Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2301

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
10 mei 2026
Zaaknummer
C/16/596082 / HA ZA 25-337
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op schadevergoeding na onrechtmatige opzegging duurovereenkomst en valselijk opgemaakte overeenkomst

Eiser en gedaagde waren in geschil over een samenwerkingsovereenkomst die volgens eiser op 1 augustus 2017 was aangegaan. Gedaagde stelde dat deze overeenkomst valselijk was opgemaakt. De rechtbank oordeelde dat gedaagde dit voldoende had aangetoond en dat eiser onvoldoende tegenbewijs had geleverd, waardoor de primaire vordering werd afgewezen.

Subsidiair vorderde eiser een schadevergoeding wegens de per direct opzegging van een mondelinge duurovereenkomst. De rechtbank stelde vast dat gedaagde een opzegtermijn van drie maanden in acht had moeten nemen en veroordeelde gedaagde tot betaling van de gederfde winst over die periode, begroot op € 12.522,95 plus wettelijke rente.

Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van een openstaande factuur voor uren die eiser niet had gewerkt maar die pas op het laatste moment waren geannuleerd, omdat gedaagde dit niet had kunnen onderbouwen. Ook werden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan eiser toegewezen. De vorderingen van gedaagde in reconventie werden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de primaire vordering af wegens valselijk opgemaakte overeenkomst, maar veroordeelt gedaagde tot betaling van schadevergoeding, openstaande factuur, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/596082 / HA ZA 25-337
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [handelsnaam] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats]
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [plaats] ,
advocaat: mr. W.A.A. van Kuijk.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 17;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 19;
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 18;
- de akte overlegging nadere producties van [plaats] met producties 20 t/m 24.
1.2
Op 18 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren [eiser] , [A] (HR medewerker van [plaats] ), [B] (HR medewerker van [plaats] ), [C] (logistiek manager van [plaats] ) en de advocaten aanwezig. De advocaten hebben spreekaantekeningen voorgedragen. Deze heeft de rechtbank toegevoegd aan het dossier.
1.3
Op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [plaats] toegelicht dat [plaats] inmiddels een nieuwe statutaire naam heeft: [bedrijf] ( [bedrijf] ) B.V. Deze vennootschap heeft nog steeds hetzelfde KvK-nummer als [plaats] . In dit vonnis zal de rechtbank, aansluitend bij de processtukken, de oude statutaire naam blijven gebruiken.
1.4
Daarna is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[plaats] heeft de samenwerking met [eiser] in januari 2024 per direct opgezegd. [eiser] is het daar niet mee eens en vordert een bedrag van € 392.040,00 van [plaats] . [eiser] vindt dat hij daar recht op heeft omdat partijen op 1 augustus 2017 een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) zijn aangegaan waarin dit is bepaald. [plaats] betwist dit en stelt dat de overeenkomst valselijk is opgemaakt. De rechtbank is het hier mee eens en wijst de primaire vordering af.
2.2
Subsidiair vordert [eiser] een schadevergoeding van € 57.091,75 omdat [plaats] de duurovereenkomst tussen partijen per direct heeft opgezegd. [plaats] vindt dat zij geen vergoeding hoeft te betalen. De rechtbank is het met [eiser] eens dat [plaats] een opzegtermijn in acht had moeten nemen en veroordeelt [plaats] daarom om een schadevergoeding (€ 12.522,95) te betalen.
2.3
Daarnaast vordert [eiser] dat [plaats] zijn laatste openstaande factuur betaalt. [plaats] is van oordeel dat zij deze niet hoeft te betalen omdat [eiser] niet gewerkte uren in rekening heeft gebracht. De vordering van [plaats] in reconventie sluit hier ook bij aan, want zij stelt dat zij ook al eerder facturen heeft betaald waar niet gewerkte uren in rekening zijn gebracht. De rechtbank is van oordeel dat [plaats] ook voor de niet gewerkte uren moet betalen omdat [plaats] de geplande werkzaamheden van [eiser] pas kort van tevoren heeft geannuleerd.

3.De beoordeling

in conventie en reconventie
3.1
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.
