ECLI:NL:RBMNE:2026:275

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
UTR 24/2512
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 Wet WIAArt. 25 lid 9 Wet WIAArt. 8:32 lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen loonsanctie wegens te late inzet tweede spoor re-integratie

Eiseres, werkgever van een werkneemster die sinds juli 2020 ziek was, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij het tweede spoor in het re-integratieproces te laat had ingezet. De werkneemster was na het eerste ziektejaar belastbaar voor passend werk, maar de werkgever startte het tweede spoor pas in maart 2022, ruim zes maanden te laat.

De rechtbank overweegt dat het beleid en de wet duidelijk voorschrijven dat het tweede spoor uiterlijk zes tot acht weken na de eerstejaarsevaluatie moet worden ingezet, tenzij er binnen drie maanden een concreet perspectief is op werkhervatting binnen de eigen organisatie. Dit was niet het geval. Eiseres had het arbeidskundig advies van ArboNed ontvangen dat het tweede spoor noodzakelijk was, maar stelde zich op het standpunt dat re-integratie in het eerste spoor nog mogelijk was en wilde eerst reageren op het rapport.

De rechtbank oordeelt dat deze houding niet gerechtvaardigd was en dat eiseres haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. De verzekeringsarts van eiseres had geen onderzoek gedaan en diens rapport werd niet gevolgd. De loonsanctie is daarom terecht opgelegd en gehandhaafd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de loonsanctie wegens te late inzet van het tweede spoor wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2512
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 23 januari 2026 op het beroep in de zaak tussen

[eiseres] te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.M.A. Al Kadiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: M. van Mourik).

Inleiding

1. Op 21 juli 2020 is [A] (hierna: werkneemster) wegens ziekte uitgevallen voor haar werk als [functie] bij eiseres. Zij werkte gemiddeld 27,5 uur per week. Op 26 april 2022 heeft zij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd bij het Uwv.
2. Het Uwv heeft eerst de re-integratie inspanningen van eiseres beoordeeld. Volgens een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft eiseres niet voldaan aan haar re-integratie verplichtingen, omdat eiseres de re-integratie bij een externe organisatie (het tweede spoor) te laat zou hebben ingezet. Hierop heeft het Uwv eiseres een loonsanctie opgelegd: met het besluit van 14 juli 2022 heeft het Uwv de periode waarin eiseres het loon van werkneemster moet doorbetalen verlengd met 52 weken, namelijk tot 18 juli 2023. De WIA-aanvraag van werkneemster is hierom niet in behandeling genomen.
3. Eiseres is het niet eens met de loonsanctie en heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 18 april 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de loonsanctie gehandhaafd.
4. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Werkneemster heeft laten weten dat zij niet wil deelnemen aan de beroepsprocedure. Zij heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken waar haar medische gegevens in staan, te delen met eiseres. De stukken zijn daarom alleen gedeeld met de gemachtigde van eiseres. [1]
5. Het beroep is op 9 oktober 2025 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiseres is op de zitting vertegenwoordigd door haar enig bestuurder, [B] , bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [C] , verzekeringsarts, en door [D] . Het Uwv heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
6. Nu werkneemster geen toestemming heeft gegeven voor het delen van stukken die medische gegevens bevatten, zal de rechtbank de motivering van haar oordeel in deze uitspraak ook in zoverre beperken. Dit om te voorkomen dat de medische gegevens van werkneemster via deze weg alsnog openbaar worden.

