Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2758

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/16/25/148 F
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 FwArt. 88 FwArt. 105 FwArt. 106 FwArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van inbewaringstelling bestuurder in faillissement onder voorwaarden

De rechtbank Midden-Nederland behandelt het verzoek van de bestuurder [A] van een gefailleerde BV om opheffing of schorsing van zijn inbewaringstelling. [A] is sinds 3 april 2026 in verzekerde bewaring gesteld op grond van een bevel van 29 juli 2025, vanwege het niet aanleveren van administratie die nodig is voor de faillissementsafwikkeling.

[A] voert aan dat hij de administratie niet kan aanleveren zolang hij gedetineerd is en dat zijn broer inmiddels delen van de administratie heeft gevonden en aan de curator heeft gestuurd. Tevens stelt zijn raadsman dat [A] verslaafd is aan harddrugs en psychische problemen heeft, en vreest hij geen afscheid te kunnen nemen van zijn terminaal zieke vader.

De curator steunt het verzoek niet omdat nog niet alle administratie is ontvangen en [A] onvoldoende heeft meegewerkt. De rechter-commissaris adviseert voortduring van de inbewaringstelling, met de voorwaarde dat verstrekte inlichtingen alleen voor het faillissement worden gebruikt.

De rechtbank oordeelt dat de inbewaringstelling proportioneel is, maar gelet op de gedeeltelijke aanlevering van administratie en de omstandigheden van [A], wordt de inbewaringstelling geschorst tot 28 april 2026 onder strikte voorwaarden. [A] wordt onmiddellijk vrijgelaten en moet zich melden bij de politie, medewerking verlenen aan de curator en zijn paspoort inleveren. De rechtbank stelt een termijn voor nader onderzoek naar opheffing of verlenging van de inbewaringstelling.

Uitkomst: De rechtbank schorst de inbewaringstelling van de bestuurder onder voorwaarden tot 28 april 2026 zodat hij de resterende administratie kan aanleveren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Team Insolventie
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/25/148 F
Beschikking op grond van artikel 87 Fw Pro d.d. 17 april 2026
in de zaak van
in het faillissement van
[gefailleerde] BV,
gevestigd te [adres 1]
[postcode] [vestigingsplaats]
gefailleerde.

1.De procedure

1.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 18 maart 2025 is gefailleerde in staat van faillissement verklaard. Curator is mr. F.H.H. Lintjens. Rechter-commissaris is mr. P.J. Neijt. [A] , verder ‘ [A] ’ te noemen, geboren op [geboortedatum] 1987, wonende te [adres 2] , [postcode] [woonplaats] , is bestuurder van gefailleerde.
1.2.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 juli 2025 bevolen dat [A] in verzekerde bewaring zal worden gesteld in een huis van bewaring.
1.3.
Op grond van dit bevel is [A] op 3 april 2026 in verzekerde bewaring gesteld.
1.4.
Op 7 april 2026 is [A] gehoord en heeft de rechtbank bij beschikking de inbewaringstelling verlengd tot en met 2 mei 2026. Het tijdens deze zitting door [A] ingediende verzoek om opheffing van de inbewaringstelling subsidiair schorsing is diezelfde dag afgewezen.
1.5.
Op 9 april 2026 heeft mr. Özcan, namens [A] een tweede verzoek ex. artikel 88 Fw Pro ontslag verzekerde bewaring ingediend bij de rechtbank. Op 10 april heeft mr. Özcan een aanvulling gestuurd op voornoemd verzoek. Dit verzoek is op 14 april 2026 door de rechtbank behandeld. Ter zitting zijn verschenen:
- [A] , bijgestaan door mr. Özcan;
- mr. F.H.H. Lintjens, curator van gefailleerde.
1.6.
Tenslotte is de uitspraak bepaald op 16 april 2026. Op die datum heeft de rechtbank de uitspraak aangehouden tot heden, in afwachting van de door de broer van [A] aan te leveren delen van de administratie, zoals toegezegd ter zitting.

