Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2845

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
12085098 \ UE VERZ 26-48
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 BWArt. 7:611 BWArt. 7:625 BWArt. 7:671b lid 9 BWArt. 7:686a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding na klokkenluidersmelding met toekenning billijke vergoeding

De werknemer, sinds 2020 in dienst bij IHub Service Centrum B.V., deed op 3 juni 2025 een klokkenluidersmelding over vermoedens van onjuiste financiële verslaglegging en mogelijke fraude. Na deze melding escaleerde de arbeidsverhouding, waarbij de werkgever zonder overleg een toeslag stopzette en een vaststellingsovereenkomst aanbood. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever onvoldoende bescherming bood zoals vereist door de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk).

De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond wegens een verstoorde arbeidsverhouding, terwijl de werknemer ook een cumulatiegrond aanvoerde. De kantonrechter stelt vast dat de verstoorde arbeidsverhouding pas na de klokkenluidersmelding is ontstaan en dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door direct aan te sturen op beëindiging en de toeslag eenzijdig stop te zetten.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juli 2026. De werknemer krijgt een transitievergoeding van €22.948,35 bruto, een billijke vergoeding van €160.000 bruto wegens ernstig verwijtbaar handelen, en een vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Tevens wordt de werkgever veroordeeld tot betaling van de toeslag met terugwerkende kracht, een correcte eindafrekening en proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juli 2026 met toekenning van een billijke vergoeding en transitievergoeding wegens benadeling na klokkenluidersmelding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12085098 \ UE VERZ 26-48
Beschikking van 15 mei 2026
in de zaak van
IHUB SERVICE CENTRUM B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: IHub,
gemachtigde: mr. J.C. Brökling,
tegen
[verweerder],
wonend te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. Faber/mr. K. van der Heijden.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van IHub met productie 1 tot en met 13,
- het verweerschrift van [verweerder] tevens houdende nevenvorderingen ex artikel 7:686a lid 3 BW met productie 1 tot en met 39,
- het verweerschrift op zelfstandige verzoeken van IHub met productie 14 tot en met 17,
- de akte wijziging van verzoek [verweerder] tevens houdende akte overlegging aanvullende producties met productie 40,
- de pleitnotities van beide partijen.
1.2
Op 10 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij werd IHub vertegenwoordigd door de heer [A] ( [functie 1] ) en mevrouw [B] ( [functie 2] ) met de gemachtigde mr. J.C. Brökling. [verweerder] is verschenen met zijn gemachtigde mr. K. van der Heijden (die mr. M. Faber heeft vervangen bij afwezigheid). Partijen hebben de standpunten toegelicht, op elkaar gereageerd en vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

Tussen partijen bestaat een arbeidsovereenkomst. Op 3 juni 2025 heeft [verweerder] bij zijn leidinggevende bij IHub het vermoeden van een maatschappelijke misstand als bedoeld in de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk) uitgesproken. Hij heeft daarnaast – in overleg met de externe vertrouwenspersoon – een zogenaamde klokkenluidersmelding gedaan bij het Huis voor de Klokkenluiders en, op basis van de interne klokkenluidersregeling van IHub, bij de Raad van Toezicht (RvT) van IHub. Hoewel er voorafgaand aan deze meldingen in geringe mate sprake was van irritaties over en weer, is pas na die meldingen de arbeidsverhouding zodanig ernstig verstoord geraakt dat een samenwerking tussen partijen, ook volgens partijen zelf, niet langer mogelijk is. De arbeidsovereenkomst wordt daarom per 1 juli 2025 op de g-grond ontbonden. Wel oordeelt de kantonrechter dat [verweerder] is benadeeld als bedoeld in de Wbk en moet IHub aan [verweerder] een billijke vergoeding en nog een aantal andere kosten betalen.

3.De achtergrond van de zaak

3.1
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1966, is sinds 1 december 2020 in dienst bij IHub. De functie van [verweerder] is [functie 3] met een loon van € 9.961,00 bruto per maand.
3.2
Op 15 juni 2023 is [verweerder] tijdelijk benoemd in de functie van [functie 4] . Hij ontving daarvoor een zogenaamde ZA-toelage van (laatstelijk) € 739,77 bruto per maand. De benoeming is een jaar later voortgezet. Na 31 mei 2025 heeft [verweerder] deze ZA toelage – zonder voorafgaand bericht - niet meer ontvangen.
3.3
Direct leidinggevende van [verweerder] was de heer [A] . Op 13 april 2025 heeft aan de hand van een schriftelijk rapport een zogenaamd reflectiegesprek plaatsgevonden. Tijdens dit reflectiegesprek tussen [A] en [verweerder] heeft [verweerder] aangegeven dat hij lekker in zijn vel zat bij IHub. [A] heeft aan het slot een zestal aandachtspunten opgesomd, waarvan er twee zien op het functioneren van [verweerder] , namelijk zijn manier van samenwerken en het effect daarvan op anderen.
3.4
Vervolgens hebben zich twee zaken voorgedaan tussen [A] en [verweerder] die van invloed zijn geweest op de onderlinge samenwerking. Het eerste incident betrof de rol van [verweerder] in het vertrek van één van de teamleiders aan wie hij leiding gaf. In het personeelsdossier van deze teamleider ontbraken de benodigde kopieën van de door hem behaalde diploma’s. [A] wist dat dit besproken zou worden maar had er bij [verweerder] op aangedrongen deze teamleider voor IHub te behouden. Tijdens het gesprek tussen [verweerder] en die teamleider is over de ontbrekende kopieën onenigheid ontstaan, waarna de betreffende teamleider zelf heeft aangegeven IHub te verlaten.