Overwegingen

Verloop re-integratieproces
7. Voor zover relevant voor deze zaak, overweegt de rechtbank over het verloop van het re-integratieproces als volgt. Werkneemster is gedurende het eerste ziektejaar door de bedrijfsarts niet belastbaar geacht. Zij was nog onder behandeling en werd op dat moment energetisch te beperkt geacht om te werken. Werkneemster heeft het eerste ziektejaar daarom niet kunnen re-integreren in het eigen werk of ander passend werk binnen de eigen organisatie (het eerste spoor).
8. In de Eerstejaarsevaluatie van 23 juni 2021 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat de energetische beperkingen van werkneemster naar verwachting geleidelijk zullen gaan afnemen. Hierdoor zal zij ook geleidelijk kunnen gaan hervatten in passend werk. De bedrijfsarts heeft de arbeidsbeperkingen van werkneemster vastgesteld en vastgelegd in een Lijst Arbeidsmogelijkheden en Beperkingen (LAB) van 11 juni 2021. Gezien de duur van de arbeidsongeschiktheid en het matige herstel adviseert de bedrijfsarts eiseres om een (extern) arbeidskundig onderzoek te laten doen.
9. Op 19 juli 2021 heeft ook werkneemster het formulier Eerstejaarsevaluatie ingevuld. Hierop heeft zij aangegeven dat zij wil starten met re-integratie bij een externe organisatie (het tweede spoor) omdat de arbeidsrelatie met eiseres volgens haar verstoord is. Bij de hierop volgende periodieke evaluatie van 1 augustus 2021 heeft ook de bedrijfsarts geconcludeerd dat direct contact tussen werkneemster en eiseres nog niet is aan te raden. Zij adviseert eiseres om het contact weer op te pakken, zodra de belastbaarheid van werkneemster dat toelaat, wel of niet met bemiddeling.
10. In lijn met de eerstejaarsevaluatie van de bedrijfsarts, heeft eiseres een extern arbeidskundig bureau, ArboNed, ingeschakeld dat op 2 augustus 2021 arbeidskundig onderzoek heeft verricht. De arbeidsdeskundige heeft op 10 augustus 2021 gerapporteerd en komt tot de conclusie dat het eigen werk niet passend is voor werkneemster en ook niet passend is te maken. Werkneemster is volgens hem ook niet geschikt voor ander werk binnen de eigen organisatie, vanwege de verstoorde arbeidsrelatie met eiseres. Re-integratie in het eerste spoor is dus niet meer mogelijk. De arbeidsdeskundige acht werkneemster wél geschikt voor passend werk elders op de arbeidsmarkt (het tweede spoor), mits daarin rekening wordt gehouden met de voor werkneemster vastgestelde beperkingen. Het rapport van de arbeidsdeskundige is aan eiseres toegestuurd, maar omdat er aanvankelijk een verkeerd e-mailadres is gebruikt heeft eiseres het pas op 1 september 2021 ontvangen.
11. Bij de periodieke evaluatie van 8 september 2021 heeft de bedrijfsarts eiseres geadviseerd om de adviezen en aanbevelingen van de arbeidsdeskundige van ArboNed op te volgen.
12. Eiseres heeft op 15 september 2021 schriftelijk op het rapport van ArboNed gereageerd. Zij is het niet eens met de conclusies van de arbeidsdeskundige. Volgens eiseres is er geen sprake van een arbeidsconflict, zodat re-integratie in het eerste spoor nog altijd mogelijk is. Zij wil dan ook dat de arbeidsdeskundige dienovereenkomstig adviseert. De arbeidsdeskundige is daar echter niet toe bereid, en reageert met het advies aan eiseres om een deskundigenoordeel bij het Uwv aan te vragen als zij het er niet mee eens is. Zijn conclusie blijft ongewijzigd.
13. Het Uwv heeft uiteindelijk twee deskundigenoordelen uitgebracht; één op verzoek van werkneemster en één op verzoek van eiseres. In het deskundigenoordeel op verzoek van werkneemster, van 15 oktober 2021, concludeert een arbeidsdeskundige van het Uwv dat eiseres onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht: eiseres zou al moeten zijn gestart met een adequaat tweede-spoortraject én met mediation. In het deskundigenoordeel op verzoek van eiseres, van 6 december 2021 concludeert een arbeidsdeskundige van het Uwv dat zij niet kan beoordelen of het door eiseres aan werkneemster aangeboden werk passend is, omdat eiseres geen concreet werkaanbod zou hebben gedaan.
