Uitspraak
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 januari 2021.
Hoge Raad
In deze beschikking in het belang der wet heeft de Hoge Raad geoordeeld over de toepassing van artikel 87 van Pro de Faillissementswet (Fw) met betrekking tot de in verzekerde bewaringstelling van een bestuurder van gefailleerde vennootschappen. De centrale vraag was of de wettelijke termijn van 30 dagen voor de inbewaringstelling doorloopt tijdens een schorsing daarvan en of de rechter de aan de schorsing verbonden vrijheidsbeperkende voorwaarden periodiek moet toetsen.
De feiten betreffen twee besloten vennootschappen die in 2018 failliet zijn verklaard en waarvan de bestuurder in verzekerde bewaring is gesteld. De rechtbank heeft deze inbewaringstelling meerdere malen verlengd en geschorst onder voorwaarden. De bestuurder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, waarbij het hof de schorsing onder voorwaarden heeft bevestigd en bepaald dat de voorwaarden uiterlijk na een bepaalde termijn opnieuw beoordeeld moeten worden.
De Hoge Raad stelt vast dat de Faillissementswet niet expliciet voorziet in schorsing van faillissementsgijzeling, maar dat deze mogelijkheid wel moet worden aangenomen in lijn met het EVRM, dat subsidiariteit en proportionaliteit eist bij vrijheidsbeperkende maatregelen. De rechter moet bij elke verlenging of schorsing toetsen of de voorwaarden rechtmatig zijn en voldoen aan deze beginselen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de wettelijke termijn van 30 dagen niet doorloopt tijdens de schorsing van de inbewaringstelling, analoog aan de regeling voor voorlopige hechtenis in het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat gedurende schorsing geen verlenging of hernieuwde schorsing van de inbewaringstelling kan plaatsvinden. Tot slot benadrukt de Hoge Raad de noodzaak van adequate procesrechtelijke waarborgen voor de gefailleerde, waaronder de mogelijkheid tot beroep en het recht om op elk moment opheffing van de schorsing of de voorwaarden te verzoeken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en bepaalt dat de wettelijke termijn van 30 dagen niet doorloopt tijdens schorsing van de inbewaringstelling en dat de rechter de voorwaarden periodiek moet toetsen.