ECLI:NL:RBMNE:2026:355

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2371
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 19:38, eerste lid en tweede lid, CAR-UWO VROArtikel 19:31, eerste lid, CAR-UWO VRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen disciplinair ontslag vrijwillige brandweerman wegens plichtsverzuim

Eiser, sinds 2012 vrijwillige brandweerman, werd geschorst en uiteindelijk ontslagen wegens meerdere gedragingen die als plichtsverzuim werden aangemerkt. Dit betrof seksueel contact op de brandweerpost met zijn toenmalige en huidige vriendin tijdens diensttijd, en het niet volledig naar waarheid verklaren over deze gedragingen en een taakstraf uit het verleden.

De rechtbank oordeelde dat de besluitvorming zorgvuldig was verlopen, inclusief hoor en wederhoor en behandeling van bezwaar. De gedragingen waren voldoende vastgesteld, mede op basis van eigen verklaringen van eiser en getuigenverklaringen. Het plichtsverzuim was toerekenbaar, ondanks dat eiser behandelingen had ondergaan voor ADHD en seksverslaving.

De opgelegde straf van disciplinair ontslag werd als evenredig beoordeeld gezien de ernst van het plichtsverzuim en het fundamenteel beschadigde vertrouwen. Eiser kreeg geen gelijk, het beroep werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het disciplinair ontslag van de vrijwillige brandweerman wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2371

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc),
en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio [plaats] , verweerder

(gemachtigden: mr. J.H.M. Huizinga en mr. L.C.J. van Roekel).

Inleiding

1. Eiser is op 1 januari 2012 in dienst getreden bij verweerder en heeft laatstelijk als [functie] gewerkt in de functie van [functie] .
2. Verweerder heeft op enig moment signalen gekregen over eisers houding en gedrag op de post [locatie] . Verweerder heeft eiser met het besluit van 28 maart 2024 geschorst gedurende het onderzoek hiernaar (in eerste instantie tot 14 april 2024). Er heeft een hoorgesprek plaatsgevonden op 29 maart 2024 en op 10 april 2024.
3. Op 11 april 2024 heeft eiser een formele waarschuwing gekregen met een proefperiode tot de zomer van 2025.
4. Daarna heeft eiser op 16 april 2024 een gesprek gevoerd met zijn ploeg. Volgens verweerder is hieruit nieuwe informatie naar voren gekomen. Om deze reden is eiser met het besluit van 22 april 2024 nader geschorst.
5. Vervolgens heeft verweerder met de brief van 24 april 2024 het voornemen kenbaar gemaakt om tot disciplinair ontslag (ook wel strafontslag) over te gaan. Hier heeft verweerder op 2 mei 2024 een gesprek over gevoerd met eiser.
6. Daarna heeft verweerder met het besluit van 8 mei 2024 (het primaire besluit) aan eiser disciplinair ontslag opgelegd. Verweerder heeft, voor zover hier van belang, vijf gedragingen aan het ontslag ten grondslag gelegd:
- het hebben van seks op de post [locatie] met eisers toenmalige vriendin;
- het hebben van seksueel contact met eisers huidige vriendin tijdens diensttijd op de post [locatie] op 7 januari 2024;
- het niet naar waarheid verklaren over het hebben van seks op de post [locatie] seks met eisers toenmalige vriendin;
- het niet volledig naar waarheid verklaren over het hebben van seksueel contact met eisers huidige vriendin tijdens diensttijd op post [locatie] op 7 januari 2024;
- het niet volledig naar waarheid verklaren over het feit dat eiser voor een geweldsincident in 2008/2009 een taakstraf heeft gekregen.
7. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het bezwaar is behandeld tijdens de hoorzitting van 25 november 2024. De bezwarencommissie (hierna: de commissie) heeft op 20 december 2024 een advies uitgebracht.
8. Verweerder heeft het bezwaar van eiser met het besluit van 24 februari 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard, waarbij gemotiveerd is afgeweken van het advies van de commissie.
9. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
10. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen, evenals de gemachtigden van verweerder.

