In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de duurovereenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd tussen [appellante] B.V. en [geïntimeerde] B.V. rechtsgeldig kon worden opgezegd zonder nadere eisen. [appellante], een schildersbedrijf, voerde aan dat de opzegging onrechtmatig was omdat zij zich afhankelijk achtte van de overeenkomst en dat er een toezegging was gedaan dat de samenwerking zou voortduren.
Het hof oordeelde dat onvoldoende is komen vast te staan dat een dergelijke toezegging is gedaan of dat daaraan waarde mocht worden gehecht. De langlopende relatie van 22 jaar was op zichzelf onvoldoende om aanvullende voorwaarden te stellen aan de opzegbaarheid. Bovendien had [appellante] zelf de afhankelijkheid gecreëerd door volledige beschikbaarheid te bieden en had zij al vanaf het aanbestedingsproces in april 2019 rekening kunnen houden met een mogelijke beëindiging.
De opzegtermijn van drie maanden werd als redelijk beoordeeld en er was geen sprake van onrechtmatige opzegging. Het bewijsaanbod van [appellante] was onvoldoende concreet en werd gepasseerd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde [appellante] in de proceskosten in hoger beroep.