ECLI:NL:RBMNE:2026:342

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
8 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/4204
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WIAWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenWet arbeid en zorgWet werkloosheidswetWet ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheid na tweemaal bacteriële meningitis onder Wet WIA

Eiseres, die tweemaal bacteriële meningitis heeft doorgemaakt, heeft een WIA-uitkering aangevraagd vanwege restklachten en is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV. Na een uitgebreid medisch en arbeidsdeskundig onderzoek heeft het UWV haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45,82% per 11 oktober 2023 en 63,74% per 24 november 2024.

Eiseres betoogt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht en dat haar beperkingen zijn onderschat, mede omdat zij in een medisch traject zit met onder meer een neuropsychologisch onderzoek en neurologische behandeling. De rechtbank oordeelt echter dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle relevante informatie heeft betrokken en dat het opvragen van toekomstige medische gegevens niet noodzakelijk was.

De rechtbank stelt vast dat de medische beoordeling inhoudelijk juist is en dat de beperkingen passend zijn vastgesteld, ook gelet op de ingebrachte medische documenten die geen nieuwe feiten bevatten die tot een andere beoordeling leiden. Daarnaast is de arbeidskundige beoordeling juist, omdat de functies die aan eiseres zijn toegerekend aansluiten bij de vastgestelde beperkingen.

Het verzoek van eiseres om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen, omdat er geen twijfel bestaat over de deskundigheid van de verzekeringsarts en geen schending van het gelijkheidsbeginsel is. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het UWV wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde arbeidsongeschiktheid blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4204

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand).