Inhoud bestreden besluit (in essentie weergegeven)

11. Verweerder stelt dat vanwege de ernst van het plichtsverzuim (zie onder 6) terecht aan eiser disciplinair ontslag is opgelegd. Het advies van de commissie neemt verweerder om verschillende redenen niet over. Het hebben van seks of seksueel contact op de post, tijdens werktijd, is onacceptabel en past niet bij wat van een goed vrijwilliger verwacht mag worden. Eiser wist of had in ieder geval moeten weten dat dit gedrag ontoelaatbaar is. Dit gedrag past ook niet bij een sociaal veilige en prettige werkomgeving waar verweerder voor staat en is in strijd met de gedragscode. Ook werpt verweerder tegen dat eiser bij herhaling en op meerdere punten niet of niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dit terwijl hij hiertoe wel meerdere kansen heeft gehad. Van eiser mag verwacht worden dat hij openheid van zaken geeft als aan zijn integriteit getwijfeld wordt. Door dit niet te doen is het vertrouwen in eiser onherstelbaar beschadigd.

Beoordeling door de rechtbank

12. De rechtbank zal in het navolgende aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordelen of verweerder aan eiser disciplinair ontslag kon opleggen en het bezwaar hiertegen ongegrond mocht verklaren. Hierbij zijn vijf vragen van belang:
- Heeft de besluitvorming zorgvuldig plaatsgevonden?
- Heeft eiser de gedragingen verricht?
- Is sprake van plichtsverzuim?
- Is het plichtsverzuim eiser toe te rekenen?
- Is de opgelegde straf evenredig?

Heeft de besluitvorming zorgvuldig plaatsgevonden?

13. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de verweten gedragingen en vooringenomen heeft gehandeld. Op 19 april 2024 heeft eiser een e-mail ontvangen met hierin de mededeling dat hij zelf eervol ontslag kon nemen en dat als hij dit niet zou doen oneervol disciplinair ontslag zou volgen. Eiser kon tot uiterlijk 22 april 2024 zijn keuze doorgeven. Hieruit blijkt volgens eiser dat verweerder op 19 april 2024 al zijn standpunt had ingenomen. Hierdoor was de hoor en wederhoor die later plaatsvond een lege huls. Ook vindt eiser dat zijn argumenten enkel ter kennisgeving zijn aangenomen door verweerder. Dit geldt bijvoorbeeld voor het argument dat eiser behandelingen heeft ondergaan voor zijn adhd en seksverslaving om zijn gedrag te veranderen.
14. De rechtbank overweegt dat verweerder in het verweerschrift heeft verduidelijkt dat eiser de mogelijkheid heeft gekregen de eer aan zichzelf te houden, maar dat dit niet betekent dat sprake is van vooringenomenheid. [1] In de gegeven omstandigheden is te volgen dat verweerder aan eiser de mogelijkheid wilde bieden geen verdere ruchtbaarheid te geven aan (de omstandigheden rond) het ontslag. Van belang is verder dat – toen eiser hier niet voor koos – de reguliere procedure rondom een disciplinair ontslag is gevolgd. Eiser heeft naar aanleiding van het voornemen tot disciplinair ontslag de mogelijkheid gekregen zijn zienswijze daarover in het gesprek van 2 mei 2024 naar voren te brengen en heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Naar aanleiding van het bezwaar heeft een hoorzitting bij de commissie plaatsgevonden. De bezwaargronden en wat tijdens de hoorzitting naar voren is gekomen heeft verweerder gewogen en kenbaar betrokken bij het nemen van het bestreden besluit. Hieruit volgt dat de procedure en besluitvorming zorgvuldig zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiser de verweten gedragingen begaan?

