde termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5.1.
Eisers stellen zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar is, omdat sprake is van een overmachtssituatie. Pas tijdens de behandeling van het hoger beroep in de incassoprocedure tussen zorgverlener [persoon] en de nabestaanden van mevrouw [naam] (eisers) bij het hof ’s-Hertogenbosch in 2024 is duidelijk geworden wat er niet goed is gegaan. De bewindvoerder van mevrouw [naam] heeft (na de beëindiging van het pgb) de thuiszorg niet opgezegd, maar heeft de nota’s niet betaald.
5.2.
Eisers hebben na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting van het hof van 8 maart 2024 hun gemachtigde in bezwaar, PGB in Beweging, de opdracht gegeven om zich namens eisers tot verweerder te wenden. PGB in Beweging heeft op 3 april 2024 het dossier van de advocaten van eisers in de zaak bij het hof ontvangen en heeft toen contact gelegd met verweerder. Er is daarop maandenlang navraag gedaan naar wat verweerder nodig had om de kwestie te behandelen. Deze vertraging is niet te wijten aan eisers. Uiteindelijk hebben eisers op verzoek van verweerder op 17 februari 2025 bezwaar gemaakt.
5.3.
Eisers hebben tevens verwezen naar een tussenuitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 januari 2026 [5] . In deze uitspraak is overwogen dat dat de Wlz geen bepaling bevat die zich expliciet verzet tegen een (aanvullende) toekenning van een pgb met terugwerkende kracht. In die zaak had het Zorgkantoor ten onrechte niet of onvoldoende meegewogen dat de betrokkene als kwetsbaar kan worden aangemerkt en Wlz-zorg nodig heeft. Het bestreden besluit was daarmee onevenredig nadelig, onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd. Eisers stellen dat in onderhavige zaak sprake is van een vergelijkbare situatie.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder het beëindigingsbesluit van 27 december 2017 en de vaststellingsbeschikking van 15 mei 2019 naar de aangestelde bewindvoerder van mevrouw [naam] heeft verstuurd. De vaststellingsbeschikking van 6 augustus 2020 is gericht aan de nabestaanden van mevrouw [naam] , eisers, en is verstuurd naar het adres van eiseres [eiseres] . Dat de bewindvoerder heeft nagelaten bezwaar te maken tegen de toegezonden besluiten en de thuiszorg niet heeft opgezegd, komt volgens vaste rechtspraak voor rekening en risico van de betrokkene. [6] Dit vormt daarom geen verschoonbare reden. Dat eisers (door onwetendheid) als gevolg van de gestelde nalatigheid van de bewindvoerder ook geen bezwaar hebben gemaakt tegen de aan hun toegezonden vaststellingsbeschikking van 6 augustus 2020 is om dezelfde reden niet verschoonbaar. Verder heeft verweerder er ook nog terecht op gewezen dat PGB in Beweging ook niet binnen 6 weken na de zitting van het hof op 8 maart 2024 waarop de feiten volgens eisers boven water kwamen, bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft in het verweerschrift een ‘printscreen’ opgenomen waaruit blijkt dat PGB in Beweging voor het eerst op 4 juni 2024 contact met verweerder heeft opgenomen. Eisers stellen dat PGB in Beweging na de zitting bij het hof de opdracht heeft gekregen om zich tot verweerder te wenden en dat PGB in Beweging op 3 april 2024 het dossier heeft ontvangen. Dat er, zoals eisers stellen, ook hier een vertraging is geweest die niet aan eisers te wijten is, volgt de rechtbank niet. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak ging het om een andersoortige procedure met een andere start en niet om de vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar tegen een (veel) eerder genomen besluit. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2297.