Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3103

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
12133020 \ UE VERZ 26-100
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:652 BWArt. 7:681 BWArt. 7:628a lid 7 BWArt. 7:667 lid 5 BWArt. 7:673 lid 4 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geldigheid proeftijdbeding bij opvolgend werkgeverschap in openbaar vervoer

De zaak betreft een geschil over de geldigheid van een proeftijdbeding in een arbeidsovereenkomst van een chauffeur bij Connexxion, na een concessiewissel in het openbaar vervoer in de regio Utrecht. De verzoekster was eerder uitzendkracht bij Consolid en solliciteerde op eigen initiatief bij Connexxion, waar zij op 14 december 2025 in dienst trad met een proeftijd van één maand.

Connexxion zegde de arbeidsovereenkomst op 7 januari 2026 op met een beroep op het proeftijdbeding. De verzoekster stelde dat sprake was van opvolgend werkgeverschap, waardoor het proeftijdbeding niet geldig zou zijn. De kantonrechter oordeelde dat geen sprake was van opvolgend werkgeverschap, omdat de verzoekster zelf had gesolliciteerd en Consolid en Connexxion geen zodanige banden hadden dat Connexxion als opvolger kon worden beschouwd.

De kantonrechter stelde vast dat de werkzaamheden en standplaats van de verzoekster waren gewijzigd en dat de concessie was opgesplitst, waardoor de situatie niet gelijk was aan een voortzetting bij dezelfde werkgever. Het beroep op het proeftijdbeding was daarom geldig en de opzegging rechtsgeldig. De verzoeken tot vernietiging van de opzegging, wedertewerkstelling en vergoeding werden afgewezen. De verzoekster had recht op een transitievergoeding, die reeds was betaald.

De kantonrechter veroordeelde de verzoekster in de proceskosten en wees het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en voorlopige voorziening af. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.

Uitkomst: Het proeftijdbeding is geldig en de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Connexxion wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12133020 \ UE VERZ 26-100
Beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. S.C.L. Thoolen,
tegen
CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,
gevestigd te Hilversum,
verwerende partij,
hierna te noemen: Connexxion,
gemachtigde: mr. C.M. van der Velden-Rijnsburger.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
  • verzoekschrift van [verzoekster] ,
  • verweerschrift van Connexxion,
  • nagekomen productie van [verzoekster] ,
  • nagekomen producties van Connexxion.
1.2
Op 30 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1
[verzoekster] is sinds 14 december 2025 in dienst bij Connexxion als Chauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 7 januari 2026 heeft Connexxion de arbeidsovereenkomst opgezegd met verwijzing naar het proeftijdbeding in de arbeidsovereenkomst. [verzoekster] verzoekt vernietiging van de opzegging, want volgens [verzoekster] is het proeftijdbeding nietig. De kantonrechter is het daar niet mee eens en wijst het verzoek af.