Op 29 april 2025 heeft [verweerder] , zonder daarover met [A] te overleggen en tijdens diens vakantie, de Raad van Bestuur rechtstreeks laten weten dat de planning van de jaarrekening niet gehaald zou worden. In de periode daaraan voorafgaand waren er strakke afspraken over deze planning gemaakt.
3.5
Op 27 mei 2026 heeft [verweerder] een melding gedaan bij de externe vertrouwenspersoon en daar aangegeven dat hij zich zorgen maakte over de wijze van financiële verslaglegging bij IHub en of dit wel op de correcte manier plaatsvond. Hij had het vermoeden dat er sprake was van een maatschappelijke misstand, omdat er niet op een integere manier aan financiële verslaglegging zou worden gedaan en er mogelijk sprake was van fraude.
3.6
Volgend op deze melding heeft [verweerder] dit vermoeden op 3 juni 2026 met [A] besproken. Hij heeft daarbij aangegeven dat in zijn ogen sprake was van het stelselmatig drukken van het resultaat over 2024 en dat afwisselend door de Raad van Bestuur (RvB), de [functie 3] en [A] als [functie 1] ideeën naar voren werden gebracht om het resultaat te drukken om zo meer externe financiering te kunnen krijgen. [verweerder] heeft aangegeven dat hij zich onder druk gezet voelde om daaraan mee te werken, terwijl hij dat voor zichzelf niet meer kon verantwoorden. [A] heeft de zorgen van [verweerder] in dat gesprek direct van de hand gewezen en gesteld dat hij de enige was die er zo over dacht. [verweerder] heeft een dag later in een mail van 4 juni 2025 de door hem geuite zorgen herhaald en zich ziek gemeld.
In hetzelfde gesprek heeft [A] [verweerder] aangesproken op zijn functioneren, in het bijzonder de rol van [verweerder] in het jaarrekeningtraject. Het handelen van [verweerder] zou hebben geleid tot een groot aantal controleverschillen. [A] heeft zijn verslag van dit gesprek op 16 juni 2025 in een e-mail aan [verweerder] gestuurd.
3.7
Op 6 juni 2025 heeft [verweerder] contact gehad met de bedrijfsarts. Die heeft een time-out van 2-3 weken geadviseerd en vervolgens een gesprek om weer nader tot elkaar te komen.
3.8
Op 10 juni 2025 heeft [verweerder] mondeling mededeling gedaan van het vermoeden van een misstand bij het Huis van Klokkenluiders. De dag erna, op 11 juni 2025, heeft hij die melding ook schriftelijk gedaan.
3.9
Op 12 juni 2025 heeft accountant [bedrijfsnaam] het eerste concept accountantsrapport gepresenteerd en op 16 juni 2025 heeft [bedrijfsnaam] het aangepaste rapport afgegeven. Hoewel in de eerste versie stond dat sprake was van een vermoeden van management override, is dit in de definitieve versie verwijderd.
3.1
Na consultatie met het Huis van Klokkenluiders heeft [verweerder] , 2 dagen voor de geplande datum van goedkeuring van de jaarrekeningen in de vergadering van de RvT, op 23 juni 2025 een (uitgebreid gemotiveerde) melding gedaan van het vermoeden van een misstand bij de [functie 5] van de RvT. [verweerder] heeft deze melding op grond van artikel 3 lid 2 van Pro de interne Klokkenluidersregeling van IHub direct bij de RvT gedaan, omdat in genoemd artikel staat dat wanneer een melding van een vermoeden van een misstand mede het functioneren en/of het handelen van de RvB betreft, de melding bij de RvT moet worden gedaan.
3.11
Op 24 juni 2026 heeft de [functie 5] van de RvT telefonisch gereageerd. Hij heeft aangegeven dat de klokkenluidersregeling van toepassing is en heeft de vervolgstappen toegelicht: een gesprek tussen hemzelf, [verweerder] en de [functie 5] van de auditcommissie. Kort daarna ontving [verweerder] het bericht dat dit gesprek op 8 juli 2025 zou plaatsvinden.
3.12
Op 25 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en [verweerder] . Dit was het eerste gesprek na de genomen time-out. Tijdens dit gesprek heeft [A] aangegeven dat hij geen vertrouwen meer had in [verweerder] . Ook heeft hij de mogelijkheid van een vaststellingsovereenkomst (vso) om tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen aan de orde gesteld. Zowel [verweerder] als [A] hebben een gespreksverslag opgesteld van dit gesprek en dat met elkaar gedeeld. [A] heeft tijdens het gesprek aangegeven dat [verweerder] geen werkzaamheden meer hoefde te verrichten.
3.13
[verweerder] zag op zijn loonstrook van juni 2025 dat de ZA-toeslag was stopgezet. Dit was niet vooraf met hem besproken.
3.14
Op 4 juli 2025 heeft [A] aan [verweerder] een concept vso gezonden. In datzelfde bericht heeft [A] aangegeven dat hij de ZA-toeslag had stopgezet, omdat dit een tijdelijke vergoeding betrof die van rechtswege afliep op 30 juni 2025.
3.15
Op 8 juli 2025 heeft [verweerder] zijn melding toegelicht tijdens het gesprek met de [functie 5] van de RvT en de [functie 5] van de auditcommissie, in het bijzijn van de vertrouwenspersoon.