Inleiding

1. Eiseres was laatstelijk werkzaam als [functie] voor gemiddeld 39,77 uur per week. Vanaf 1 maart 2021 heeft het Uwv aan eiseres een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanaf 3 maart 2021 heeft eiseres zich ziekgemeld wegens zwangerschapsklachten. Het Uwv heeft eiseres vanaf 3 maart 2021 een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW). Daarnaast heeft eiseres vanwege twee zwangerschappen gedurende twee periodes recht gehad op een uitkering op grond de Wet arbeid en zorg (Wazo). Eiseres heeft tijdens haar eerste zwangerschap vanaf mei 2021 bacteriële meningitus opgelopen. Na haar tweede zwangerschap heeft eiseres in mei 2023 wederom bacteriële meningitus opgelopen.
1.1.
Na een wachttijd van 104 weken, onderbroken met twee periodes ingevolge de Wazo, heeft eiseres een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vanwege de restklachten die zij heeft overgehouden aan de tweemaal doorgemaakte bacteriële meningitus.
1.2.
Een verzekeringsarts van het Uwv heeft onderzoek gedaan naar de gezondheidstoestand van eiseres op 11 oktober 2023 (datum in geding 1). De verzekeringsarts heeft beoordeeld wat de arbeidsbeperkingen van eiseres zijn en heeft deze beperkingen opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv drie functies geduid die eiseres, ondanks haar beperkingen nog zou kunnen doen. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft berekend wat de verdiencapaciteit is en aan de hand daarvan is berekend dat eiseres 61,3% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 8 april 2024 (primair besluit 1) heeft het Uwv eiseres met ingang van 11 oktober 2023 tot en met 23 november 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering [1] toegekend op grond van de Wet WIA berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 61,30%. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het besluit van 24 september 2024 (primair besluit 2) heeft het Uwv eiseres met ingang van 24 november 2024 (datum in geding 2) een WGA-vervolguitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 – 65%. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft een primaire verzekeringsarts van het Uwv onderzoek gedaan om de arbeidsbeperkingen van eiseres per datum in geding 2 vast te stellen. De verzekeringsarts heeft deze arbeidsbeperkingen vastgelegd in een FML. In die FML zijn de arbeidsbeperkingen van de FML per datum in geding 1 overgenomen en er zijn nog enkele beperkingen aan toegevoegd. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft onderzoek gedaan en heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per datum in geding 2 vastgesteld op 62,54%.
1.4.
Naar aanleiding van de bezwaren van eiseres tegen beide primaire besluiten heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv een nieuw onderzoek uitgevoerd, waarbij dit ziet op de arbeidsbeperkingen van eiseres op beide data in geding, namelijk 11 oktober 2023 en 24 november 2024. In zijn rapportage van 28 februari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van de heroverwegingen in bezwaar geconcludeerd dat de arbeidsbeperkingen van eiseres onjuist zijn ingeschat. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de belastbaarheid ten tijde van datum in geding 1 en datum in geding 2 aanzienlijk hoger. Omdat na datum in geding 1 geen noemenswaardige terugval heeft plaatsgevonden, geldt dezelfde hogere belastbaarheid ook voor datum in geding 2. Op grond daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep twee nieuwe FML-en opgesteld. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft in zijn rapport van 20 mei 2025 het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres opnieuw vastgesteld. Voor datum in geding 1 wijzigt dit van 61,30% naar 45,82%. Voor datum in geding 2 wijzigt dit van 62,54% naar 63,74%.
1.5.
Met het besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit 1 gegrond verklaard, in zoverre dat de arbeidsongeschiktheid per datum in geding 1 45,82% bedraagt in plaats van 61,30%. Dit heeft geen gevolgen voor de duur of hoogte van de uitkering voor eiseres. Met betrekking tot het primaire besluit 2 is het bezwaar gegrond verklaard, in zoverre dat de arbeidsongeschiktheid 63,74% bedraagt in plaats van 62,54% per datum in geding 2. Dit heeft geen gevolgen voor de duur of hoogte van de uitkering voor eiseres.
1.6.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het geschil
2. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat de medische beoordeling onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij vindt dat zij door restklachten die zij heeft overgehouden aan de tweemaal doorgemaakte bacteriële meningitus volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, of in elk geval tijdelijk volledig arbeidsongeschikt. De beroepsgronden die zij aanvoert zien op beide data in geding, namelijk 11 oktober 2023 en 24 november 2024. Volgens eiseres was haar gezondheidssituatie op beide data namelijk hetzelfde.
2.1.
Het Uwv blijft bij het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank zal aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, beoordelen of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht heeft vastgesteld op 45,82% per datum in geding 1 en 63,74% per datum in geding 2.
Toetsingskader
3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het UWV besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
  • op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
  • geen tegenstrijdigheden bevatten, en;
  • voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zich zelf voelt zónder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht?
4. Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadere medische informatie had moeten opvragen en betrekken bij het medisch onderzoek. Eiseres stelt dat zij op de hoorzitting van 20 februari 2025 heeft gezegd dat zij midden in een medisch traject zit vanwege de restklachten van haar bacteriële meningitus. Tijdens die hoorzitting heeft eiseres er op gewezen dat zij op korte termijn in het kader van dat medisch traject een MRI zou ondergaan, een neuropsychologisch onderzoek (NPO) zou ondergaan en dat zij bij een neuroloog is geweest. Eiseres stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit traject had moeten afwachten, omdat de restklachten sinds datum in geding 1 en 2 onveranderd zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had volgens eiseres deze informatie moeten opvragen en betrekken bij het medisch onderzoek.