3.De beoordeling

3.1
De kantonrechter oordeelt dat het proeftijdbeding geldig is en dat de opzegging daarom stand houdt. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Achtergrond
3.2
Connexxion verzorgt het openbaar vervoer in 10 vervoersgebieden (concessies) in Nederland. Een concessie is een door de overheid verleende vergunning om een bepaalde activiteit, in dit geval openbaar vervoer, te mogen uitvoeren in een bepaald gebied.
3.3
In de periode 2013 tot 2025 was Qbuzz actief in de Regio Utrecht onder de merknaam U-OV. Sinds 14 december 2025 is de concessie Regio Utrecht gewijzigd en opgesplitst. Met ingang van die datum is het openbaar vervoer in de provincie Utrecht ondergebracht in twee afzonderlijke concessies, te weten Utrecht Binnen en Utrecht Buiten. De concessie Utrecht Binnen is met ingang van 14 december 2025 gegund aan Transdev Nederland Mobility Services N.V., waar Connexxion deel van uitmaakt. Deze concessie omvat het openbaar vervoer binnen de stad Utrecht en de direct omliggende gemeenten, waaronder Nieuwengein, Zeist, De Bilt, IJsselstein en Houten. De werkzaamheden binnen de concessie Utrecht Binnen worden uitgevoerd door werknemers die in dienst zijn van Connexxion of door Connexxion worden ingehuurd.
3.4
Vanwege de concessiewissel per 14 december 2025 is personeel van Qbuzz overgegaan naar Connexxion (en Keolis voor de concessie Utrecht Buiten). Deze personele overgang is publiekrechtelijk geregeld, meer specifiek in artikel 38 Wet Pro personenvervoer 2000, op grond waarvan de werknemers van rechtswege overgaan naar de nieuwe concessiehouder. Uitzendkrachten, die formeel in dienst zijn bij de uitzendonderneming en door de voormalige concessiehouder werden ingeleend, vallen niet onder het bereik van deze bepaling en zijn niet van rechtswege in dienst getreden bij Connexxion. Omdat Connexxion gebruikmaakt van uitzendkrachten, is goed mogelijk dat de uitzendkrachten die voorheen werden uitgeleend aan Qbuzz vanaf 14 december 2025 worden uitgeleend aan Connexxion.
3.5
[verzoekster] was in de periode 16 september 2024 tot 14 december 2025 werkzaam als uitzendkracht bij Consolid Openbaar Vervoer B.V. (hierna ‘ Consolid ’). Zij werd uitgeleend aan Qbuzz als Buschauffeur werving & Selectie. Zij verrichtte chauffeursdiensten vanaf de stalling [locatie 1] . Als uitzendkracht had zij geen vaste arbeidsomvang en geen vast salaris. Omdat [verzoekster] behoefte had aan meer vastigheid, heeft zij op eigen initiatief gesolliciteerd bij Connexxion. Op 26 november 2025 heeft zij een sollicitatiegesprek gehad met de heer [A] (destijds [functie] ). [verzoekster] is aangenomen door Connexxion en op 14 december 2025 gestart in de functie van Chauffeur op de stalling [locatie 2] te Utrecht. Artikel 2 van Pro de arbeidsovereenkomst bevat een proeftijd van één maand.
3.6
[verzoekster] heeft ermee ingestemd dat haar werkzaamheden zouden aanvangen vanaf de stalling [locatie 2] , maar zij wilde liever werken vanaf de stalling [locatie 3] . De stalling [locatie 3] is dichter bij haar huis. Dit is in het sollicitatiegesprek besproken en is na de start van het dienstverband een gespreksonderwerp gebleven. De afstand van haar huis naar de stalling [locatie 2] bleek, zoals [verzoekster] al had verwacht, namelijk te ver om naartoe te rijden met de elektrische scooter. En ander vervoer leverde problemen op, vanwege files en de roosterindeling. Het rooster was een probleem, omdat het mix-rooster vanaf de stalling [locatie 2] lastig combineren was met de zorg voor haar kinderen. Daarnaast verliep de start van de concessie door Connexxion rommelig, waardoor onder andere laat werd gecommuniceerd over diensten. [verzoekster] hoopte daarom dat zij kon worden overgeplaatst naar de stalling [locatie 3] , maar dat bleek niet mogelijk op korte termijn.
3.7
[verzoekster] heeft in de eerste weken van haar dienstverband regelmatig haar frustraties geuit richting haar leidinggevenden via de mail. Zo schrijft ze op 28 december 2025 een uitgebreide mail met alles wat zich in de eerste weken heeft voorgedaan en sluit zij af met het volgende: “
Uitzendkrachten zijn neergezet op [locatie 1] . En daar had ik als uitzendkracht ook terecht gekomen. En dat was veel beter geweest voor mij. Maar toch nam ik de keuze voor vastigheid. En daar heb ik op deze manier zeker spijt van helaas. Ik hoop op beterschap in de toekomst.
3.8
Op 4 januari 2026 stuurt haar teamleider bij Connexxion een reactie per mail, waarin staat dat Connexxion haar situatie serieus neemt. [verzoekster] wordt uitgenodigd voor een gesprek op 6 januari 2026 om samen met haar de situatie te bespreken. In dat gesprek zou dan ook aan de orde komen wat de mogelijkheden en realistische termijn zouden zijn voor een overplaatsing. Op 6 januari 2026 vond het gesprek plaats. Daarin is niet inhoudelijk over de samenwerking gesproken, maar is [verzoekster] meteen aangezegd dat Connexxion de arbeidsovereenkomst ging beëindigen met een beroep op de proeftijd.
3.9
Op 7 januari 2026 heeft Connexxion de arbeidsovereenkomst opgezegd met een beroep op het proeftijdbeding. Een overplaatsing naar [locatie 3] op korte termijn was op dat moment niet voorzienbaar, en bij Connexxion was het inzicht ontstaan dat het werken vanaf stalling [locatie 2] binnen het afgesproken mix-rooster geen toereikende basis vormde voor voortzetting van de arbeidsovereenkomst. [verzoekster] heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de opzegging.
verzoeken [verzoekster]
3.1
[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat sprake is van opvolgend werkgeverschap zoals bedoeld in artikel 7:652 lid 6 sub c Burgerlijk Pro Wetboek (hierna ‘BW’) en dat het proeftijdbeding daarom niet geldig is.