2.Het verzoek

2.1.
De heer [A] heeft primair verzocht om opheffing en subsidiair om schorsing van de inbewaringstelling. Als grondslag voor het verzoek is daartoe primair aangevoerd dat een inbewaringstelling zinloos is, omdat het door de inbewaringstelling niet mogelijk is voor [A] om informatie aan te leveren aan de curator. De heer [A] heeft op de zitting van 7 april 2026 weliswaar verklaard dat de administratie op ubs-sticks en laptops staat, maar deze verklaring is onbetrouwbaar. Mr. Özcan stelt dat [A] heeft verklaard wat hij dacht dat de rechtbank wilde horen om de inbewaringstelling op te heffen. [A] moet de administratie her en der bij elkaar zoeken en dat kan alleen als hij niet gedetineerd is. Ter zitting heeft mr. Özcan verder verklaard dat hij inmiddels contact heeft met de broer van [A] en dat deze broer enkele stukken heeft gevonden in het huis van de ouders van [A] , waar [A] ook woont. Deze stukken zullen worden opgestuurd naar de curator.
2.2.
Mr. Özcan voert verder aan dat [A] verslaafd is aan harddrugs, psychische problemen heeft en daardoor niet helder van geest is. Bovendien heeft mr. Özcan in de aanvulling van het verzoekschrift geschreven dat de vader van [A] terminaal ziek is en [A] vreest geen afscheid te kunnen nemen van zijn vader.

3.Zienswijze van de curator en rechter-commissaris

3.1.
De curator heeft ter zitting op 14 april 2026 verklaard dat zij het verzoek van [A] niet steunt, want zij heeft vooralsnog geen administratie ontvangen en [A] heeft vooralsnog op geen enkele wijze meegewerkt.
3.2.
De rechter-commissaris heeft op 13 april 2026 een brief gestuurd naar de rechtbank. De rechter-commissaris adviseert de rechtbank voortduring van de inbewaringstelling, maar daaraan de voorwaarde te verbinden dat de inlichtingen die [A] verstrekt uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de afwikkeling van het faillissement (HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:161).
3.3.
De rechter-commissaris voert aan dat er geen maatregelen beschikbaar zijn die minder ingrijpend zijn, nu op 9 juli 2025 een verhoor met de heer [A] heeft plaatsgevonden en de heer [A] ook daarna geen administratie heeft aangeleverd. De rechter-commissaris neemt daarbij ook in overweging de aanzienlijke schuldenlast van gefailleerde. Gelet op het voorgaande acht de rechter-commissaris de inbewaringstelling proportioneel.