15. De rechtbank stelt vast dat verweerder vijf gedragingen aan het disciplinair ontslag ten grondslag heeft gelegd (zie onder 6). Volgens vaste rechtspraak [2] van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is het voor het opleggen van een disciplinaire maatregel zoals strafontslag noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat – in dit geval – eiser de verweten gedragingen heeft begaan. In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn.
16. Eiser wordt verweten dat hij seks heeft gehad op de post [locatie] met zijn toenmalige vriendin. Hij heeft hierover zelf verklaard dat dit waarschijnlijk wel is gebeurd. [3] Tijdens de zitting heeft eiser herhaald dat het waarschijnlijk wel is gebeurd, maar dat zijn toenmalige vriendin op dat moment niet minderjarig was. De rechtbank overweegt dat eiser in zijn algemeenheid het hebben van seks op de werkplek is verweten. Het gaat in dit kader dus niet zozeer om de leeftijd van eisers vorige vriendin. Deze gedraging is op basis van eisers eigen verklaringen voldoende vast komen te staan.
17. Ook is aan het ontslag ten grondslag gelegd dat eiser seksueel contact heeft gehad met zijn huidige vriendin tijdens diensttijd op de post [locatie] op 7 januari 2024. Dit is opgenomen in het verslag van het gesprek van eiser met de ploeg op 16 april 2024. Eiser heeft dit echter kort daarna weersproken en gesteld dat het verslag op dit punt een onjuiste weergave is van wat is gezegd. De rechtbank overweegt dat op basis van de gegevens in het dossier en de verklaringen op zitting de overtuiging is verkregen dat eiser deze verweten gedraging heeft begaan. De heer [A] (postcommandant) was aanwezig bij het gesprek met de ploeg op 16 april 2024 en heeft ter zitting verklaard dat eiser toen wel degelijk heeft meegedeeld dat hij seks heeft gehad met zijn huidige vriendin op post [locatie] . Eiser heeft hier tegenover gesteld dat hij wel ‘intiem’ is geweest en dat dit meer was dan alleen knuffelen, maar dat geen sprake was van seks. Deze betwisting is vaag en het is niet duidelijk wat het exacte verschil is tussen intiem zijn en het hebben van seksueel contact. Om deze reden wordt aangenomen dat eiser de verweten gedraging heeft begaan.
18. Daarnaast stelt verweerder dat eiser niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dit verwijt valt in drie gedragingen uiteen. De rechtbank overweegt dat eiser niet uit zichzelf heeft verklaard dat hij seks heeft gehad met zijn toenmalige vriendin op de post. Sterker, eiser heeft dit in eerste instantie ontkend. [4] Later heeft eiser beargumenteerd dat hij tijdens het eerste gesprek werd overvallen. Tijdens het gesprek van 10 april 2024 heeft eiser echter ook geen volledige openheid van zaken gegeven. Hij heeft het toen enkel gehad over ‘meer intiem zijn geweest’, wat verweerder heeft opgevat als ‘knuffelen’ aangezien eiser dit in het eerste gesprek had verteld. Eiser is pas voor het eerst volledig eerlijk en open geweest tijdens het gesprek met de ploeg op 16 april 2024. Hiermee staat vast dat eiser niet direct volledig open en eerlijk is geweest.
Als het gaat over het seksueel contact van eiser met zijn huidige vriendin op post [locatie] , dan is van belang dat eiser niet direct heeft gezegd dat het ging om seks. Dit wordt gezien het voorgaande wel aangenomen (zie onder 17). Ook het hierover niet direct volledig naar waarheid verklaren staat daarom voldoende vast.
Daarnaast zou eiser niet direct volledig naar waarheid hebben verklaard over een geweldsincident in 2008/2009. Eiser wordt verweten dat hij niets heeft gezegd over de opgelegde taakstraf. Hiertegen heeft eiser geen beroepsgrond ingediend, om deze reden staat dit als niet weersproken vast.

Is sprake van plichtsverzuim?

19. In beroep voert eiser aan dat verweerder geen regels heeft vastgesteld over bezoek van gezinsleden op de post en dat hierover niets staat in de VRU Gedragscode. Verder benadrukt hij dat de brandweerlieden op de post een eigen afsluitbare kamer hebben, dat het (bij het hebben van seks) ging om zijn eigen vriendin en niet om een collega en dat dus ook geen sprake was van een gezagsverhouding.
20. De rechtbank overweegt dat onder plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift valt als het doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten. [5] In het rechtspositiereglement is opgenomen dat de vrijwilliger zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig moet verrichten en zich moet gedragen als een goed vrijwilliger. [6] In de Gedragscode VRU is met voorbeelden verduidelijkt wat onder integriteit wordt verstaan. Eiser had als ambtenaar moeten begrijpen dat het hebben van seksueel contact op de werkplek tijdens diensttijd ongepast is. Ook al was dit vrijwillig en met zijn eigen vriendin. Het niet of niet volledig naar waarheid verklaren heeft verweerder ook terecht als plichtsverzuim aangemerkt. Een team van brandweerlieden moet vaak in gevaarlijke omstandigheden samenwerken en het is van belang dat zij onvoorwaardelijk op elkaar kunnen vertrouwen. [7] Dit vertrouwen is geschaad met name doordat eiser niet naar waarheid heeft verklaard over het hebben van seks op de post en niet volledig naar waarheid heeft verklaard over het hebben van seksueel contact op de post met zijn huidige vriendin. Verweerder heeft dan ook de verweten gedragingen terecht als plichtsverzuim aangemerkt.