3.11
[verzoekster] verzoekt primair vernietiging van de opzegging (ex artikel 7:681 BW Pro) en doorbetaling van loon. Ook verzoekt zij wedertewerkstelling op de stalling [locatie 2] in het mixrooster. Subsidiair, voor het geval het primaire verzoek door [verzoekster] wordt ingetrokken, verzoekt [verzoekster] betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding. Meer subsidiair, voor het geval de opzegging tijdens de proeftijd wel geldig was, verzoekt [verzoekster] betaling van de transitievergoeding.
3.12
Daarnaast verzoekt [verzoekster] een voorlopige voorziening voor de duur van de procedure, bestaande uit wedertewerkstelling en loon vanaf 8 januari 2026.
3.13
Tot slot verzoekt [verzoekster] betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en een proceskostenveroordeling.
Proeftijdbeding bij opvolgend werkgeverschap
3.14
Artikel 7:652 BW Pro bevat de eisen waaraan een proeftijdbeding moet voldoen om rechtsgeldig te zijn. Lid 6 sub c van dat artikel bepaalt dat geen proeftijd kan worden overeengekomen indien de arbeidsovereenkomst een opvolgende arbeidsovereenkomst betreft tussen een werknemer en een andere werkgever die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet worden de opvolger van de vorige werkgever te zijn. Elk beding in strijd met artikel 7:652 BW Pro is nietig, zo volgt uit lid 8.
3.15
Artikel 7:652 lid 6 sub c is Pro de codificatie (vastlegging in de wet) van jurisprudentie van de Hoge Raad over de geldigheid van een proeftijdbeding bij opvolgend werkgeverschap. Deze ‘proeftijdjurisprudentie’ is ontwikkeld door de Hoge Raad in de arresten [onderneming 1] / [achternaam 1] [1] en [achternaam 2] / [achternaam 3] [2] . In het arrest [onderneming 1] / [achternaam 1] ging het om een nieuwe arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever en in het arrest [achternaam 2] / [achternaam 3] ging het om een andere werkgever, maar wel gelieerde onderneming met dezelfde directie.
3.16
De maatstaf die door de Hoge Raad is ontwikkeld houdt in dat een werkgever in de regel ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze als opvolger van de vorige werkgever kan worden beschouwd, indien
  • de nieuwe arbeidsovereenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist als de vorige arbeidsovereenkomst, en
  • tussen de nieuwe en vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de vorige werkgever op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever.
3.17
De gedachte hierachter is dat geen misbruik mag worden gemaakt van de proeftijd. De proeftijd is bedoeld als onderzoeksperiode, voordat partijen voor de toekomst aan elkaar verbonden zijn. In de onderzoeksperiode kan de werkgever zich ‘proefondervindelijk’ op de hoogte stellen van de geschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de arbeid. [3] Als de relatie tussen de beide werkgevers zodanig is dat het inzicht in de geschiktheid van de werknemer verkregen bij de vorige werkgever kan worden toegerekend aan de nieuwe werkgever, mag geen nieuwe proeftijd worden bedongen. Voorkomen moet worden dat wordt ‘geschoven’ met de werknemer, terwijl in de praktijk niets verandert, met als doel een beroep te kunnen doen op de proeftijd om zo de ontslagbescherming van de werknemer te omzeilen. Voor uitzendkrachten die bij de inlener in dienst treden geldt overigens een andere maatstaf, maar wel met dezelfde beschermingsgedachte. [4]
3.18
In het arrest [achternaam 5] / [achternaam 6] [5] heeft de Hoge Raad vervolgens geoordeeld dat bij de uitleg van het begrip ‘opvolgend werkgeverschap’ in artikel 7:668a lid 2 BW (de ketenregeling) aansluiting moet worden gezocht bij de jurisprudentie over de geldigheid van een proeftijdbeding bij opvolgend werkgeverschap. Volgens de Hoge Raad gaat het immers om dezelfde belangenafweging als in het [achternaam 2] / [achternaam 3] -arrest. In het [achternaam 5] / [achternaam 6] arrest overwoog de Hoge Raad: “
Eveneens terecht heeft het hof geoordeeld dat het feit dat [achternaam 6] en Connexxion niets anders met elkaar van doen hebben dan dat zij elkaars concurrent zijn, aan toepasselijkheid van deze bepaling in de weg staat, nu is gesteld noch gebleken dat [achternaam 6] langs andere weg inzicht had in de hoedanigheden en geschiktheid van [achternaam 5] , of dat [achternaam 6] in enig opzicht heeft getracht misbruik te maken van het identiteitsverschil tussen haarzelf en Connexxion.”.
3.19
Bij inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (hierna ‘WWZ’) is afstand genomen van het arrest [achternaam 5] / [achternaam 6] . De regering vond dat met de uitleg uit het arrest [achternaam 5] / [achternaam 6] een te beperkte invulling wordt gegeven aan het begrip ‘opvolgend werkgeverschap’. [6] De tekst van artikel 7:668a lid 2 bevat sinds de invoering van de WWZ de toevoeging ‘ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer’. Deze zin komt ook voor in andere wetsartikelen waar opvolgend werkgeverschap een rol speelt. [7] Maar, opvolgend werkgeverschap is altijd verbonden aan een andere – specifieke – regel en staat dus niet op zichzelf. De tekst van artikel 7:652 lid 6 sub c BW Pro, waar het in deze zaak om gaat, bevat niet de zin ‘ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer’. Voor de beoordeling van de geldigheid van een proeftijdbeding blijft de maatstaf uit de proeftijdjurisprudentie en het arrest [achternaam 5] / [achternaam 6] (waaronder het ‘zodanige banden criterium’) wel van toepassing. Dat is namelijk bevestigd door de wetgever in de parlementaire geschiedenis van de WWZ. [8]
3.2
Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een uniform begrip ‘opvolgend werkgeverschap’ en dat voor de proeftijd het ‘zodanige banden’ criterium wel nog van belang is.
3.21
De kantonrechter acht het overigens nauwelijks voorstelbaar dat het de bedoeling van de wetgever is geweest, een situatie te laten ontstaan waar wél sprake is van een opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW, waardoor bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat, maar waarbij die bescherming vervolgens teniet kan worden gedaan door een geldig proeftijdontslag, omdat tussen de oude en de nieuwe werkgever geen ‘zodanige banden’ bestaan. In dat geval is de bescherming van artikel 7:668a lid 2 BW immers een lege huls. Deze situatie is nu niet aan de orde, maar zou in voorkomende gevallen misschien tot een ander afweging moeten leiden.
De situatie van [verzoekster] : geen sprake van opvolgend werkgeverschap
3.22
De kantonrechter is van oordeel dat, los van de vraag of sprake is van ‘zodanige banden’, in het geval van [verzoekster] géén sprake van opvolgend werkgeverschap. [verzoekster] heeft namelijk zelf haar arbeidsovereenkomst bij Consolid opgezegd en gesolliciteerd bij Connexxion. Volgens de wetgever is géén sprake van opvolgend werkgeverschap als de werknemer op eigen initiatief dezelfde arbeid bij een nieuwe werkgever gaat verrichten. [9]
3.23
Daar komt bij dat ook geen sprake is van ‘zodanige banden’, want [verzoekster] was eerst werkzaam bij Consolid en vervolgens bij Connexxion. Consolid en Connexxion hebben niets met elkaar van doen, behalve dat Connexxion ook uitzendkrachten inleent van Consolid , net als Qbuzz. Dat laatste is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om ‘zodanige banden’ aan te nemen.
3.24
Ook is niet gebleken dat [verzoekster] precies dezelfde werkzaamheden heeft voortgezet. Haar standplaats is gewijzigd en ook de concessie is niet één-op-één overgegaan, want de lijnen zijn veranderd en het werkgebied is gesplitst.
Geldig proeftijdontslag
3.25
Het voorgaande betekent dat het proeftijdontslag geldig is.
3.26
Niet gesteld of gebleken is dat Connexxion op oneigenlijke gronden een beroep heeft gedaan op het proeftijdbeding. Connexxion heeft weliswaar de indruk gewekt bij [verzoekster] dat zij met haar verder wilde en haar situatie, die voor veel frustratie zorgde, zou proberen op te lossen, maar dit staat een geldig proeftijdontslag niet in de weg.
3.27
De kantonrechter merkt nog op dat als [verzoekster] bij Consolid in dienst was gebleven, dat zij waarschijnlijk nu nog steeds voor Connexxion had gewerkt, maar dan als uitzendkracht. Uitzendkrachten gaan weliswaar niet automatisch mee over bij een concessiewissel, maar tijdens de mondelinge behandeling verklaarde Connexxion dat ook zij gebruikmaakt van de uitzendkrachten die Consolid ter beschikking stelt. [verzoekster] is zich waarschijnlijk niet bewust geweest van de risico’s die zij is aangegaan door zelf te solliciteren bij Connexxion en een proeftijdbeding te accepteren. Daar komt bij dat snel na het proeftijdontslag van [verzoekster] Connexxion een vacature bleek te hebben voor een functie als buschauffeur in [locatie 3] , en [verzoekster] niets liever wil dan werken als buschauffeur in [locatie 3] . Als die standplaats vanaf het begin beschikbaar was geweest, dan had [verzoekster] waarschijnlijk minder frustraties gehad en geuit richting Connexxion. De kantonrechter acht de kans aanwezig dat er dan geen beroep was gedaan op de proeftijd. Kortom, het zit [verzoekster] niet mee.
3.28
Hoe dan ook, Connexxion mocht in dit geval een beroep doen op de proeftijd, waardoor de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Het primaire verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen, want van een situatie zoals bedoeld in artikel 7:681 BW Pro is geen sprake. Dit betekent dat ook de subsidiaire verzoeken van [verzoekster] , onder andere betaling van een billijke vergoeding, moeten worden afgewezen, want die zijn ook gegrond op dat wetsartikel, althans een ongeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst.
[verzoekster] heeft wel recht op een transitievergoeding, maar die is al betaald
3.29
Omdat de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd, heeft [verzoekster] wel recht op een transitievergoeding. [verzoekster] verzoekt meer subsidiair (voor als het proeftijdbeding wel geldig was) betaling van een transitievergoeding van € 60,23 bruto. Uit de door Connexxion overgelegde eindafrekening blijkt dat de transitievergoeding is betaald bij de salarisronde in april 2026. [verzoekster] heeft daarom geen belang meer bij toewijzing van haar meer subsidiaire verzoek, dus dat verzoek wordt afgewezen.
Connexxion hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden
3.3
[verzoekster] verzoekt vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Omdat de verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen, wordt ook het verzoek tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Ook het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen
3.31
Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Maar, deze procedure is al geëindigd doordat in deze beschikking een beslissing wordt genomen op de verzoeken van [verzoekster] [10] .
[verzoekster] moet de proceskosten betalen
3.32
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat [verzoekster] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Connexxion worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
wijst het verzoek tot vernietiging van de opzegging af,
4.2
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 4.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad [11] ,
4.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
SB5790