4.De beoordeling

4.1.
Mede in verband met het bepaalde in artikel 5 EVRM Pro dient de rechtbank te onderzoeken of er op basis van de huidige stand van zaken nog gronden aanwezig zijn die de voortduring van de inbewaringstelling en daarmee de inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [A] rechtvaardigen. Het recht op persoonlijke vrijheid van [A] dient daarbij te worden afgewogen tegen de bij de inbewaringstelling betrokken belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Daarbij dient te worden gelet op het karakter van de inbewaringstelling die is bedoeld als dwangmiddel tegen verzuim door [A] van de inlichtingenplicht die volgt uit artikel 105 en Pro 106 Faillissementswet (Fw).
4.2.
Ter zitting van 14 april 2026, heeft [A] weliswaar verklaard dat zijn vader ongeneeslijk ziek is, maar dat hij niet verwacht dat zijn vader op korte termijn zal overlijden. Het kan ook nog wel een jaar of langer duren. In de medische situatie van zijn vader is daarom geen reden gelegen de dwangmaatregel op te heffen. Hetzelfde geldt voor de gestelde psychische en lichamelijke klachten van [A] zelf. Er is immers niet gebleken dat [A] detentieongeschikt is, waarbij van belang is dat in penitentiaire inrichtingen medische zorg aanwezig is. Bovendien kan [A] door volledig mee te werken met de curator voorkomen dat er nog langer dwangmiddelen jegens hem worden ingezet. Tot de datum van de zitting op 14 april 2026 had hij dat niet gedaan.
4.3.
De curator heeft de rechtbank op 16 april 2026 bericht dat zij een gedeelte van de administratie heeft ontvangen, maar dat zij daarover nog wel vragen heeft. Omdat het nog slechts een gedeelte betreft en de curator daarover nog onbeantwoorde vragen heeft zal verzoek om opheffing van de inbewaringstelling worden afgewezen.
4.4.
Het voorgaande leidt in onderlinge samenhang bezien wel tot het oordeel dat op dit moment een schorsing van de inbewaringstelling onder voorwaarden en voor bepaalde tijd vooralsnog tot 28 april 2026 gerechtvaardigd is. Daarmee zal [A] in de gelegenheid worden gesteld de resterende administratie aan de curator te leveren.
4.5.
Dit betekent dat het bevel tot inbewaringstelling van [A] zal worden geschorst. [A] zal dus onmiddellijk moeten worden vrijgelaten.
4.6.
De rechtbank stelt daarbij, conform het advies van de rechter-commissaris, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:161, de voorwaarde dat de inlichtingen die [A] verstrekt uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de afwikkeling van het faillissement.
4.7.
De rechtbank moet aan de schorsing van de inbewaringstelling een termijn stellen waarbinnen wordt onderzocht of er aanleiding bestaat de inbewaringstelling op te heffen. Het bevel tot inbewaringstelling behoudt gedurende de schorsing zijn rechtskracht. De termijn van 30 dagen loopt op grond van artikel 87 lid 3 Fw Pro niet door. Indien de schorsing eindigt op 28 april 2026 moet voor 12 mei 2026 worden onderzocht door de rechtbank of de inbewaringstelling moet worden opgeheven of worden verlengd. [1]
4.8.
Houdt [A] zich niet aan de hieronder in de beslissing gestelde voorwaarden, dan kan de curator dat aan de rechter-commissaris berichten. Op verzoek van de curator of op voordracht van de rechter-commissaris kan de schorsing van de inbewaringstelling dan worden verlengd, of kan de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling worden opgeheven.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
schorst in het faillissement van [gefailleerde] B.V. met ingang van vandaag om 13:00 uur tot en met 28 april 2026 12.00 uur het bevel tot inbewaringstelling van [A] , geboren op [geboortedatum] 1987, wonende te [adres 2] , [postcode] [woonplaats] , op dit moment verblijvende [verblijfplaats] te [plaats] , onder de volgende voorwaarden:
a. [A] dient zich voor 12:00 uur op 28 april 2026 te melden op Politiebureau Paardenveld te Kroonstraat 25, 3511 RC Utrecht. Hij dient daarbij het vonnis inhoudende het bevel tot inbewaringstelling van [A] d.d. 29 juli 2025 mee te nemen, als ook dit vonnis d.d. 17 april 2026, strekkende tot de voorwaardelijke schorsing van het bevel inbewaringstelling van [A] . Deze meldingsplicht vervalt indien de curator uiterlijk op 24 april 2026 de rechter-commissaris heeft bericht dat [A] vooralsnog in voldoende mate voldoet aan zijn verplichtingen in de zin van artikel 105 Fw Pro.
[A] moet gedurende de schorsing een afspraak maken met de curator, bij de curator op kantoor, om medewerking te verlenen en te voldoen aan de inlichtingenplicht, zoals beschreven in artikel 105 Fw Pro.
[A] moet de curator voorzien van een telefoonnummer en een e-mailadres, waarop hij bereikbaar is.
[A] moet zijn paspoort (indien hij er meerdere heeft zijn paspoorten) inleveren bij de curator voor 21 april 2026.
[A] zal zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechter-commissaris niet naar het buitenland vertrekken.
Deze beschikking van mr. M.A.A.T. Engbers, rechter, in samenwerking met mr. W.J. van der Lugt, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:102 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:102).