Is het plichtsverzuim eiser toe te rekenen?

21. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder de verweten gedragingen zijn begaan. Zo kampte eiser met adhd en een seksverslaving waar hij inmiddels behandeling voor heeft ondergaan. Verder bestond er kennelijk een bepaald beeld van eiser (o.a. als ‘rare vogel’), maar zijn leidinggevende is hier nooit het gesprek met hem over aangegaan.
22. De rechtbank overweegt dat de vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim volgens vaste rechtspraak een vraag is naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of eiser de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. [8] Verweerder wijst er in dit kader op dat de brief die eiser heeft overgelegd ter ondersteuning van de behandelingen die hij heeft gehad voor add, adhd en seksverslaving dateert van 2 februari 2019. [9] Ook haalt verweerder uitspraken van eiser aan waar juist uit opgemaakt kan worden dat hij de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag wel in zag. [10] Zo heeft eiser tijdens het eerste hoorgesprek van 29 maart 2024 meegedeeld dat je geen seks op de kamer op de post hebt. [11] De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de stoornissen op het moment van de verweten gedragingen van dien aard waren dat eiser de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet heeft ingezien en niet anders kon handelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de opgelegde straf evenredig?

23. Eiser stelt dat onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is. Behoudens de waarschuwing van 11 april 2024 heeft eiser nooit eerder een waarschuwing gekregen. Bovendien hebben de gedragingen van eiser met zijn ex-vriendin jaren geleden plaatsgevonden en heeft eiser hier op eigen initiatief over verklaard. Daar komt bij dat eiser ruim twaalf jaar werkzaam is voor verweerder in verschillende hoedanigheden en zijn taken altijd naar tevredenheid heeft uitgevoerd. Een ontslag valt voor eiser extra zwaar, omdat hij in verschillende rollen (op basis van een overeenkomst van opdracht) werkzaam is voor de post [locatie] en [locatie] en dit is met het ontslag allemaal komen te vervallen.
23. De rechtbank overweegt dat de opgelegde disciplinaire maatregel, in dit geval het disciplinair ontslag, evenredig moet zijn aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. [12] Het gaat bij een afweging hiervan bijvoorbeeld om de aard en ernst van de gedragingen, de betekenis hiervan voor eisers functioneren bij verweerder en de eventueel binnen de organisatie van verweerder gestelde eisen (zoals integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid). [13] Verweerder is in het verweerschrift ingegaan op de belangenafweging die is uitgevoerd. [14] Het is weliswaar zo dat aanvankelijk een waarschuwing is opgelegd en later een disciplinair ontslag, maar dit is veroorzaakt doordat de ernst en omvang van het plichtsverzuim niet direct duidelijk was. Verweerder wijst er terecht op dat eiser hier zelf aan heeft bijgedragen door niet gelijk volledig naar waarheid te verklaren. Pas na de opgelegde waarschuwing is duidelijk geworden dat eiser met zijn voormalige vriendin en huidige vriendin seks heeft gehad op de post en dat hem in het verleden een taakstraf is opgelegd voor een geweldsincident. De rechtbank kan verweerder volgen dat het vertrouwen in eiser fundamenteel is aangetast. Hierbij speelt een rol dat de werkzaamheden van eiser vragen om een integere opstelling. Dat eiser niet eerder klachten heeft gehad over zijn functioneren maakt, door de ernst van de gedragingen, niet dat het ontslag onevenredig is. Met name het niet direct naar waarheid verklaren mocht verweerder eiser zwaar aanrekenen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter, mr. P. Lenstra en mr. M.M. Brink, leden, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verweerschrift, blz. 24.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:112 r.o. 4.2.2.
3.Zie het bezwaarschrift van 17 juni 2024, pagina 2.
4.Zie verslag van 4 april 2024 van hoorgesprek van 29 maart 2024, pag, 3,4,7.
5.Artikel 19:38, eerste lid en tweede lid, CAR-UWO VRO.
6.Artikel 19:31, eerste lid, CAR-UWO VRO.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2760 r.o. 4.2.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1276 r.o. 4.3.
9.Verweerschrift blz. 22.
10.Verweerschrift blz. 23.
11.Verslag van hoorgesprek van 29 maart 2024, blz. 8.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1956.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:980 r.o. 4.7.2.
14.Verweerschrift blz. 22.