3.16
Op 19 juli 2025 heeft de [functie 5] van de RvT een gespreksverslag en een plan van aanpak gestuurd aan [verweerder] . Uit dit plan van aanpak bleek dat de RvT zich op het standpunt had gesteld dat er geen sprake was van fraude of misleiding. In de brief heeft de RvT verder laten weten de melding door te sturen aan de RvB, die de vervolgstappen zou bepalen. Daarnaast heeft de RvT laten weten te vertrouwen op de accountantscontrole en geen aanleiding te zien daar nader onderzoek naar te doen.
3.17
Op 21 juli 2025 heeft de advocaat van [verweerder] gereageerd op het plan van aanpak en aangegeven dat [verweerder] het betreurde dat de RvT haar rol zo beperkt hield en heeft zij de RvT namens hem verzocht de melding niet te bagatelliseren, meer onderzoek te doen en de rol van de RvT hierin uit te breiden.
3.18
Op 23 juli 2025 heeft de [functie 5] van de auditcommissie laten weten dat de RvT later die week zou reageren. Op 25 juli 2025 heeft de advocaat van [verweerder] een brief aan [A] geschreven en toegelicht dat [verweerder] zich beroept op de bescherming uit artikel 17e van de Wet op de Klokkenluiders en dat hij niet akkoord wilde gaan met de voorgelegde vso. [verweerder] heeft aangegeven zijn baan niet kwijt te willen en heeft aangedrongen op mediation. Daarnaast heeft [verweerder] gevraagd om de betaling van de ZA-toeslag met terugwerkende kracht weer te hervatten.
3.19
Op 25 juli 2025 heeft de [functie 5] van de RvT naar aanleiding van het bericht van de advocaat van [verweerder] van 21 juli 2025 laten weten dat [verweerder] kon rekenen op bescherming op grond van de Wbk, maar dat hij niet goed kon beoordelen in hoeverre die bescherming ook werking had in het arbeidsconflict.
3.2
Op 20 augustus 2025 heeft de advocaat van [verweerder] een rappèl gestuurd waarin zij nogmaals heeft aangegeven dat [verweerder] op dat moment direct werd benadeeld als gevolg van zijn klokkenluidersmelding, nu een vso was aangeboden en de ZA-toeslag stop was gezet. De RvT heeft daarop verwezen naar het eerder gestuurde plan van aanpak. Op 26 augustus 2025 heeft de advocaat van [verweerder] vervolgens telefonisch aan de [functie 5] van de RvT laten weten dat dat bericht naar de mening van [verweerder] onacceptabel was en dat de RvT op grond van de eigen klokkenluidersregeling gehouden was zélf zorgvuldig (en tijdig) onderzoek te doen naar de melding en erop toe moest zien dat [verweerder] daarbij beschermd zou worden tegen benadeling.
3.21
Op 3 september 2026 heeft ook het Huis voor de Klokkenluiders navraag gedaan bij de RvT over de melding van [verweerder] .
3.22
Op 16 september 2025 heeft de [functie 5] van de RvT laten weten dat de RvT toch zelf een onderzoek uit zou voeren en op 23 september 2025 heeft de RvT een concept onderzoeksrapport aan [verweerder] gezonden. De conclusie van het onderzoek luidde dat er geen zaken waren geconstateerd die de melding van [verweerder] ondersteunen.
3.23
In september 2025 zijn partijen gestart met een mediation traject. Dit traject is op 18 december 2025 geëindigd, zonder dat partijen tot een oplossing zijn gekomen.
3.24
Op 15 oktober 2025 heeft [verweerder] schriftelijk gereageerd op het concept rapport van de RvT en daarbij ook 25 onderliggende documenten meegestuurd.
3.25
Op 13 november 2025 heeft de RvT het finale onderzoeksrapport aan [verweerder] toegezonden. Dit week niet af van het eerder toegezonden conceptrapport. Uit het rapport bleek dat er geen aanvullend onderzoek was gedaan. Ook de datum van het rapport was ongewijzigd (23 september 2025).
3.26
[verweerder] heeft sinds juni 2025 geen werkzaamheden meer verricht.

4.Het verzoeken de verweren

Het verzoek van IHub
4.1
IHub verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) en voor recht te verklaren dat aan [verweerder] een transitievergoeding toekomt van € 21.076,00 bruto.
4.2
IHub legt aan haar verzoek ten grondslag dat het gedrag van [verweerder] heeft geleid tot de verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] ging teveel zijn eigen gang en trok zich te weinig van zijn leidinggevende aan. De samenwerking tussen [verweerder] en het team waaraan hij leiding gaf verliep stroef. Hierdoor zou een van de teamleiders zelfs zijn vertrokken. Na een aantal gesprekken daarover is op 3 juni 2025 de werkverhouding tussen [A] en [verweerder] geëscaleerd, waarna de bedrijfsarts een time out en mediation heeft geadviseerd. Die heeft ook plaatsgevonden, maar dat heeft niets opgelost. Volgens IHub houdt het verzoek geen verband met de klokkenluidersmelding, omdat de arbeidsverhouding al verstoord was op het moment dat die melding gedaan werd.
De tegenverzoek(en) van [verweerder]
4.3
[verweerder] heeft een beroep gedaan op de benadelingbescherming op grond van de Wbk, waaruit volgt dat een werknemer niet mag worden benadeeld naar aanleiding van een melding op grond van die wet. [verweerder] stelt dat hij op meerdere manieren is benadeeld. [verweerder] meent dat dit de verzochte ontbinding niet in de weg staat, maar wel tot uitdrukking moet komen in de door hem verzochte billijke vergoeding.