4.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek. Uit de rapportage van 19 februari 2024, met betrekking tot primair besluit 1, volgt dat de primaire verzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht en telefonisch contact heeft gehad met eiseres. Uit de rapportage van 2 februari 2025, met betrekking tot primair besluit 2, volgt dat de primaire verzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht en eiseres op het spreekuur heeft gezien. Uit de rapportage van 28 februari 2025 volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossieronderzoek heeft verricht, aanwezig was bij de fysieke hoorzitting in bezwaar en aansluitend verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft verricht en ook het in bezwaar ontvangen medicatieoverzicht bij het onderzoek heeft betrokken. In de rapportage staat dat in gezamenlijk overleg is besloten om geen medische informatie op te vragen omdat eiseres haar klachten en behandeling adequaat kon verwoorden en er voldoende (medische) informatie in het dossier aanwezig is samen met de gegevens verkregen tijdens de fysieke hoorzitting en het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak [2] kan een verzekeringsarts op zijn eigen oordeel afgaan als het gaat om het vaststellen van beperkingen. De verzekeringsarts dient de behandelend sector te raadplegen indien een behandeling in gang gezet zal worden of reeds plaatsvindt en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene, of indien de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over haar beperkingen. Gelet op het onderzoek dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft verricht en omdat een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel mag varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen, kan de rechtbank volgen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit geval heeft afgezien van het opvragen van toekomstige medische gegevens. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de medische beoordeling inhoudelijk onjuist?
5. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling inhoudelijk onjuist is, omdat haar beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid worden onderschat. Eiseres stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de klachten die ze heeft overgehouden aan haar tweemaal doorgemaakte bacteriële meningitus. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres nadere informatie ingebracht, te weten
- de uitnodiging voor het NPO (21 februari 2025),
- de resultaten van het NPO (17 april 2025),
- een verwijsbrief voor de polikliniek neurologie van het Amsterdam UMC (ongedateerd) en,
- een brief van de neuroloog (3 oktober 2025).
Volgens eiseres volgt uit de door haar ingebrachte informatie, waarbij eiseres ter zitting benadrukt dat het met name gaat om de resultaten van het NPO, dat eiseres blijvende klachten heeft die haar sterk beperken en dat dit ook zo was ten tijde van beide data in geding.
5.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapportage van 28 februari 2025 gemotiveerd ingegaan op wat eiseres over haar gezondheidssituatie naar voren heeft gebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt aanzienlijk minder beperkingen vast dan de primaire verzekeringsarts heeft vastgesteld die zien op datum in geding 1. Voor datum in geding 2 geldt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dezelfde belastbaarheid als voor datum in geding 1, omdat in de periode daartussen geen noemenswaardige terugval heeft plaatsgevonden in het medisch beeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt vervolgens twee FML-en op die zien op bovengenoemde beoordelingsdata.
5.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de aanpassing van de belastbaarheid omdat er volgens hem geen onderliggend valide eenduidig medische geobjectiveerd substraat is die haar klachten kunnen verklaren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat de aangepaste belastbaarheid een logische samenhang is tussen de aard, ernst en behandeling van de onderliggende medische aandoeningen, de onderzoeksbevindingen van de (verzekerings)artsen, de geduide beperkingen en het sociaal functioneren van eiseres. Ook wordt voorzien in voldoende lage energetische belasting als rekening wordt gehouden met de reeds gestelde beperkingen en voorwaarden in arbeid. Over de nader ingebrachte medische gegevens – de documenten over het NPO en het traject met de neuroloog - stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de mentale componenten en de beperkingen waar eiseres op wijst al zijn meegenomen in de bezwaarfase en daarvoor zijn passende beperkingen gegeven, zodat er geen aanleiding is om meer beperkingen te stellen voor de restklachten. Over de rol van de tweemaal doorgemaakte bacteriële meningitus wordt in de door eiseres ingebrachte documenten enkel gesteld dat niet uitgesloten kan worden dat dit een rol speelt, dat is geen medisch feit. De informatie over andere klachten bieden geen nieuwe medische feiten en omstandigheden. Ook betreft het informatie die ziet op ruime tijd na de data in geding. Die informatie is daarom niet meegenomen in de herbeoordeling.
5.3.
De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid van eiseres en aan zijn motivering waarom de in de FML-en van 28 februari 2025 vastgestelde beperkingen passend zijn voor eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 28 februari 2025 inzichtelijk gemotiveerd in hoeverre hij bij het vaststellen van de beperkingen van eiseres rekening heeft gehouden met haar restklachten vanwege de tweemaal doorgemaakte bacteriële meningitus. Hierbij houdt de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening met de verminderde mentale belastbaarheid van eiseres. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn medische rapportages van 6 en 15 oktober 2025 inzichtelijk gemaakt dat de in beroep ingebrachte medische informatie van eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden bevatten en zien op de medische toestand van eiseres na data in geding, zodat er geen aanleiding is om meer beperkingen te stellen vanwege de restklachten dan al is gedaan. De rechtbank overweegt dat anders dan eiseres stelt, de documenten over het NPO en het traject met de neuroloog, geen medische informatie bevatten die ziet op beperkingen van eiseres op de relevante beoordelingsmomenten. Bovendien blijkt daaruit ook niet dat er meer arbeidsbeperkingen voor restklachten moeten worden aangenomen dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor beide data in geding al heeft aangenomen. Op de zitting heeft eiseres dat zelf ook niet kunnen aanwijzen in de door haar in beroep ingebrachte medische informatie. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige
6. Eiseres verzoekt de rechtbank tot slot onder verwijzing naar het Korošec-arrest [3] een onafhankelijke deskundige te benoemen.
6.1.
De rechtbank overweegt dat het arrest Korošec waar eiseres naar verwijst in deze situatie niet meebrengt dat de rechtbank uit het oogpunt van equality of arms gehouden is een medisch deskundige te benoemen. [4] In dit geval heeft de medisch deskundige van het Uwv alle beschikbare informatie bij de beoordeling betrokken. De benodigde twijfel aan het oordeel van de deskundige ontbreekt, zodat er geen aanleiding is een deskundige te benoemen. Nu geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms, kan het door eiseres gestelde financiële onvermogen buiten beschouwing worden gelaten.
Is de arbeidskundige beoordeling juist?
7. Tegen de arbeidskundige beoordelingen van het bestreden besluit heeft eiseres aangevoerd dat zij niet in staat is de voorbeeldfuncties te verrichten, omdat zij meent dat er te weinig rekening is gehouden met haar arbeidsbeperkingen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat eiseres tegen de arbeidskundige beoordelingen heeft aangevoerd dat zij de voorbeeldfuncties om medische redenen niet kan verrichten. Uit wat hiervoor bij de medische beoordelingen is overwogen volgt dat ervan uit moet worden gegaan dat de beperkingen van eiseres zoals opgenomen in de FML-en van 28 februari 2025 juist zijn. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres de werkzaamheden die horen bij de functies die zijn geduid op grond van de FML-en niet zou kunnen verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten-uitkering.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1937.
3.ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:559 r.o. 4.4.