14. Van december 2021 tot januari 2022 vinden uiteindelijk mediationgesprekken plaats tussen eiseres en werkneemster. Eiseres heeft werkneemster uiteindelijk op 18 februari 2022 aangemeld bij [organisatie] voor de re-integratie in het tweede spoor, waar werkneemster op 1 maart 2022 een intakegesprek heeft gehad.
Standpunt Uwv
15. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres, gelet op de uitkomsten van het arbeidskundig onderzoek van ArboNed, uiterlijk begin september 2021 (vlak nadat zij het rapport daadwerkelijk had ontvangen) met het tweede spoor had moeten starten. Het tweede spoor is daarentegen pas in maart 2022 voor het eerst ingezet. Dat is te laat. Hier bestond geen goede reden voor, zodat aan eiseres terecht een loonsanctie is opgelegd, aldus het Uwv.
Standpunt eiseres
16. Eiseres vindt het onterecht dat het Uwv haar een loonsanctie heeft opgelegd. Zij heeft er naar eigen zeggen alles aan gedaan om werkneemster te laten re-integreren, ook in het tweede spoor. Eiseres heeft vacatures bij externe organisaties beschikbaar gesteld, een re-integratiebureau ingeschakeld en een mediationtraject opgestart.
17. Eiseres voert verder aan dat werkneemster niet belastbaar was voor werk, zodat re-integratie helemaal niet mogelijk was, ook niet in het tweede spoor. Ter onderbouwing heeft eiseres rapporten overgelegd van verzekeringsarts [C] , die daarin concludeert dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden had vanwege haar wisselende belastbaarheid. Volgens eiseres had het Uwv ook verzekeringsgeneeskundig onderzoek moeten doen naar de beperkingen van de werkneemster.
18. Verder vindt eiseres dat het Uwv haar geen loonsanctie had mogen opleggen, omdat er gedurende het proces allerlei fouten zijn gemaakt door anderen. Zo kwam het voor eiseres uit de lucht vallen dat de arbeidsrelatie met werkneemster verstoord zou zijn. Zowel de bedrijfsarts als de procesbegeleider hebben haar daar eerder niet over geïnformeerd. Volgens eiseres is de relatie met werkneemster altijd goed geweest, ook tijdens het eerste ziektejaar, ook al was er toen alleen contact via Whatsapp. Eiseres was (en is) het niet eens met de conclusie van de arbeidsdeskundige van ArboNed dat het tweede spoor moest worden ingezet. Zij moet naar eigen zeggen dan ook de ruimte krijgen om op het rapport van ArboNed te kunnen reageren en daarover een deskundigenoordeel te vragen aan het Uwv, zonder dat dat doorkruist wordt met een in te zetten tweede spoor. Daar komt bij dat het rapport slechts een richtinggevend advies inhoudt, waar eiseres dus van kon en mocht afwijken. Tot slot bevatten de deskundigenoordelen van het Uwv volgens eiseres fouten, en hebben de arbeidsdeskundigen van het Uwv geen enkele rekenschap gegeven van het verloop van de re-integratie. Dit geldt ook voor de medewerker bezwaar en beroep van het Uwv die in de bezwaarfase was betrokken en het dossier niet zou hebben gelezen, omdat het ‘te omvangrijk’ was. Samengevat, aan eiseres zelf kan helemaal niets worden verweten, ook al is zij de werkgever.
Beoordeling door de rechtbank
19. De rechtbank volgt eiseres niet en zal dat hierna uitleggen.
20. In de Wet WIA is bepaald dat het Uwv achteraf beoordeelt of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. [2] Als de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht dan legt het Uwv een loonsanctie op. [3] Een loonsanctie is een belastend besluit. Het is daarom eerst aan het Uwv om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In de Wet WIA staat niet hoe dat moet worden beoordeeld. Het Uwv heeft hiervoor de ‘Beleidsregels beoordelingskader poortwachter’ vastgesteld. Voor zijn arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen hanteert het Uwv de Werkwijzer Poortwachter.
Het beleid is duidelijk
21. In dit beleid staat duidelijk vermeld wanneer het tweede spoor moet worden ingezet. De werkgever moet met een adequaat tweede-spoortraject starten zodra er geen zicht meer bestaat op een structurele hervatting binnen de eigen organisatie (het eerste spoor). Het tweede spoor moet uiterlijk,