4.4
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek op de g-grond, maar is net als IHub van mening dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen, nu een vruchtbare samenwerking niet langer te verwachten valt. [verweerder] heeft een zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding gedaan op de i-grond, omdat er volgens hem sprake is van een onvoldragen g-grond en een onvoldragen h-grond, zodat de arbeidsovereenkomst op grond van de cumulatiegrond zou moeten worden ontbonden.
4.5
[verweerder] legt aan dit tegenverzoek ten grondslag dat er tot het gesprek tussen [verweerder] en [A] op 3 juni 2025 geen sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding. Dat veranderde volgens [verweerder] pas nadat hij [A] deelgenoot had gemaakt van zijn verdenkingen dat binnen IHub niet integer werd gehandeld bij de vaststelling van de jaarrekening. [verweerder] heeft toen ook duidelijk gemaakt dat die verdenkingen ook [A] betroffen. Op dat moment is de situatie geëscaleerd, is de ZA-toeslag stopgezet en heeft [A] in het daarop volgende gesprek het vertrouwen in hem opgezegd en een vso aangeboden. [verweerder] vindt dat IHub daarmee feitelijk de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de verstoring op te lossen en dat daarom niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een
duurzaamverstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] meent dat daarom de g-grond niet is voldragen. [verweerder] meent dat daarnaast ook sprake is van een onvoldragen h-grond, die er primair in is gelegen dat [verweerder] op het moment van de zitting al 9 maanden thuis zat en subsidiar dat er tussen partijen, ondanks het feit dat de klokkenluidersmelding ongegrond is verklaard, verschillen van inzicht zijn blijven bestaan over de wijze van financiële verslaglegging waarover gesproken had kunnen worden. Dat is nu ten onrechte niet gebeurd. Ook die h-grond is daarom volgens [verweerder] onvoldragen. Deze twee onvoldragen gronden tezamen zijn voor [verweerder] voldoende voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de cumulatiegrond (i).
4.6
[verweerder] heeft de kantonrechter verder verzocht IHub te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 470.000,00 bruto en de wettelijke transitievergoeding van € 22.948,35 bruto, vermeerderd met de cumulatievergoeding van € 11.474,18 bruto. [verweerder] rekent voor de berekening van de transitievergoeding de ZA-toeslag mee en komt daarom op een ander bedrag dan IHub.
4.7
Daarnaast wil [verweerder] een verklaring voor recht dat hij tot aan het eind van zijn dienstverband recht heeft op de ZA toeslag van € 739,77 bruto en veroordeling van IHub om deze toeslag met terugwerkende kracht te betalen tot en met juni 2025. Daarnaast wil [verweerder] een correcte eindafrekening en verzoekt hij IHub te veroordelen tot betaling van de volledige advocaatkosten van € 39.328,03 inclusief BTW.

5.De beoordeling

Het beroep van [verweerder] op de Wet bescherming Klokkenluiders
5.1
In deze zaak doet [verweerder] een beroep op de bescherming van de Wbk. De kantonrechter oordeelt in een procedure als deze niet over de inhoud van die melding, maar moet, als blijkt dat inderdaad sprake is van een zogenaamde klokkenluidersmelding als bedoeld in de Wbk, onderzoeken of de werknemer ongeoorloofd is benadeeld naar aanleiding van zijn melding. Bij die beoordeling zijn in deze zaak met name de artikelen 17e en 17eb van de Wbk van belang.
5.2
Artikel 17e Wbk bepaalt:

Een melder mag tijdens en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand niet worden benadeeld, onder de voorwaarde dat bij de melding aan de werkgever (…) de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over het vermoeden van een misstand op het moment van de melding juist is.’
Artikel 17eb Wbk bepaalt:
“Bij benadeling van een melder tijdens en na de behandeling van een melding bij de werkgever, een bevoegde autoriteit of een bestuursorgaan, dienst of andere bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2j, dan wel na openbaarmaking van een vermoeden van een misstand, wordt vermoed dat de benadeling het gevolg is van de melding dan wel de openbaarmaking.”
5.3
Verder is van belang dat IHub een interne klokkenluidersregeling heeft, die partijen in beginsel moet volgen.
De melding van [verweerder] voldoet aan de vereisten van een klokkenluidersmelding als bedoeld in de Wbk
5.4
Vast staat [verweerder] zijn vermoeden van het bestaan van een misstand op 27 mei 2025 met de externe vertrouwenspersoon heeft besproken. Op 3 juni 2025 heeft [verweerder] ook aan [A] kenbaar gemaakt dat hij het vermoeden had dat de financiële verslaglegging op een niet integere en zelfs frauduleuze wijze plaatsvond. Op 10 juni 2025 heeft hij een melding gedaan bij het Huis van de Klokkenluiders. Op aanraden van het Huis van de Klokkenluiders heeft [verweerder] eerst het accountantsrapport van [bedrijfsnaam] afgewacht. Daarna heeft hij op 23 juni 2023, op de in de interne klokkenluidersregeling voorgeschreven wijze, bij de RvT melding gedaan van zijn vermoeden van deze misstand. De [functie 5] van de RvT heeft ook direct bevestigd dat de klokkenluidersregeling van toepassing was en dat op [verweerder] in het kader van die melding de benadelingsbescherming van de klokkenluidersregeling van toepassing was.