Voetnoten

1.HR 14 september 1984, NJ 1985/244 ( [onderneming 1] / [achternaam 1] )
2.HR 24 oktober 1986, NJ 1987/293 ( [achternaam 2] / [achternaam 3] )
3.HR 27 juni 1952, NJ 1952, 488
4.HR 13 september 1991, NJ 1992/130 ( [achternaam 4] / [onderneming 2] )
5.HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, JAR 2012/150 ( [achternaam 5] / [achternaam 6] ).
6.Kamerstukken II 2013/14, 33818, 7, p. 23 (NV II).
7.artikel 7:628a lid 7 BW, artikel 7:667 lid 5 BW Pro en artikel 7:673 lid 4 sub b BW Pro.
8.Kamerstukken II 2013/14, 33818, 7, p. 26 (NV II) waar wordt verwezen naar het [achternaam 5] / [achternaam 6] -arrest, en zie HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905, r.o. 3.8.1. waarin staat dat het ‘zodanige banden criterium’ niet meer geldt als maatstaf voor opvolgend werkgeverschap bij de ketenregeling, de zogenoemde Ragetlie-regel en voor de berekening van de transitievergoeding. De Hoge Raad noemt hier niet de proeftijd, waaruit kan worden afgeleid dat het criterium nog wel geldt als maatstaf voor opvolgend werkgeverschap bij de proeftijd.
9.Kamerstukken II 2013/14, 33818, 8, p. 14-15 (nota van wijziging).
10.Artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
11.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.