ECLI:NL:RBMNE:2026:2873

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/825
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 GemeentewetArt. 120 GrondwetArt. 1 GrondwetArt. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 14 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag forensenbelasting wegens gebrekkige motivering en onzorgvuldige voorbereiding

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de aanslag forensenbelasting 2023, omdat zij menen dat de Verordening forensenbelasting 2023 leidt tot een onredelijke verhoging en schending van diverse algemene rechtsbeginselen zoals het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, het willekeurverbod, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Tevens stellen zij dat de gemeente een ander doel nastreeft dan waarvoor de forensenbelasting is bedoeld.

De rechtbank oordeelt dat artikel 223 van Pro de Gemeentewet geen beperking stelt aan de hoogte van de forensenbelasting en dat het onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Wel is vastgesteld dat de voorbereiding en motivering van het vervallen van het maximumbedrag van € 3.000,- in de Verordening onvoldoende zijn, waardoor niet kan worden beoordeeld of dit voorschrift in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank laat het voorschrift over het vervallen van het maximumbedrag buiten toepassing voor eisers en vermindert de aanslag forensenbelasting 2023 tot het tarief inclusief de maximering van € 3.000,- zoals dat gold in het voorgaande jaar. Tevens wordt het griffierecht aan eisers vergoed.

Uitkomst: De aanslag forensenbelasting 2023 wordt verminderd tot het tarief inclusief maximering van € 3.000,- vanwege gebrekkige motivering en onzorgvuldige voorbereiding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/825

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] en [eiser] uit [plaats] , eisers,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Wijdemeren, verweerder

(gemachtigden: B.A. Schras en A. Bruijns).

Inleiding

1. Met het besluit van 24 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar voor het belastingjaar 2023 een aanslag forensenbelasting opgelegd [1] , voor het belastingobject [adres] in [plaats] , ter hoogte van € 3.572,10.
2. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar met de uitspraak op bezwaar van 18 december 2024 (de bestreden uitspraak op bezwaar) ongegrond verklaard.
3. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers en de gemachtigden van de heffingsambtenaar deelgenomen.

Het geschil

5. Eisers vinden dat de aanslag niet in stand kan blijven, omdat de Verordening forensenbelasting 2023 (de Verordening) waar die aanslag op is gebaseerd een onredelijke verhoging inhoudt van de forensenbelasting ten opzichte van de voorheen geldende heffingssystematiek. Eisers stellen dat met deze verhoging het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, het willekeurverbod, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel worden geschonden. Ook stellen eisers dat de gemeente met de heffing een ander doel nastreeft dan waar de forensenbelasting voor bedoeld is. Verder is in de bestreden uitspraak niet ingegaan op hun bezwaren, zodat het beroep volgens eisers ook om die reden in strijd is met het motiveringsbeginsel.
6. Volgens de heffingsambtenaar is de Verordening niet in strijd met de door eisers genoemde algemene rechtsbeginselen en wordt de forensenbelasting ook niet geheven voor een ongeoorloofd doel. De heffingsambtenaar blijft dan ook bij de bestreden uitspraak op bezwaar.