De (valselijk opgemaakte) overeenkomst
Volgens [eiser] zijn partijen in 2017 een overeenkomst aangegaan
3.2
[eiser] baseert zijn primaire vordering op de stelling dat partijen op 1 augustus 2017 schriftelijk de overeenkomst zijn aangegaan. In de overeenkomst is onder andere bepaald dat:
[eiser] minimaal 30 weken per jaar minimaal 45 uur per week chauffeurswerkzaamheden voor [plaats] verricht;
[eiser] voor het verrichten van deze werkzaamheden de volgende uurtarieven (exclusief btw) ontvangt:
de overeenkomst eindigt op 28 december 2017;
[plaats] de overeenkomst voor die einddatum alleen kan opzeggen als zij [eiser] voor de resterende jaren afkoopt. Het bedrag dat [eiser] dan ontvangt wordt dan als volgt berekend: 30 weken per jaar voor de resterende jaren x 45 uur x € 60,00 (exclusief btw);
[eiser] de overeenkomst niet tussentijds kan beëindigen, tenzij hij ziek of arbeidsongeschikt is.
Omdat [plaats] in januari 2024 de overeenkomst heeft opgezegd, stelt [eiser] dat hij op grond van de overeenkomst recht heeft op € 394.000,00 (inclusief btw). Dit bedrag heeft hij berekend zoals hierboven onder d) omschreven. Volgens [plaats] zijn partijen de overeenkomst niet aangegaan en hoeft zij dit bedrag dus ook niet te betalen. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op het juridisch kader. Vervolgens zullen de stellingen van [plaats] worden besproken.
Het juridische kader als een partij stelt dat sprake is van een valselijk opgemaakte overeenkomst
3.3
[plaats] stelt dat [eiser] de overeenkomst valselijk heeft opgemaakt. Van die stelling draagt zij in beginsel de stelplicht en de bewijslast op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro. Daarnaast heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter in zo’n geval op grond van vaststaande feiten, zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte, of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept, met betrekking tot de totstandkoming van de tekst tot het oordeel kan komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat die tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst. De rechter mag hierbij alle omstandigheden betrekken die hij van belang acht. Hij is daarbij dus niet beperkt tot omstandigheden of stellingen die de totstandkoming van de tekst betreffen. Naar de bedoeling van de wetgever heeft de rechter, ook als het gaat om de beoordeling van de echtheid van een onderhandse akte, een grote vrijheid bij de waardering van het bewijs. [1]
[plaats] heeft de stelling dat sprake is van een valselijk opgemaakte overeenkomst aannemelijk gemaakt
3.4
De rechtbank is van oordeel dat [plaats] voldoende heeft gesteld om te concluderen dat sprake is van een valselijk opgemaakte overeenkomst en dat [eiser] deze stelling onvoldoende heeft betwist. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [plaats] meerdere argumenten aangevoerd en deze argumenten heeft [eiser] maar gedeeltelijk weersproken. Het had op de weg van [eiser] gelegen om de argumenten van [plaats] uiterlijk op de mondelinge behandeling te betwisten. Dit heeft hij onvoldoende gedaan. Dit leidt tot de conclusie dat [plaats] in voldoende mate heeft gesteld en bewezen dat sprake is van een valselijk opgemaakte overeenkomst. De rechtbank licht dit hieronder toe.
3.5
[plaats] heeft haar stelling onderbouwd met de volgende argumenten:
Geen enkele persoon die in 2017 bij [plaats] verantwoordelijk en tekenbevoegd was kent of herkent de overeenkomst of de afspraken die daarin staan. Ook herkent geen van hen de handtekening die onder de overeenkomst staat.
De overeenkomst vertegenwoordigt een hoge waarde (in 2017 was de afkoopwaarde ruim € 800.000 en was de contractwaarde zo’n € 475.000). Het is onaannemelijk dat [plaats] zo’n overeenkomst zou sluiten zonder daarover voorafgaand met [eiser] in gesprek te gaan. [eiser] heeft ook niet gesteld of en met wie hij over de inhoud van de overeenkomst heeft gesproken.
Voor eind 2023 heeft [eiser] nooit over de overeenkomst gesproken en heeft hij er ook nooit naar verwezen.