5.5
Hiermee staat vast dat [verweerder] vanaf het moment van zijn melding recht had op bescherming op grond van de Wbk.
Het ontbindingsverzoek van IHub
5.6
Uitgangspunt bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek van IHub is dat een werkgever de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege het bestaan van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW Pro. De kantonrechter dient te onderzoeken of de gestelde redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen. Voor ontbinding is verder vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt en dat er geen opzegverboden gelden.
5.7
In dit geval dient de kantonrechter daarin ook mee te wegen of het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding verband houdt met de klokkenluidersmelding. Artikel 17 da Pro lid 1 Wbk noemt beëindiging van het dienstverband immers nadrukkelijk als een mogelijke benadelingshandeling, die in beginsel niet is toegestaan. Daarbij zal het in deze zaak niet zozeer gaan om de vraag óf de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, want daarover zijn partijen het – zij het op andere gronden – wel eens, maar is dat wel van belang bij het beantwoorden van de vraag of de werkgever, zoals [verweerder] stelt, ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en een billijke vergoeding verschuldigd is.
De verstoorde arbeidsverhouding kan niet los worden gezien van de klokkenluidersmelding
5.8
IHub heeft aangevoerd dat [verweerder] niet is benadeeld door het ontbindingsverzoek, omdat de verstoorde arbeidsverhouding geen verband houdt met de klokkenluidersmelding van [verweerder] . De arbeidsverhouding was volgens IHub al verstoord vóórdat deze melding is gedaan. Bovendien was [A] van deze melding gedurende lange tijd niet op de hoogte, aldus IHub.
5.9
De kantonrechter stelt vast dat nergens uit blijkt dat tijdens het reflectiegesprek van 13 april 2025 al sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding. Tijdens dat gesprek is zelfs vastgesteld dat [verweerder] ‘goed in zijn vel zat’ bij IHub. Er is gesproken over een aantal lopende zaken met daarbij ook twee aandachtspunten die zagen op de houding van [verweerder] als leidinggevende, maar dat is niet voldoende om een verstoorde arbeidsverhouding vast te kunnen stellen. Ook de daarop volgende gesprekken op 6 en 7 mei 2025 kunnen niet de conclusie dragen dat er sprake was van een duurzaam ernstig verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat die tot ontbinding zou moeten leiden. Daarvoor is immers nodig dat er én sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding én dat er al pogingen waren ondernomen om tot een oplossing te komen. Daarvan was voor 3 juni 2025 naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake.
5.1
Dit is veranderd na het gesprek op 3 juni 2025, waarin [verweerder] zijn vermoeden van een maatschappelijke misstand, die hij benoemd heeft als ‘het niet integer opstellen van financiële verslaglegging en het plegen van fraude door IHub om de financiële resultaten te drukken om zo meer externe financiering te krijgen’, bij [A] heeft gemeld. [A] heeft op zijn beurt ook [verweerder] aangesproken op zijn functioneren. Daarna was wel duidelijk sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] heeft zich ziek gemeld en de bedrijfsarts heeft geconstateerd dat sprake was van een conflict. Na een door de bedrijfsarts geadviseerde time out heeft [A] tijdens een gesprek op 25 juni 2025 het vertrouwen in [verweerder] opgezegd, aangegeven dat hij diens terugkeer niet meer zag zitten en hem een vso aangeboden om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. Bovendien is zonder overleg de ZA-toeslag stop gezet, behorende bij een extra taak van [verweerder] .
5.11
Tijdens het gesprek op 3 juni 2025 is [A] bekend geraakt met het door [verweerder] geuite vermoeden van een maatschappelijke misstand. Op 10 juni 2025 heeft [verweerder] dat vermoeden ook gemeld bij de RvT van IHub. Voor zover de klokkenluidersmelding op 3 juni 2025 nog niet als zodanig is opgevat, wordt IHub geacht daarmee in ieder geval bekend te zijn vanaf 10 juni 2025. Hoewel de RvT formeel geen onderdeel is van de werkgever, wordt in dit geval de kennis van de RvT wel bekend verondersteld bij de werkgever, omdat de gevolgde procedure het gevolg was van de inhoud van de eigen klokkenluidersregeling van IHub.
5.12
Het voorgaande heeft tot gevolg dat in het geval na 3 juni 2025 sprake is van benadeling van [verweerder] , het vermoeden bestaat dat dit het gevolg is van die melding. De bewijslast van het tegendeel ligt dan op grond van de Wbk bij IHub.
5.13
De kantonrechter is van oordeel dat IHub nadat [verweerder] de melding gedaan heeft, de verhouding direct verder heeft geëscaleerd. Niet alleen heeft dat de arbeidsverhouding verder – en mogelijk onherstelbaar – beschadigd en is dit in strijd met goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW Pro, maar zij heeft met haar handelen ook in strijd met de Wbk gehandeld. Dat wordt hieronder toegelicht.
IHub heeft in strijd met de Wbk gehandeld
5.14
Vast staat dat [A] [verweerder] reeds op 25 juni 2025 heeft laten weten dat hij voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer mogelijk achtte. Hij heeft [verweerder] voorgesteld om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen en hem een vso aangeboden. Daarmee heeft IHub aangestuurd op beëindiging van het dienstverband en dat moet zonder meer worden beschouwd als een ongeoorloofde benadelingshandeling als bedoel in de Wbk. Of [A] , zoals hij stelt, op dat moment zelf op de hoogte was van de klokkenluidersmelding, is daarbij niet van doorslaggevend belang. Niet alleen kende hij sinds 3 juni 2025 de bezwaren van [verweerder] , maar zoals hiervoor overwogen moet vanaf 10 juni 2025 IHub als werkgever geacht bekend te zijn geweest met deze melding.