Beoordeling door de rechtbank

7. Uit artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet volgt – voor zover hier van belang – dat gemeenten een forensenbelasting kunnen heffen “van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden”.
8. De gemeente Wijdemeren heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt met de Verordening forensenbelasting Wijdemeren
.In de Verordening forensenbelasting 2021 was de heffingssystematiek nog gebaseerd op een vast bedrag per WOZ-waardeklasse. In de Verordening forensenbelasting 2022 is de heffingssystematiek aangepast, in die zin dat forensenbelasting niet langer werd geheven naar een vast bedrag maar naar een vast percentage van 0,25% over de WOZ-waarde, met een minimum van € 350,- en een maximumbedrag van € 3.000,-. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat dit onderdeel was van een breder financieel herstelplan voor de gemeente, in het kader waarvan meerdere gemeentelijke belastingen zijn herzien om de opbrengsten daaruit te verhogen en de begroting sluitend te kunnen krijgen.
9. In artikel 4, tweede lid, van de Verordening forensenbelasting 2023 is voor het belastingjaar 2023 het voor het voorgaande jaar gehanteerde tarief van 0,25% verhoogd naar 0,27% en is het maximumbedrag van € 3.000,- komen te vervallen. Het is deze bepaling waarop de aanslag is gebaseerd die in de bestreden uitspraak op bezwaar in stand is gelaten. Daartegen richt zich het beroep van eisers. Daar waar het betoog van eisers ziet op de aanpassing van de heffing over belastingjaar 2022 ten opzichte van belastingjaar 2021 als gevolg van de Verordening forensenbelasting 2022, overweegt de rechtbank dat zij daar niet over kan oordelen. Eisers hebben om hen moverende redenen geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar, waarin hun bezwaar tegen de aanslag forensenbelasting 2022 en de daarin vervatte verhoging ten opzichte van het voorgaande belastingjaar ongegrond is verklaard. Die verhoging in 2022 valt dan ook buiten de omvang van het geding. De rechtbank zal hier dan ook slechts oordelen over de aanslag forensenbelasting voor belastingjaar 2023 en de Verordening forensenbelasting 2023 waar die aanslag op gebaseerd is.
10. Met hun beroep verzoeken eisers in feite om een exceptieve toetsing van de bepaling uit artikel 4, tweede lid, van de Verordening forensenbelasting 2023 aan de in punt 5 hierboven genoemde algemene rechtsbeginselen. Het betoog dat met de Verordening de forensenbelasting met een ander doel wordt geheven dan waar forensenbelasting voor bedoeld is, begrijpt de rechtbank zo dat eisers vinden dat de Verordening ook in strijd is met artikel 223 van Pro de Gemeentewet. Daarop zal de rechtbank hieronder als eerste ingaan.
Verordening in strijd met artikel 223 Gemeentewet Pro?
11. Eisers stellen dat de wettelijke grondslag voor de forensenbelasting is gelegen in het gebruik van gemeentelijke voorzieningen door niet-ingezetenen, ook omdat gemeentes voor niet-ingezetenen geen bijdrage uit het gemeentefonds ontvangen. Met de aanpassing van de systematiek en de uitzonderlijke verhoging die als gevolg hiervan is opgetreden is echter een ander doel nagestreefd dan waar de wettelijke grondslag in voorziet, namelijk het aanpakken van het begrotingstekort. De rechtbank begrijpt dit zo dat eisers daarmee verzoeken om artikel 4, tweede lid, van de Verordening forensenbelasting 2023 wegens strijd met artikel 223 Gemeentewet Pro onverbindend te verklaren of buiten toepassing te laten.
12. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat artikel 223 van Pro de Gemeentewet geen grenzen stelt aan de hoogte van de tariefstelling. [2] Het betoog van eisers gaat er in feite van uit dat de tariefstelling voor de forensenbelasting in een bepaalde verhouding moet staan tot het voordeel dat eisers hebben van de gemeentelijke voorzieningen waar zij als niet-ingezetenen gebruik van maken. Die opvatting is onjuist. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat uit artikel 223 van Pro de Gemeentewet niet kan worden afgeleid dat er een verband dient te bestaan tussen het voordeel dat de niet-ingezetene heeft van gemeentelijke voorzieningen en het bedrag van de door die niet-ingezetene verschuldigde forensenbelasting. [3] Uit artikel 223 Gemeentewet Pro kan ook niet worden afgeleid dat de aan een belastingplichtige opgelegde forensenbelasting niet hoger mag zijn dan het bedrag aan inkomsten dat de gemeente misloopt omdat zij voor niet-ingezetenen geen bijdrage uit het gemeentefonds ontvangt, zoals eisers voorstaan. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun standpunt dat de Verordening in strijd is met artikel 223 van Pro de Gemeentewet omdat forensenbelasting wordt geheven voor een ander doel dan waar het voor is bedoeld. De beroepsgrond kan dus niet slagen.
Verordening in strijd met algemene rechtsbeginselen?
13. Eisers vinden dat de heffingssystematiek van de Verordening leidt tot een onredelijke verhoging van de forensenbelasting. Eisers stellen dat de op de Verordening gebaseerde heffing meer dan drie keer zo hoog is als voor vergelijkbare woningen en dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Verder voeren eisers in dat verband aan dat de nadelige gevolgen van de verhoging van de forensenbelasting voor hen niet zijn meegewogen en onevenredig zijn in verhouding tot de met de wijziging van de heffingssystematiek te dienen doelen. Gelet daarop is sprake van schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, het willekeurverbod en het
evenredigheidsbeginsel, zo stellen eisers.
14. De rechtbank stelt voorop dat uit de rechtspraak van Hoge Raad volgt dat de vraag of een regeling leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, geen zelfstandige toetsingsmaatstaf is voor de beoordeling of een regeling in een belastingverordening onverbindend is of buiten toepassing moet worden gelaten. [4] De rechtbank zal daarom niet afzonderlijk aan het willekeurverbod toetsen.
15. Voor wat betreft het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel begrijpt de rechtbank dit zo, dat zij daarbij doelen op het onderscheid dat wordt gemaakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen van de gemeente Wijdemeren, in die zin dat alleen niet-ingezetenen zoals eisers forensenbelasting betalen bovenop de OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing. Voor zover eisers willen betogen dat om die reden artikel 4, tweede lid, van de Verordening buiten toepassing moet worden gelaten, volgt de rechtbank eisers daarin niet. Het onderscheid dat in de Verordening wordt gemaakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, stemt overeen met het onderscheid dat in de Gemeentewet wordt gemaakt. Artikel 223 van Pro de Gemeentewet biedt immers alleen ten aanzien van die laatstgenoemde groep belastingplichtigen de mogelijkheid om (naast OZB en naast andere gemeentelijke belastingen) forensenbelasting te heffen. Daarbij is geen beperking gesteld aan hoe de tariefstelling voor elk van deze afzonderlijke belastingen zich tot elkaar zouden moeten verhouden.
16. Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat artikel 223 van Pro de Gemeentewet daarmee zelf in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, geldt het volgende. De Gemeentewet is een wet in formele zin. Gelet op het bepaalde in artikel 120 van Pro de Grondwet kan dit onderscheid daarom niet worden getoetst aan het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 1 van Pro de Grondwet. Wel kan het onderscheid worden getoetst aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van de vraag of het in de Gemeentewet gemaakte onderscheid strijd met het gelijkheidsbeginsel oplevert allereerst van belang is of uitgegaan kan worden van gelijke gevallen. Dit laatste wordt niet aangenomen indien er relevante verschillen zijn. In dit kader is van belang dat het om verschillende gemeentelijke heffingen gaat voor verschillende groepen belastingplichtigen. Bovendien staat tussen partijen niet ter discussie dat de gemeente voor niet-ingezetenen geen financiële bijdrage krijgt uit het gemeentefonds, maar wel voor ingezetenen. Gelet daarop zijn er naar het oordeel van de rechtbank relevante verschillen tussen beide groepen belastingplichtigen, en is van gelijke gevallen geen sprake. Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat het hanteren van een veel hoger tarief voor de forensenbelasting dan voor de OZB in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat betoog dan ook niet.
17. Hetzelfde geldt voor het beroep op het evenredigheidsbeginsel, voor zover eisers daarbij doelen op de verhouding tussen de hoogte van de forensenbelasting en de OZB. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen dienen beide gemeentelijke belastingen afzonderlijk te worden beoordeeld.
18. Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat de hoogte van het forensenbelastingtarief voor 2023 op zichzelf in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, geldt het volgende. In zijn arrest van 13 september 2024 heeft de Hoge Raad overwogen dat als de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, de rechter in de eerste plaats moet onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen. [5]
19. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de afschaffing van de maximering een bewuste keuze van de gemeenteraad is geweest. Hij verwijst in dat verband naar het Coalitieakkoord-plus van 8 juni 2022 en het Raadsvoorstel bij de belastingverordeningen 2023 van 15 november 2022, p. 5 punt h. De rechtbank stelt vast dat in die stukken inderdaad het verhogen van het tarief en het vervallen van het maximumbedrag worden genoemd. Uit die stukken valt echter niet op te maken dat de gemeenteraad de negatieve gevolgen van die lastenverzwaring voor de bestaande eigenaren van tweede woningen, heeft afgewogen tegen het belang van de gemeente om die maximering te laten vervallen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting wel aangegeven dat de belangen van de betrokken belastingplichtigen zijn meegewogen, maar heeft niet kunnen aanduiden waar in de stukken van die afweging blijkt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er geen stukken zijn waarin een kenbare afweging van belangen in het kader van het vervallen van het maximumbedrag tot uitdrukking komt. Gelet op het hiervoor in punt 18 weergegeven toetsingskader, moet daarom worden aangenomen dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het voorschrift waarin het maximumbedrag is komen te vervallen. Dat gebrek maakt dat niet beoordeeld kan worden of het desbetreffende voorschrift in de Verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de negatieve gevolgen van het vervallen van het maximumbedrag zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn. In het geval van eisers betekent het wegvallen van dat maximumbedrag immers dat zij € 3.572,10 in plaats van € 3.000,- aan forensenbelasting dienen te betalen. Dat behelst een lastenverzwaring van ruim 19% ten opzichte van het voorgaande jaar, toen het maximumbedrag nog wel gold. Dat zijn naar het oordeel van de rechtbank geen beperkte gevolgen zoals bedoeld in de hierboven genoemde rechtspraak van de Hoge Raad. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat artikel 4, tweede lid, van de Verordening, waarin de voorheen geldende maximering op € 3.000,- is komen te vervallen, ten aanzien van eisers buiten toepassing dient te blijven. De beroepsgrond slaagt.
Motivering uitspraak op bezwaar
20. Nu het beroep van eisers gelet op het voorgaande slaagt en de bestreden uitspraak op bezwaar al om die reden moet worden vernietigd, behoeft de beroepsgrond van eisers dat de bestreden uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is gegrond. Het voorschrift uit artikel 4, tweede lid, van de Verordening blijft ten aanzien van eisers buiten toepassing vanwege een onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering. Dat brengt mee dat ook artikel 9 van Pro de Verordening, waarbij de tot dan toe geldende Verordening forensenbelasting 2022 is ingetrokken, in zoverre buiten toepassing dient te blijven. [6] Als gevolg daarvan blijft het direct voorafgaand aan 2023 geldende tarief (dus inclusief de maximering op € 3.000,-) op eisers van toepassing. De rechtbank zal de aanslag dienovereenkomstig verminderen. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de voor het jaar 2023 aan eisers opgelegde aanslag forensenbelasting tot een aanslag berekend naar het direct voorafgaand aan 2023 geldende tarief inclusief maximering, dus € 3.000,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Vermeer, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 223 van Pro de Gemeentewet en de Verordening forensenbelasting 2023.
2.Hoge Raad 4 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:648, r.o. 4.2.
3.Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, r.o. 4.2.
4.Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, rov. 4.1.3.
5.Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, r.o. 4.4.1 en 4.4.2.
6.Vgl. Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, r.o. 5.2.