dus in ieder gevalbinnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie worden ingezet. Het beleid biedt maar één uitzonderingssituatie op dit uitgangspunt: inzet van het tweede spoor kan alleen achterwege blijven als er binnen drie maanden een concreet perspectief is op structurele werkhervatting binnen de eigen organisatie in eigen, aangepast of ander passend werk dat zo dicht mogelijk aansluit bij de functionele mogelijkheden. [4]
22. De eerstejaarsevaluatie van de bedrijfsarts was op 23 juni 2021. Werkneemster is daarbij belastbaar geacht voor werk dat in lijn is met de LAB van 11 juni 2021. Voornoemde uitzonderingssituatie deed zich niet voor. Eiseres had dus uiterlijk zes weken later, op 4 augustus 2021, een adequaat tweede-spoortraject moeten inzetten.
23. Dat werkneemster in het eerste ziektejaar niet belastbaar was voor werk, maakt dat in dit geval niet (noemenswaardig) anders. Het beleid is op dat punt wederom duidelijk: als een werknemer pas na de eerstejaarsevaluatie voor het eerst belastbaar word geacht voor werk, dan moeten de re-integratieactiviteiten (ook het tweede spoor) uiterlijk binnen acht weken na vaststelling van de belastbaarheid worden ingezet. [5] De LAB is op 11 juni 2021 vastgesteld. Eiseres had dus uiterlijk acht weken later, op 6 augustus 2021, een adequaat tweede-spoortraject moeten inzetten. Ook hier geldt dat alleen kan worden afgezien van het tweede spoor als de hiervoor genoemde uitzonderingsituatie zich voordoet. Die deed zich niet voor.
Re-integratie was mogelijk
24. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat werkneemster ook het tweede ziektejaar nog niet belastbaar zou zijn geweest voor werk, waardoor re-integratie helemaal niet mogelijk was. De conclusie van verzekeringsarts [C] dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden zou hebben, strookt geenszins met de beoordelingen van de bedrijfsarts en de LAB van 11 juni 2021, en doet de rechtbank ook niet aan die beoordelingen twijfelen. Verzekeringsarts [C] heeft werkneemster immers niet gezien en/of onderzocht, geen medische informatie bij zijn beoordeling betrokken en heeft zich enkel op dossierstukken gebaseerd. De rechtbank ziet ook niet dat het Uwv de belastbaarheid van werkneemster had moeten laten onderzoeken door een van zijn verzekeringsartsen. Op de zitting heeft het Uwv toegelicht dat er in de eerste 104 weken ziekte alleen verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt gedaan, als er dusdanig veel beperkingen zijn aangenomen dat, dat de re-integratie belemmert of bemoeilijkt. Daar was hier geen sprake van. Het betoog slaagt in zoverre niet.
Het ‘ad-hoc’ aanbieden van functies is niet adequaat
25. Eiseres had dus onverminderd uiterlijk op 6 augustus 2021 een adequaat tweede-spoortraject moeten inzetten. Hiervan is sprake als de werkgever de werknemer actief begeleidt bij het vinden, verkrijgen en behouden van een voor hem/haar geschikte functie in een andere organisatie, gebaseerd op een vooraf opgesteld en schriftelijk vastgelegd re-integratieplan. Het traject is adequaat als het bestaat uit een logisch samenhangende reeks van elkaar opvolgende, flankerende en/of overlappende activiteiten, die de afstand tussen het persoonsprofiel en het zoekprofiel van de werknemer zo snel en zo veel mogelijk opheft of verkleint. [6] Eiseres zou naar eigen zeggen vacatures bij externe organisaties beschikbaar hebben gesteld. Echter, uit het dossier volgt slechts dat eiseres werkneemster op 18 oktober 2021 (te laat dus) heeft gewezen op werk als afwashulp bij een restaurant en werk bij een doe-het-zelf-zaak. Daarbij is geen enkel inzicht verschaft in de werkomstandigheden en de werktijden. Er is geen persoonsprofiel van werkneemster gemaakt en betrokken, en een re-integratieplan ontbrak geheel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit dus weinig tot niets van doen gehad met het inzetten van een adequaat tweede-spoortraject dat rekening houdt met de belastbaarheid van werkneemster. Het betoog slaagt in zoverre evenmin.
Er geldt maar één uitzonderingssituatie