5.15
Daarnaast heeft IHub zonder overleg en zonder mededeling vooraf de betaling van de maandelijkse ZA-toeslag van [verweerder] , behorend bij de op dat moment door hem vervulde functie van [functie 4] , stop gezet. [verweerder] heeft vervolgens de toeslag niet meer ontvangen en ook dat is een benadeling.
5.16
De bewijslast voor het tegendeel ligt bij IHub. IHub heeft in dat kader betoogd dat de verhoudingen al voor 3 juni 2025 verstoord waren, maar daarover is in het voorgaande reeds overwogen dat dit niet voldoende is komen vast te staan.
IHub voert verder aan dat zij de ZA-toeslag heeft stop gezet omdat die ‘van rechtswege eindigde’, maar vast staat dat [verweerder] deze taak al twee jaar naar tevredenheid vervulde, er geen sprake van was van een voor hem kenbare omstandigheid dat dit op korte termijn zou stoppen en daar is ook in het geheel niet met hem over gesproken. De conclusie is dat eenzijdig door IHub is besloten dat deze ZA-toeslag zou stoppen. Dat is een ongeoorloofde benadeling als bedoeld in de Wbk.
De arbeidsverhouding is ookduurzaamverstoord
5.17
Om te komen tot een ontbinding op de g-grond moet de arbeidsverhouding niet alleen verstoord zijn, maar ook
duurzaamverstoord. Dat wil zeggen dat geprobeerd is om de verhouding te verbeteren en er geen zicht meer is op enige verbetering. [verweerder] stelt dat nog geen sprake is van een voldragen g-grond, omdat al op 3 juni 2025 de deur is dichtgegooid door [A] en er nooit geprobeerd is om de arbeidsverhouding te verbeteren. Partijen zijn volgens hem nooit toegekomen aan het oplossen van de verstoring, omdat er direct is aangestuurd op beëindiging. De g-grond is daarom volgens [verweerder] niet voldragen.
5.18
Dat argument gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Hoewel het wel zo is dat [A] tijdens het gesprek op 25 juni 2025 al heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst door een vso en hij tegen [verweerder] heeft gezegd dat hij niet meer op kantoor werd verwacht, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een schorsing of non-actiefstelling, maar van betaald verlof. Vast staat ook dat [verweerder] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en ook geen procedure is gestart om wedertewerkstelling te vorderen. Er is tussen de mededeling op 3 juni 2025 en het indienen van een ontbindingsverzoek verder sprake van een aanzienlijk tijdsverloop, waarin partijen nog hebben getracht om tijdens een mediationtraject van enkele maanden tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt en partijen hebben uiteindelijk allebei bevestigd dat een vruchtbare voortzetting van de samenwerking niet meer mogelijk is. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een duurzame verstoring van de arbeidsverhouding.
5.19
Dat betekent dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden op de g-grond. De door [verweerder] aangevoerde cumulatiegrond (en daarmee samenhangende vermeerdering van de transitievergoeding) hoeven daarom niet meer te worden besproken.
5.2
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen beroep heeft gedaan op de beschermingsbepaling uit de Wbk, zodat die daaraan niet in de weg staat. Dat beroep speelt bij de verzochte billijke vergoeding, die hierna nog wordt besproken, wel een rol.
Herplaatsing is niet aan de orde
5.21
Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn is niet mogelijk, omdat het over en weer beschadigde vertrouwen een vruchtbare samenwerking binnen de gehele organisatie in de weg staat.
Het verzoek houdt geen verband met een opzegverbod
5.22
Partijen zijn het erover eens dat het verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juli 2026
5.23
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 juli 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [1]
IHub moet een billijke vergoeding betalen aan [verweerder]
5.24
De kantonrechter ziet aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [2] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [3] In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
5.25
De kantonrechter stelt vast dat sprake is van twee benadelingshandelingen van IHub, namelijk het – kort gezegd – direct na een time out en na een melding op grond van de Wbk aanbieden van een vso en het stopzetten van de ZA-toeslag. Zelfs wanneer de bescherming van de Wbk zou worden weggedacht, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat door deze handelwijze het conflict tussen partijen verder is geëscaleerd en dat is in strijd met het goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW Pro. IHub heeft de melding verder niet eerst (inhoudelijk) onderzocht, maar heeft in het gesprek van 25 juni 2025 meteen aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit is precies waartegen de Wbk de werknemer moet beschermen. De kantonrechter rekent dit IHub dan ook aan. Dat geldt ook voor het zonder enig overleg met [verweerder] eenzijdig stopzetten van een toeslag op het salaris. Ook hier geldt heel specifiek die bescherming van de Wbk en IHub heeft zich daarvan in het geheel geen rekenschap van gegeven. De kantonrechter is van oordeel dat dit handelen van IHub ernstig verwijtbaar is.
5.26
Hoewel de kantonrechter niet treedt in de beoordeling of behandeling van de klokkenluidersmelding zelf, merkt zij wel op dat, volgens [verweerder] , pas in deze procedure een twintig pagina’s tellend document door IHub is opgesteld waarin tot in detail op de geuite beschuldigingen is ingegaan, terwijl de rapportages die op grond van de klokkenluidersregeling zelf zijn gemaakt veel summierder zijn en – ondanks herhaald aandringen van de gemachtigde van [verweerder] - redelijk lang op zich hebben laten wachten. Ook dat heeft de verhouding tussen partijen geen goed gedaan en kan IHub worden verweten.