Pas vanaf 28 augustus 2017 is [eiser] chauffeurswerkzaamheden voor [plaats] gaan verrichten. Gelet daarop is het onaannemelijk dat [plaats] op 1 augustus 2017 met een voor haar vrijwel onbekende chauffeur, die ook geen bijzonder specialisme heeft, zo’n langlopende overeenkomst zou afsluiten.
[plaats] zet zelfstandige chauffeurs, wat [eiser] ook was, in als flexibele schil. De overeenkomst is echter helemaal niet flexibel.
Het lettertype en de opmaak van de overeenkomst verschillen van andere overeenkomsten die [plaats] in 2017 heeft opgemaakt. Daarnaast is de overeenkomst niet geparafeerd en ontbreekt de naam van de ondertekenaar, terwijl dat normaal gesproken wel gebeurde.
Op de overeenkomst staat een stempel, maar dit stempel werd alleen gebruikt door chauffeurs en ander logistiek personeel. Voor commerciële overeenkomsten werd altijd een andere stempel gebruikt.
De afspraken over het te hanteren uurtarief zijn onlogisch. Daarnaast heeft [eiser] in 2022 met de heer [D] (een medewerker van [plaats] ) onderhandeld over zijn uurtarief. Dat is onlogisch als tussen partijen de overeenkomst gold.
Het is onlogisch dat [plaats] in de overeenkomst zou hebben bepaald dat de bevoegde rechtbank de rechtbank in Utrecht is. Met deze rechtbank heeft [plaats] geen enkele band.
Op deze argumenten en de eventuele betwisting daarvan door [eiser] gaat de rechtbank hierna kort in.
Argument 2: er is niet over de inhoud van de overeenkomst gesproken
3.6
Dit argument is naar het oordeel van de rechtbank van belang voor de conclusie dat sprake is van een valselijk opgemaakte overeenkomst. [eiser] heeft toegelicht dat hij voor de totstandkoming van de overeenkomst is gevraagd of hij bij [plaats] in dienst wilde gaan. Dit aanbod heeft hij afgeslagen omdat hij ook andere activiteiten verrichtte. Daarom is toen, volgens [eiser] , met verschillende mensen, maar in ieder geval met de heer [E] besproken dat hij minimaal 30 weken per jaar chauffeursdiensten voor [plaats] zou verrichten. Vervolgens heeft – nog steeds volgens [eiser] - een kantoormedewerker van [plaats] [eiser] verteld dat de overeenkomst in tweevoud samen met een sleutel van het magazijn van [plaats] in zijn postvak lag. Hij heeft toen beide exemplaren getekend en heeft één exemplaar teruggelegd. Uit de stellingen van [eiser] volgt dus dat hij alleen voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomst heeft gesproken over zijn gedeeltelijke (flexibele) beschikbaarheid. Daarom wilde hij geen vast dienstverband. Maar uit niets blijkt dat [eiser] met iemand van [plaats] heeft gesproken over de inhoud van de overeenkomst. Ook niet naar aanleiding van de overeenkomst die in zijn postvakje lag. Niet is gebleken, en [eiser] heeft dat ook niet aangevoerd, dat hij met iemand over de inhoud heeft gesproken, laat staan onderhandeld. Dit is niet geloofwaardig. Te meer niet nu het hier ging om een overeenkomst waarbij partijen voor de duur van 10,5 jaar aan elkaar werden verbonden. [eiser] heeft nog wel toegelicht dat het belang van [plaats] bij de overeenkomst was dat hij flexibel beschikbaar was. [plaats] heeft echter verklaard dat er voldoende chauffeurs beschikbaar waren die op flexibele basis werkzaamheden voor haar wilden verrichten. Dit heeft [eiser] niet betwist. Gelet hierop heeft [eiser] dan ook niet kunnen aangeven dat [plaats] een wezenlijk belang had om een overeenkomst met zo’n lange duur (10,5 jaar) en zo’n hoge contractwaarde (€ 475.000) af te sluiten. Zoals hierboven aangegeven heeft [eiser] evenmin aangegeven dat er onderhandeld is over de inhoud van de overeenkomst, laat staan dat hij aangeeft met wie hij heeft onderhandeld. Dit alles is voor de rechtbank een belangrijke aanwijzing dat de overeenkomst valselijk is opgemaakt.
