ECLI:NL:RBMNE:2026:3241

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2751
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:82 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming college

Verzoekster diende een verzoek om voorlopige voorziening in tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten. Dit verzoek werd ingetrokken nadat het college met een besluit de begunstigingstermijn verlengde tot 31 augustus 2026, waarmee het college aan het verzoek tegemoetkwam.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling dat verzoekster bij de intrekking had ingediend. Het college stemde in met dit verzoek. De voorzieningenrechter overwoog dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan het verzoek tegemoetkomt, in beginsel reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.

Omdat het college de begunstigingstermijn verlengde en daarmee de werking van het besluit opschortte, was sprake van tegemoetkoming. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden. De proceskosten werden vastgesteld op € 934,-, bestaande uit één punt voor de ingediende proceshandeling. De voorzieningenrechter veroordeelde het college tot betaling van dit bedrag en bepaalde dat het griffierecht aan verzoekster wordt terugbetaald.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten na verlenging van de begunstigingstermijn en intrekking van de voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2751

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Maakal),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten, verweerder
(gemachtigde: mr. D.A. Coenraad)

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 16 maart 2026. Met dit besluit heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd.
1.2.
Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, omdat het college met het besluit van 22 april 2026 de in de last onder dwangsom gestelde begunstigingstermijn heeft verlengd tot 31 augustus 2026.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord gaat met het verzoek om veroordeling in de proceskosten.
1.4.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaarprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, als het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het verlengen van de begunstigingstermijn aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [4] Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [5] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college met de verlenging van de begunstigingstermijn aan het verzoek van verzoekster is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Het college heeft verder ingestemd met een proceskostenveroordeling. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 934,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het college met het verlengen van de begunstigingstermijn de werking van het besluit van 16 maart 2026 heeft opgeschort totdat op het bezwaar is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoekster terug. [6]

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
6.Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.