5.27
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [4] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
5.28
De kantonrechter weegt bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding mee dat [verweerder] recht op de bescherming van de Wbk had en IHub die ook heeft toegezegd, maar daaraan feitelijk geen uitvoering heeft gegeven. Zoals hiervoor overwogen, heeft zij twee keer in strijd gehandeld met artikel 17e Wbk en zich daarbij ook direct gericht op een uiterste maatregel namelijk beëindiging van het dienstverband. IHub heeft na de klokkenluidersmelding direct aangegeven dat deze melding onjuist was, nog voordat zij dit onderzocht had. IHub had dit zorgvuldiger moeten aanpakken en ook voortvarender moeten onderzoeken.
5.29
[verweerder] stelt dat hij, indien IHub niet ernstig verwijtbaar had gehandeld, mogelijk tot zijn pensioen bij IHub zou hebben gewerkt. Daarvan is de kantonrechter niet overtuigd. Volgens het eigen verzoek van [verweerder] kon hij zich gaandeweg het dienstverband van destijds ongeveer 4,5 jaar niet langer verenigen met de wijze van financiële verslaglegging binnen IHub. Het is niet goed denkbaar dat [verweerder] dit aspect van zijn werk, waar hij vanuit zijn functie mede verantwoordelijk voor was tot aan zijn pensioen naast zich neer had kunnen leggen. Bovendien is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting duidelijk geworden dat de verhouding tussen [verweerder] en [A] na de gesprekken in juni 2025, ondanks een mediationtraject van enkele maanden, onverminderd slecht bleef. [verweerder] heeft verder betoogd dat er weinig vergelijkbare banen zijn en dat er een reële kans bestaat dat hij in een eventuele andere functie minder zal verdienen, maar dat heeft [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende onderbouwd. Wel heeft [verweerder] een leeftijd waarop het in algemene zin lastiger zou kunnen zijn een andere baan te vinden. De kantonrechter weegt ook mee dat [verweerder] – met inachtneming van een periode van ongeveer een jaar waarin hij is vrijgesteld van werkzaamheden- ongeveer 5,5 jaar bij IHub in dienst is geweest. De billijke vergoeding moet in verhouding staan tot de duur van dat dienstverband. IHub is tot slot overgegaan tot indiening van het verzoek tot ontbinding nadat duidelijk was dat geen van de meldingen van [verweerder] gegrond is verklaard.
5.3
[verweerder] heeft in verschillende scenario’s berekend (opgenomen in productie 37 bij verweerschrift) wat de omvang van de billijke vergoeding volgens hem moet zijn, waarbij het eerste scenario ervan uitgaat dat [verweerder] na twee jaar een baan vindt als [functie 1] in een grote zorgorganisatie, het tweede ervan uitgaat dat [verweerder] na 18 maanden een baan vindt als [functie 3] in een grote zorgorganisatie en het derde ervan uitgaat dat [verweerder] tot aan zijn pensioen geen werk meer vindt. [verweerder] heeft daarin verdisconteerd dat hij tenminste een jaar lang een WW-uitkering zal ontvangen, de relevante in acht te nemen salarisschalen en de pensioenschade tot 1 maart 2034.
5.31
IHub heeft daartegen verweer gevoerd. Eén van de berekeningen baseert [verweerder] verder ten onrechte op de functie van [functie 1] , die [verweerder] nu ook niet heeft. Haar verwachting is dat het vinden van een baan gemiddeld 4 tot 9 maanden duurt, [verweerder] is bovendien al aan het solliciteren en zit al bijna een jaar betaald thuis.
5.32
Dit alles meegewogen, is de kantonrechter van oordeel dat een billijke vergoeding gebaseerd op een maandsalaris over ongeveer 6 maanden in dit geval passend is. Daarbij moet rekening worden gehouden met de transitievergoeding, de WW-uitkering en moet de ZA-toeslag als basis element in het salaris worden meegewogen. De kantonrechter neemt de berekening van [verweerder] van het maandinkomen als uitgangspunt en zal een billijke vergoeding toekennen van € 160.000,00 bruto.
De werkelijke advocaatkosten
5.33
[verweerder] heeft de kantonrechter verzocht om IHub in de werkelijk gemaakte advocaatkosten te veroordelen. De kantonrechter overweegt dat daarvoor in beginsel alleen aanleiding is wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen, zoals bij kansloze zaken of bewuste vertraging. De achtergrond daarvan is waarborging van de toegang tot de rechter (artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), die zou worden uitgehold bij de dreiging van een hoge kostenveroordeling. Omdat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen in deze zaak geen sprake is, zijn de werkelijk gemaakte proceskosten niet als zodanig toewijsbaar. Wel is de kantonrechter van oordeel dat, gelet op de hiervoor besproken ernstige verwijtbaarheid van werkgever, in dit geval de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar zijn (op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro). [verweerder] heeft immers juridische bijstand moeten inschakelen om, voorafgaand aan onderhavige procedure, zijn rechten op grond van de Wbk veilig te stellen en daarvan zijn ook bewijsstukken overgelegd. De kantonrechter zal daarom de werkelijke advocaatkosten tot en met januari 2026, ten bedrage van € 14.200,56 (inclusief BTW), toewijzen als buitengerechtelijke kosten, omdat na die maand de procedure is gestart Ook de wettelijke rente daarover zal worden toegewezen.
