Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2870

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
610776 HA RK 26-82
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.1 Wrakingsprotocol Rechtbank Midden-NederlandArt. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 6:22 AwbArt. 2.1.5 Wrakingsprotocol Rechtbank Midden-Nederland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening en onjuiste wrakingsgrond

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de gehele wrakingskamer en specifieke bestuursrechters, waaronder de behandelend rechter in een bestuursrechtelijke hoofdzaak. Het verzoek richtte zich onder meer op het toestaan van een te laat ingediend verweerschrift, wat volgens verzoeker misbruik van procesrecht inhoudt.

De wrakingskamer stelde het verzoek buiten behandeling omdat het niet voldeed aan de eisen van artikel 2.1.1 van het wrakingsprotocol en omdat het verzoek algemeen was geformuleerd zonder concrete feiten die onpartijdigheid aantonen. Daarnaast was het wrakingsverzoek bijna zes weken na de zitting ingediend, wat volgens de Awb te laat is.

Verzoekers argumenten over de toepassing van artikel 6:22 Awb Pro en de werkwijze van bestuursrechters werden niet inhoudelijk behandeld vanwege de niet-ontvankelijkheid. Ook het wraken van andere rechters en griffiers werd afgewezen omdat alleen de behandelend rechter kan worden gewraakt en griffiers niet.

De wrakingskamer besloot verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren en de procedure in de hoofdzaak voort te zetten zoals die was opgeschort vanwege het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 610776 HA RK 26-82
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 26 mei 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 26 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is op 12 mei 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek op voorhand de hele wrakingskamer gewraakt. In plaats van dat collega-rechters van dezelfde rechtbank een oordeel vellen over de onpartijdigheid van een collega, moet een externe wrakingscommissie dat doen volgens verzoeker.
2.2.
Daarnaast richt het wrakingsverzoek zich tegen alle bestuursrechters en griffiers van de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank die betrokken zijn (geraakt) bij de zaken tussen de gemeente Utrecht als bestuursorgaan en verzoeker. In het bijzonder is het verzoek gericht tegen mr. Van Es-De Vries (hierna: de rechter) als de behandelend rechter in de zaak met nummer UTR 25/5037 (hierna: de hoofdzaak).
2.3.
Verzoeker heeft de rechter gewraakt, omdat zij tijdens de zitting van 18 maart 2026 een verweerschrift met bijlagen heeft toegestaan dat buiten de zogenoemde tien dagen termijn is ingediend door het bestuursorgaan. Daardoor was het voor verzoeker onmogelijk om op tijd te reageren op het verweerschrift. De rechter heeft hiermee misbruik van procesrecht gefaciliteerd en de rechten van verzoeker onvoldoende beschermd. De rechter heeft ook in een andere zaak van verzoeker een te laat ingediend verweerschrift toegestaan.
2.4.
Verder heeft verzoeker in het wrakingsverzoek aangevoerd dat bestuursrechters ten onrechte toepassing geven aan artikel 6:22 van Pro de Awb om het achterwege laten van een hoorzitting in de bezwaarfase te repareren. Ook toetsen bestuursrechters ten onrechte marginaal en worden er te weinig deskundigen benoemd door bestuursrechters.
2.5.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Volgens de rechter heeft verzoeker op de zitting van 18 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen het meenemen van het verweerschrift in de hoofdzaak. Op de zitting heeft de rechter besloten om het verweerschrift en bijlagen, op één bijlage na, toe te laten in de procedure. Voorafgaand aan de zitting heeft verzoeker voldoende tijd gehad om het verweerschrift en de toegelaten bijlagen te lezen. De bijlagen waren stukken die verzoeker al kende. Verzoeker heeft aangegeven dat hij het daar niet mee eens was. De behandeling van de zitting is even geschorst, zodat verzoeker met zijn gemachtigde kon overleggen. Na de schorsing bleef verzoeker moeite houden met de beslissing van de rechter over het verweerschrift, maar hij heeft daar op zitting geen consequenties aan verbonden. De rechter is vervolgens verdergegaan met de behandeling van de zaak en heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

3.De beoordeling

De wraking van de wrakingskamer
3.1.
De wrakingskamer heeft tijdens de zitting op 12 mei 2026 het wrakingsverzoek dat is gericht tegen de wrakingskamer buiten behandeling gesteld. Het verzoek is niet aan te merken is als een wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 2.1.1. van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Het verzoek is namelijk algemeen geformuleerd en er worden geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de rechterlijke onpartijdigheid van de behandelde leden van de wrakingskamer schade zou kunnen leiden. De aangevoerde grond dat een externe wrakingskamer een oordeel zou moeten vellen, raakt namelijk de wrakingskamer in zijn geheel en ziet niet specifiek op het functioneren van de behandelende leden van de wrakingskamer. [1]
De verdere beoordeling
3.2.
In artikel 8:16, eerste lid, van de Awb staat dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden. [2]
3.3.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek tegen de rechter gebaseerd op omstandigheden die hebben plaatsgevonden tijdens de zitting van 18 maart 2026. Pas op 26 april 2026 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend. Dat is bijna zes weken later. Verzoeker heeft tijdens de zitting van 12 mei 2026 uitgelegd dat er veel zaken van hem lopen. Hij heeft een drukke agenda en moest naar eigen zeggen prioriteiten stellen. Verzoeker wilde ook eerst overleg met anderen voeren voordat hij conclusies kon trekken.
3.4.
Deze omstandigheden komen voor rekening van verzoeker en rechtvaardigen niet het tijdsverloop tussen de zitting in de hoofdzaak en de indiening van het wrakingsverzoek. Hij heeft zijn wrakingsverzoek dus te laat ingediend. Dit betekent dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek.
3.5.
Ook voor zover het wrakingsverzoek is gericht tegen andere rechters en/of de griffiers van de afdeling bestuursrecht, is verzoeker niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 8:15 van Pro de Awb kan alleen een met de behandeling van een specifieke zaak belaste rechter worden gewraakt. De andere rechters van de afdeling bestuursrecht zijn niet de behandelend rechter in de hoofdzaak en kunnen dus om die reden niet worden gewraakt. En griffiers kunnen überhaupt niet worden gewraakt. [3]

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer UTR 25/5037 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. I. Helmich en mr. C.A.J. van Yperen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
De griffier is verhinderd om deze
beslissing te ondertekenen.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie ter vergelijking de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3358.
2.Dit volgt ook uit artikel 2.1.5. van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank.
3.Zie ter vergelijking de uitspraak van de wrakingskamer van deze rechtbank van 17 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2342.