Argument 4 en 5: [eiser] heeft voor 28 augustus 2017 geen chauffeurswerkzaamheden voor [plaats] verricht
3.7
Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze argumenten mede doorslaggevend voor de conclusie dat sprake is van een valselijk opgemaakte overeenkomst. Deze argumenten heeft [eiser] ook onvoldoende betwist. Uit een door [plaats] opgesteld overzicht blijkt dat de eerste factuur van [eiser] was gedateerd 11 september 2017. Deze eerste factuur had betrekking op vanaf 28 augustus 2017 verrichte chauffeurswerkzaamheden. Toen [eiser] op de mondelinge behandeling werd gevraagd vanaf wanneer hij chauffeurswerkzaamheden voor [plaats] heeft verricht, heeft hij wel verklaard dat hij voor 2017 ook al reed voor een rechtsvoorganger van [plaats] . Hij heeft hier echter geen stukken van overgelegd en dit heeft hij ook niet eerder in de processtukken verklaard. Zoals [plaats] terecht heeft opgemerkt zijn in de dagvaarding hierover ook verschillende stellingen ingenomen. Eerst stelt [eiser] dat hij
vanaf 2017chauffeurswerkzaamheden voor [plaats] heeft verricht. Vervolgens stelt hij dat hij al voor
17 augustus 2017chauffeurswerkzaamheden voor [plaats] heeft verricht. En tot slot stelt hij dat hij al
voor 2017chauffeurswerkzaamheden voor [plaats] verrichte. Het voorgaande leidt voor de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] pas vanaf 28 augustus werkzaamheden voor [plaats] is gaan verrichten. Deze argumenten zijn naar het oordeel van de rechtbank mede doorslaggevend voor de conclusie dat de overeenkomst valselijk is opgemaakt. Als [eiser] voor 28 augustus 2017 namelijk geen chauffeurswerkzaamheden voor [plaats] heeft verricht, is het onaannemelijk dat [plaats] de overeenkomst op 1 augustus 2017 is aangegaan. Dat zou namelijk betekenen dat zij met een voor haar onbekende chauffeur een overeenkomst zou aangaan met een contractduur van 10,5 jaar, een minimale beschikbaarheid van 30 weken per jaar en 45 uur per week. Dit is niet aannemelijk.
Argument 8: de afspraken over het uurtarief zijn onlogisch
3.8
Het argument dat de opbouw van de tarieven onlogisch is, draagt ook bij aan de onderbouwing van de stelling dat de overeenkomst valselijk is opgemaakt. In de overeenkomst is namelijk bepaald dat voor de jaren 2017 t/m 2021 een vast tarief gold (€27,50 per uur). Vanaf 2022 werd het tarief jaarlijks verhoogd. In 2022 met € 2,50. In 2023 met € 5,00. Daarna jaarlijks weer met € 2,50. [eiser] heeft niet kunnen uitleggen waarom deze onlogische en opvallende wijzigingen van de uurtarieven waren afgesproken. Waarom werd bijvoorbeeld voor 2022 een verhoging van € 2,50 afgesproken, in 2023 van € 5,00 en voor de jaren daarna weer een verhoging van € 2,50? Terecht heeft [plaats] erop gewezen dat dit enkel te verklaren valt doordat de overeenkomst later is opgemaakt, toen bekend was welke tariefwijzigingen al hadden plaatsgevonden. [eiser] heeft hier ook niet expliciet op gereageerd.
Argument 9: bevoegde rechter
3.9
Dit argument heeft [eiser] niet betwist. Gelet op de andere argumenten draagt dit bij aan de conclusie dat de overeenkomst valselijk is opgemaakt.