IHub moet de transitievergoeding betalen
5.34
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding. Wel hebben zij beiden een andere berekening gemaakt, waarbij [verweerder] de ZA-toeslag wel en IHub de ZA-toeslag niet mee heeft gerekend. Onder verwijzing naar hetgeen eerder over de ZA-toeslag is geoordeeld, is de kantonrechter van oordeel dat de ZA-toeslag in de berekening moet worden meegenomen en dat in dat geval de transitievergoeding € 22.948,35 bruto is. Het verzoek om IHub te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente wordt in afwijking van het verzoek toegewezen vanaf 1 augustus 2026, omdat op grond van artikel 7:686a lid 1 BW de transitievergoeding verschuldigd is vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
Betaling ZA-toeslag met terugwerkende kracht tot einde dienstverband
5.35
Zoals hiervoor overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de ZA-toeslag van IHub ten onrechte (want in strijd met de Wbk) is beëindigd. De kantonrechter zal daarom de verzochte verklaring voor recht en de veroordeling tot betaling toewijzen, en daarbij bepalen dat IHub de toeslag van € 739,77 bruto per maand met terugwerkende kracht vanaf juni 2025 tot en met het einde van het dienstverband zal moeten betalen.
5.36
[verweerder] heeft ook de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente daarover verzocht. Daartegen is geen verweer gevoerd en bovendien staat vast dat IHub verwijtbaar te laat is met de betaling van deze salariscomponent. De kantonrechter zal dit daarom toewijzen over de periode tot de beschikking, omdat over de periode daarna nog niet kan worden vastgesteld of deze salariscomponent te laat wordt betaald.
IHub moet een correcte eindafrekening verstrekken
5.37
[verweerder] heeft verzocht om veroordeling van IHub tot verstrekking van een correcte eindafrekening, conform de wet, met daarin uitbetaling van alle tot de einddatum opgebouwde vakantiedagen en het tot de einddatum opgebouwde maar nog niet uitbetaalde vakantiegeld en eindejaarsuitkering en deze eindafrekening binnen 10 dagen na het wijzen van de beschikking aan [verweerder] uit te betalen, onder overlegging van een deugdelijke salarisspecificatie, waaruit ook het aantal vakantiedagen dat wordt uitbetaald expliciet blijkt.
5.38
Omdat [verweerder] zich niet heeft uitgelaten over het aantal resterende vakantiedagen en de volgens hem nog openstaande verplichtingen, zal de kantonrechter IHub in algemene zin veroordelen tot het verstrekken en betalen van die eindafrekening, zoals verzocht.
IHub krijgt de gelegenheid het verzoek in te trekken
5.39
IHub krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden. [5]
IHub wordt veroordeeld in de proceskosten
5.4
De proceskosten komen voor rekening van IHub omdat IHub overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van IHub. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. Deze kostenveroordeling vindt plaats naast de hiervoor besproken buitengerechtelijke kosten en zien specifiek op de kosten die verband houden met deze procedure.
5.41
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.42
Als IHub het verzoek intrekt, zal IHub de proceskosten van [verweerder] moeten betalen.
5.43
De beschikking zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat partijen deze moeten uitvoeren, ook wanneer één van partijen hoger beroep instelt.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1
stelt IHub in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 30 mei 20226 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,
Voor het geval IHub het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
6.2
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2026,
6.3
veroordeelt IHub om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 22.948,35 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
6.4
veroordeelt IHub om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 160.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
6.5
veroordeelt IHub om aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 14.200,56 (inclusief BTW) aan buitengerechtelijke kosten, met de wettelijke rente hierover met ingang van de 15e dag na de dag waarop deze beschikking is gewezen, tot de dag van algehele voldoening,
6.6
veroordeelt IHub tot verstrekking van een correcte eindafrekening, conform de wet, met daarin uitbetaling van alle tot de einddatum opgebouwde vakantiedagen en het tot de einddatum opgebouwde maar nog niet uitbetaalde vakantiegeld en eindejaarsuitkering en deze eindafrekening binnen 10 dagen na het wijzen van de beschikking aan [verweerder] uit te betalen, onder overlegging van een deugdelijke salarisspecificatie, waaruit ook het aantal vakantiedagen dat wordt uitbetaald expliciet blijkt,
6.7
verklaart voor recht dat [verweerder] tot aan het einde van zijn dienstverband recht heeft op de ZA-toeslag van € 739,77 bruto per maand met terugwerkende kracht tot en met 1 juni 2025,
6.8
veroordeelt IHub om uiterlijk binnen tien dagen na het wijzen van deze beschikking aan [verweerder] de ZA-toeslag van € 739,77 bruto te betalen, over de periode vanaf 1 juni 2025 totdat het dienstverband zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over dat bedrag, vanaf 1 juni 2025 tot 15 mei 2026, en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de 15e dag na de dag waarop deze beschikking is gewezen, tot de dag van algehele voldoening,
6.9
veroordeelt IHub in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop de beschikking is gewezen tot de dag van de algehele voldoening en te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.1
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.11
wijst af het meer of anders verzochte,
Voor het geval IHub het verzoek binnen die termijn intrekt:
6.12
veroordeelt IHub in de proceskosten van € 1.154,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verweerder] en € 144,00 aan nakosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als IHub niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.13
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken 15 mei 2026.
184

Voetnoten

1.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
2.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (
4.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2018:878 (
5.Artikel 7:686a lid 6 BW.