26. Omdat het beleid maar één uitzonderingssituatie kent op grond waarvan de inzet van het tweede spoor achterwege mag blijven, treft al het overige dat eiseres heeft aangevoerd geen doel. Een arbeidsconflict kan in het uiterste geval alleen gevolgen hebben voor de inzet van het eerste spoor. [7] ‘Fouten’ van anderen, voor zover daar in deze zaak überhaupt al van is gebleken, kunnen eiseres evenmin ontslaan van haar verplichting om tijdig een adequaat tweede-spoortraject in te zetten. Daarbij wijst de rechtbank eiseres ook op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep waaruit volgt dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij eiseres ligt, als werkgever. [8] Eiseres is dus ook verantwoordelijk voor de door haar ingeschakelde bedrijfsarts en het door haar ingeschakelde extern arbeidskundig bureau.
27. Dat eiseres het niet eens was met het advies van ArboNed en eerst nog op het rapport wilde reageren, is evenmin reden om het tweede spoor uit te stellen of achterwege te laten. Bovendien is op de zitting duidelijk geworden dat de arbeidsdeskundige van ArboNed eiseres al tijdens zijn gesprek met haar, ruim vóórdat hij zijn rapport uitbracht, heeft geïnformeerd over zijn conclusies. Eiseres wist dus al ruim voordat zij het rapport van ArboNed op 1 september 2021 ontving, dat de arbeidsdeskundige zou gaan adviseren om het tweede spoor in te zetten. Zij had hier toen al op kunnen anticiperen.
28. Wat eiseres verder heeft aangevoerd over de deskundigenoordelen van het Uwv treft evenmin doel. Toen de deskundigenoordelen werden uitgebracht had eiseres al lang met een adequaat tweede-spoortraject gestart moeten zijn. De rechtbank ziet bovendien dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv wel degelijk rekenschap hebben gegeven van het verloop van de re-integratie, maar daar (terecht) niet het gevolg aan hebben verbonden dat eiseres het tweede spoor kon uitstellen of achterwege kon laten. Zoals gezegd kan dat immers alleen als de genoemde uitzonderingssituatie zich voordoet, en die deed zich niet voor.
Eiseres is als werkgever verantwoordelijk
29. De rechtbank constateert tot slot dat het Uwv in geval van eiseres zelfs nog coulant is geweest. Het Uwv werpt eiseres niet tegen dat zij het rapport van ArboNed heeft afgewacht en vindt dat daardoor pas begin september (in plaats van 6 augustus) 2021 met het tweede spoor gestart had moeten worden. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt wél dat de rechtbank geen enkel aanknopingspunt heeft voor de conclusie dat eiseres daar nóg langer de tijd voor zou moeten hebben gekregen. In dat verband merkt de rechtbank tot slot nog op dat het wel verwonderlijk is dat eiseres, als werkgever, in weerwil van de voor een werkgever toch duidelijke re-integratieverplichtingen tot het tijdig inzetten van een adequaat tweede-spoortraject, in weerwil van de adviezen van haar eigen deskundigen en de deskundigenoordelen van het UWV, én het feit dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij uitval van (een van) haar werknemers bij haar ligt, en niet bij anderen, zo tegen haar eigen belangen in heeft gehandeld. In zoverre was deze loonsanctie volstrekt vermijdbaar. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
30. Omdat eiseres pas in maart 2022, ruim zes maanden te laat, een adequaat tweede-spoortraject heeft ingezet, is haar terecht een loonsanctie opgelegd. Het Uwv heeft de loonsanctie met het bestreden besluit dan ook op goede gronden in stand gelaten.
31. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, waaronder de geclaimde reis- en deskundigenkosten, bestaat geen aanleiding. Eiseres heeft bij brief van 8 oktober 2025 verzocht om schadevergoeding. Omdat niet is gebleken van onrechtmatige besluitvorming wijst de rechtbank dat verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, en mr. W. Altenaar, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 65 van Pro de Wet WIA.
3.Artikel 25, negende lid van de Wet WIA.
4.Paragraaf 4.3.1 van de Werkwijzer Poortwachter
5.Paragraaf 4.3.2 van de Werkwijzer Poortwachter.
6.Paragraaf 4.3.4 van de Werkwijzer Poortwachter.
7.Paragraaf 4.5.1 van de Werkwijzer Poortwachter.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2850, en de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:907.