De andere argumenten (1, 3, 6 en 7)
3.1
De andere argumenten van [plaats] vindt de rechtbank minder sterk en deze dragen daardoor in beperkte mate bij aan het oordeel dat de overeenkomst valselijk is opgesteld. Ook heeft [eiser] deze argumenten betwist. Ten eerste heeft [eiser] terecht opgemerkt dat uit de stellingen van [plaats] blijkt dat zij kennelijk niet alle personen heeft kunnen achterhalen die tekenbevoegd waren. Dat niemand de overeenkomst (her)kent betekent daarom niet automatisch dat deze niet tot stand is gekomen. Ten tweede overtuigt het argument dat [eiser] voor 2023 nooit over de overeenkomst heeft gesproken niet. [eiser] heeft deze stelling ook betwist en gelet daarop heeft [plaats] onvoldoende onderbouwd dat [eiser] niet eerder over de overeenkomst heeft gesproken. Ten derde heeft [eiser] de stelling dat een afwijkende opmaak betekent dat de overeenkomst valselijk is opgemaakt voldoende betwist. Zoals [eiser] terecht heeft opgemerkt, kan het zo zijn dat in die tijd voor samenwerkingsovereenkomsten een ander lettertype werd gebruikt dan voor de arbeidsovereenkomsten die [plaats] heeft overgelegd. Tot slot is ook de stelling van [plaats] dat de stempel onder de overeenkomst niet dezelfde stempel is als die onder andere commerciële contracten werd gebruikt, onvoldoende steekhoudend. Het valt immers niet uit te sluiten dat er destijds abusievelijk een ander stempel is gebruikt.
Conclusie: de overeenkomst is valselijk opgemaakt
3.11
Het voorgaande in samenhang beschouwd leidt tot de conclusie dat [plaats] voldoende heeft gesteld dat sprake is van een valselijk opgemaakte overeenkomst en dat [eiser] deze stellingen onvoldoende heeft betwist. Dit betekent dat [eiser] geen beroep kan doen op het bepaalde in de overeenkomst en dus ook niet op de daarin opgenomen opzeggingsvergoeding. Daarom zal de rechtbank de primaire vordering van [eiser] afwijzen.
De opzegging van de duurovereenkomst
Partijen zijn een (mondelinge) duurovereenkomst aangegaan
3.12
Subsidiair vordert [eiser] een schadevergoeding omdat [plaats] de duurovereenkomst heeft opgezegd. [plaats] is het met hem eens dat tussen hen een duurovereenkomst gold, maar vindt dat zij geen schadevergoeding aan [eiser] hoeft te betalen. De duurovereenkomst zijn partijen mondeling aangegaan, dit was volgens [plaats] tot eind 2023 ook gebruikelijk. Tot die tijd was het gebruikelijk dat [plaats] de facturen die zij van chauffeurs ontving voor gewerkte diensten betaalde en werden er verder geen afspraken gemaakt.
[plaats] mocht de duurovereenkomst opzeggen
3.13
Omdat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de periode waarin [eiser] werkzaamheden voor [plaats] zou verrichten, was sprake van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd waarbij geen regeling voor opzegging was overeengekomen. De duurovereenkomst is daarom in beginsel opzegbaar. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en omstandigheden van het geval wel meebrengen dat:
opzegging alleen mogelijk is als een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat;
een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen; of
de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van schadevergoeding. [2]
3.14
[eiser] heeft geen beroep gedaan op de noodzaak van (of het ontbreken van) een zwaarwegende grond voor opzegging of een aanbod tot schadevergoeding, maar heeft wel aangevoerd dat [plaats] de duurovereenkomst niet zonder opzegtermijn mocht opzeggen. Volgens [eiser] was een opzegtermijn van 12 maanden redelijk, want partijen werkten al lange tijd (al sinds voor 2017) samen. [plaats] heeft betwist dat een opzegtermijn in acht moest worden genomen. Zij had drie redenen voor de opzegging:
Op de laatste twee facturen van [eiser] werden uren die hij niet voor [plaats] had gewerkt in rekening gebracht;
Er was minder behoefte aan flexibele chauffeurs;
Er waren klachten van andere medewerkers van [plaats] en van klanten over [eiser] .
[plaats] had bij de opzegging een opzegtermijn in acht moeten nemen
3.15
Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de aard en inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval echter voort dat [plaats] wel een opzegtermijn in acht had moeten nemen. Een opzegtermijn van drie maanden vindt de rechtbank in dit geval redelijk. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.16
Een opzegtermijn is bedoeld om de andere partij in de gelegenheid te stellen om andere werkzaamheden te zoeken en haar onderneming en toekomstplannen daarop in te richten. [eiser] heeft deze gelegenheid niet gehad omdat [plaats] op 3 januari 2024 de samenwerking tussen partijen per direct heeft beëindigd. Een opzegtermijn van drie maanden was passend geweest gelet op:
a.
