Eiseres diende op 10 november 2024 een bezwaarschrift in bij het UWV. Verweerder verlengde de beslistermijn meerdere malen met toestemming van eiseres tot 30 juli 2025, maar besloot daarna niet tijdig. Eiseres stuurde een ingebrekestelling op 2 augustus 2025 waarna de rechtbank constateerde dat de beslistermijn was overschreden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV een dwangsom van €1.442,- correct had vastgesteld voor de periode tot 30 juli 2025. Vervolgens bepaalde de rechtbank een nieuwe beslistermijn van twee maanden, gelet op het tekort aan verzekeringsartsen en eerdere jurisprudentie. Voor elke dag overschrijding na deze termijn geldt een dwangsom van €100,- met een maximum van €15.000.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van €385,- en proceskosten van €467,- aan eiseres. De rechtbank vernietigde het niet tijdig genomen besluit en droeg verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.