Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2330

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/6315
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 OmgevingswetArt. 8:5 AwbBijlage 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd tot behandeling beroep tegen besluit geen effectafstand perceelsontwatering in beheerplan Natura 2000

Eisers, eigenaren van een landgoed en een vennootschap, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel om geen onderdeel aan het beheerplan Engbertsdijksvenen toe te voegen waarin een effectafstand voor drainage wordt vastgelegd. Het college besloot dit omdat actuele wetenschappelijke gegevens ontbreken en men niet vooruit wil lopen op de herziening van het beheerplan in 2028.

Eisers stellen dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, strijdig met het zorgvuldigheids-, evenredigheids- en vertrouwensbeginsel. Zij verwijzen naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en rechtbanken die het college hebben opgedragen een herstelbesluit te nemen met een effectafstand.

De rechtbank oordeelt echter dat het besluit geen onderdeel bevat waarin een activiteit is beschreven die zonder omgevingsvergunning is toegestaan, waardoor het beroep op grond van de Awb is uitgesloten. De rechtbank volgt recente jurisprudentie en verklaart zich daarom onbevoegd om het beroep te behandelen.

Hoewel de uitkomst teleurstellend is voor eisers, kan de rechtbank niet over haar onbevoegdheid heenstappen. Wel veroordeelt zij het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten vanwege de onduidelijke rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit.

Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het besluit geen effectafstand voor perceelsontwatering op te nemen in het beheerplan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6315

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van

7 mei 2026 in de zaak tussen

1. [eisers sub 1]eigenaren van het landgoed [locatie] , en
2. [eiser sub 2] v.o.f.gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisers
(gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars),
en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel (het college), verweerder

(gemachtigde: mr. C. Schimmer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van
8 juli 2025 (het bestreden besluit) van het college om geen onderdeel aan het beheerplan Engbertsdijksvenen toe te voegen met een beschrijving van activiteiten voor perceelsontwatering, waardoor deze activiteiten zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit kunnen worden verricht.
2. Concreet komt het bestreden besluit erop neer dat het college heeft besloten geen effectafstand voor drainage vast te stellen. De reden daarvoor is dat voor het bepalen van een nieuwe effectafstand de meest actuele wetenschappelijke kennis moet worden gehanteerd en informatie over perceelontwatering en agrarische grondwateronttrekking ontbreekt. Op korte termijn kan daarom niet met wetenschappelijke zekerheid een nieuwe effectafstand worden vastgesteld waarmee een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen is uit te sluiten. Verder wil het college niet vooruitlopen op de herziening van het beheerplan Engbertsdijksvenen, dat in juni 2028 klaar moet zijn.
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit, omdat het ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgens hen heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om een effectafstand voor drainage vast te leggen in het beheerplan, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eisers vinden het bestreden besluit ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het college nu helemaal afziet van het opnemen van een effectafstand. Dat is gelet op de voorgeschiedenis van deze zaak volgens eisers ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Zij wijzen erop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en later de rechtbank Noord-Nederland het onderdeel uit het beheerplan met een effectafstand voor drainage van 1.000 meter hebben vernietigd en het college opdracht hebben gegeven tot het nemen van een herstelbesluit. [1] En ook de rechtbank Midden-Nederland heeft bepaald dat het college alsnog een besluit moest nemen. [2] Eisers vinden dat ze er dus op mochten vertrouwen dat het college het gebrek zou herstellen door alsnog een deugdelijk onderbouwde effectafstand voor drainage in het beheerplan op te nemen.
4. De rechtbank heeft het beroep van eisers op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] met hun gemachtigde en
mr. J. Wijnmaalen en de gemachtigde van het college samen met [C] .
5. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank acht zich niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep en zal dat uitleggen.
7. Het college heeft met het bestreden besluit gemotiveerd afgezien van het aan het beheerplan toevoegen van een beschrijving van activiteiten voor perceelontwatering waardoor deze vergunningvrij zouden worden voor de Natura 2000-activiteit. Het gevolg hiervan is dus dat er geen onderdeel aan het beheerplan is toegevoegd met een beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
8. Artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat gedeputeerde staten voor een Natura 2000-gebied een beheerplan vaststellen.
9. Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van Pro de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2).
10. Artikel 1, aanhef en onder Omgevingswet, onder g, van bijlage 2 bij de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen onder meer een besluit genomen op grond van artikel 3.8 van de Omgevingswet, voor zover het niet betreft een daarin opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
11. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat uitsluitend beroep kan worden ingesteld tegen een onderdeel van een beheerplan waarin een beschrijving van een activiteit is opgenomen als gevolg waarvan die activiteit is toegestaan zonder een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.
12. Nu het college er met het bestreden besluit uitdrukkelijk voor heeft gekozen om niet een dergelijk onderdeel aan het beheerplan toe te voegen, valt dit onder de werking van artikel 8:5, eerste lid van de Awb en is dit dus van beroep uitgesloten. De rechtbank sluit hiermee aan bij de lijn zoals ook verwoord in de uitspraak van de rechtbank Limburg van
14 januari 2026. [3] Voor zover eisers hebben gewezen op de uitspraken van 25 oktober 2017 en 16 maart 2018 van de Afdeling [4] , waaruit is af te leiden dat ook beroep kan worden ingesteld tegen het niet in een beheerplan opnemen van vrijstellingen van de vergunningplicht, merkt de rechtbank op dat de Afdeling in recentere rechtspraak andere standaardoverwegingen is gaan gebruiken waaruit dit niet meer kan worden afgeleid. De rechtbank wijst hiervoor op de uitspraken van 9 oktober 2019 en 16 april 2026. [5] Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij onbevoegd is. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitkomst teleurstellend is voor eisers maar de rechtbank kan niet over haar onbevoegdheid heenstappen.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank is onbevoegd van het beroep kennis te nemen. Aan (verdere) behandeling van het beroep komt de rechtbank dan ook niet toe.
14. De rechtbank ziet wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat het de griffiekosten van eisers vergoedt. De reden hiervoor is gelegen in de rechtsmiddelenclausule onder het bestreden besluit, waarmee de indruk is gewekt dat het instellen van beroep mogelijk was. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
15. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026 door mr. ing. A. Rademaker, voorzitter, en mr. J. Wolbrink en mr. S.D.P. Kole, leden, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894 en uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:125.
2.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:259.