De duur van de samenwerkingsrelatie tussen partijen
In ieder geval vanaf augustus 2017 heeft [eiser] werkzaamheden voor [plaats] verricht. De overeenkomst had dus een looptijd van meer dan zes jaar.
De verwachtingen van [eiser] over het voortbestaan van de samenwerking
[plaats] heeft niet gesteld dat zij [eiser] eerder heeft laten weten dat zij de samenwerking (mogelijk) wilde beëindigen. Volgens haar is in maart 2023 wel een gesprek gevoerd met [eiser] over klachten over hem, maar zij heeft niet gesteld dat toen ook over het beëindigen van de overeenkomst is gesproken. Overigens betwist [eiser] ook dat er door leveranciers of klanten van [plaats] klachten over hem zijn ingediend. Daarnaast blijkt uit een overgelegd whatsappbericht dat [eiser] eind december 2023 aan een medewerker van [plaats] laten weten dat hij week 17-19 van 2024 vrij wilde zijn. Die medewerker heeft hem toen laten weten dat hij dan niet ingepland zou worden. Het was voor [eiser] dus tot de opzegging niet duidelijk dat de overeenkomst op korte termijn zou worden opgezegd.
3.17
[eiser] stelt daarnaast dat hij in grote mate afhankelijk van [plaats] was, maar die mate van afhankelijkheid is niet komen vast te staan. [eiser] had bovendien daarnaast ook nog een eigen bedrijf voor de verhuur van geluidsinstallaties en dergelijke waar hij ook werkzaamheden voor uitvoerde. [plaats] had mogelijk wel goede redenen om de overeenkomst op te zeggen, maar van haar had echter wel mogen worden verwacht dat zij daarover eerst in gesprek zou gaan met [eiser] zodat hij zich daarop kon voorbereiden. Ook heeft [plaats] niet toegelicht waarom zij belang had bij een korte(-re) opzegtermijn. [plaats] heeft wel gesteld dat haar vertrouwen in [eiser] is geschaad omdat hij vaker niet gewerkte uren in rekening heeft gebracht, maar op de mondelinge behandeling is gebleken dat dit pas na de opzegging is ontdekt. Dit was dus geen reden voor de opzegging. Verder heeft [plaats] op de mondelinge behandeling verwezen naar een uitspraak van het Hof Amsterdam [3] waaruit volgens haar blijkt dat zij geen opzegtermijn in acht hoefde te nemen. De omstandigheden in deze zaak zijn echter anders, want [eiser] heeft geen periode (in die zaak vijf maanden) gehad om zich voor te bereiden op de mogelijke beëindiging van de duurovereenkomst.
[plaats] moet de schade van [eiser] vergoeden
3.18
Omdat [plaats] geen opzegtermijn in acht heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat zij de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden moet vergoeden. De schade van [eiser] moet worden begroot door te kijken naar het verschil tussen de huidige financiële situatie van [eiser] en de hypothetische situatie waarin hij zou hebben verkeerd bij een opzegging met een redelijke opzegtermijn. Dit betekent dat de schade van [eiser] moet worden berekend door te kijken naar zijn gederfde winst over drie maanden. De gederfde winst van [eiser] is niet nauwkeurig vast te stellen, want het is niet met zekerheid vast te stellen wat zou zijn gebeurd als [plaats] een redelijke opzegtermijn in acht had genomen. Daarom zal de rechtbank de schade van [eiser] schatten. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat [plaats] gedurende de opzegtermijn ook diensten zou hebben afgenomen op gelijke wijze als voor de opzegging. De rechtbank zal daarom [eiser] volgen in zijn uitgangspunt dat voor de misgelopen omzet gekeken kan worden naar de gemiddelde omzet over 2022 (€ 54.607,00) en 2023 (€ 56.708,00). Gelet daarop zal worden uitgegaan van de gemiddelde omzet van € 55.657,50 over 2024. De gederfde omzet per maand is dan € 4.638,13 (€ 55.657,50 / 12) en per drie maanden dus € 13.914,39.
3.19
[eiser] heeft gesteld dat zijn winstmarge ongeveer 90% is. De rechtbank zal daarvan uitgaan, want [plaats] heeft dit winstpercentage niet betwist. Zoals [plaats] terecht opmerkt moet daarbij wel rekening worden gehouden met hetgeen [eiser] in de drie maanden na de opzegging mogelijk heeft verdiend omdat hij volledig beschikbaar was voor ander werk. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] echter verklaard dat hij heeft geprobeerd om zoveel mogelijk geluidsinstallaties en dergelijke te verhuren, maar dat er maar weinig evenementen waren. Daarnaast is de opzegtermijn juist bedoeld om [eiser] de gelegenheid te geven om haar bedrijfsvoering aan te passen en daarom is het voorstelbaar dat zij direct na de opzegging niet allerlei andere werkzaamheden heeft kunnen verrichten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [eiser] tijdens die drie maanden nauwelijks heeft verdiend door andere werkzaamheden en brengt op het hiervoor in 3.20 genoemde bedrag dus alleen 10% in mindering. Dit betekent dat [eiser] recht heeft op een schadevergoeding van € 12.522,95; de gederfde winst over drie maanden.
[plaats] moet over dit bedrag wettelijke rente betalen
3.2
Zoals gevorderd zal [plaats] worden veroordeeld om over dit bedrag de wettelijke rente te betalen met ingang van de datum van de dagvaarding. [plaats] zal niet worden veroordeeld om de wettelijke handelsrente te betalen, want de grondslag voor deze betalingsverplichting is de schadevergoeding en is dus niet gelegen in een overeenkomst tussen partijen.
De betaling van niet gewerkte, maar wel gereserveerde uren
3.21
Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk dat [eiser] uren in rekening bracht die [plaats] op het laatste moment heeft geannuleerd. [plaats] heeft ook verklaard dat zij ook altijd voor deze uren betaalt als deze op het laatste moment worden afgezegd. Op de mondelinge behandeling kwam [plaats] echter nog met de stelling dat [eiser] helemaal niet was ingepland om deze uren te werken. Deze stelling had [plaats] kunnen onderbouwen met de planningsdocumentatie, maar dit heeft zij niet gedaan. Dat had wel op haar weg gelegen, want zij beschikt over deze documentatie. Ook is het voor het risico van [plaats] dat zij dit bij het betalen van eerdere facturen niet heeft gezien. Bij [plaats] hebben namelijk telkens twee mensen de facturen goedgekeurd voordat ze werden betaald.
3.22
Dit betekent dat de rechtbank [plaats] zal veroordelen om de laatste factuur van [eiser] van € 1.905,75 te betalen. Daarover zal zij ook de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur tot de dag van algehele voldoening moeten betalen. Ook zal de rechtbank daarom de reconventionele vordering [plaats] afwijzen.
[plaats] moet de buitengerechtelijke incassokosten van [eiser] betalen
3.23
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [plaats] heeft hiertegen enkel als verweer gevoerd dat de hoofdvordering moet worden afgewezen en daarom ook de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de hoofdvordering wel deels wordt toegewezen, heeft [eiser] ook recht op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten.
3.24
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 919,29 worden toegewezen.
[plaats] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.25
[plaats] is in conventie en in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,02
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.466,02
3.26
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie wordt in reconventie voor het salaris van de advocaat uitgegaan van een half punt per proceshandeling. De proceskosten van [eiser] in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
3723,00
(2 punten × factor 0,5 × € 3.723,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.871,00
3.27
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.28
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
4.1
veroordeelt [plaats] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.522,95, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 juni 2025, tot de dag van volledige betaling;
4.2
veroordeelt [plaats] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.905,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 januari 2024, tot de dag van volledige betaling;
4.3
veroordeelt [plaats] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 919,29 aan buitengerechtelijke kosten;
4.4
veroordeelt [plaats] in de proceskosten van € 10.466,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
4.7
wijst de vorderingen van [plaats] af;
4.8
veroordeelt [plaats] in de proceskosten van € 3.871,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.9
verklaart de in 4.8 bedoelde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
in conventie en reconventie
4.1
veroordeelt [plaats] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [plaats] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.11
veroordeelt [plaats] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.12
verklaart de in 4.10 en 4.11 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
TS5596

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:641.
2.Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, r.o. 3.5.1.
3.Hof Amsterdam 16 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:92.