Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2241

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/7769
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bij te laat ingediend bezwaar tegen besluit toeslagen

Eiseres maakte bezwaar tegen een besluit van de Dienst Toeslagen, gedateerd 7 maart 2025. De bezwaartermijn van zes weken eindigde op 18 april 2025, maar het bezwaarschrift werd pas op 9 mei 2025 ontvangen. Verweerder verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk.

Eiseres voerde aan dat de ziekte van haar moeder en haar zorgplicht als alleenstaande moeder de reden waren voor de te late indiening. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden geen geldige verontschuldiging vormen. Er was geen bewijs dat de situatie zodanig was dat tijdig bezwaar maken niet van haar kon worden verlangd, en zij had hulp kunnen inschakelen of later bezwaarredenen kunnen aanvullen.

De rechtbank concludeerde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat het beroep kennelijk ongegrond is. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat en niet verontschuldigbaar is ingediend, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder van 12 december 2025.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verontschuldigbaar is. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [2]
3.1.
De termijnoverschrijding is volgens rechtspraak verontschuldigbaar wanneer deze de indiener vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden niet kan worden toegerekend, en het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Bij bijzondere omstandigheden kan het gaan om persoonlijke omstandigheden (bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte, ongeval van de indiener, ziekte of overlijden van iemands naasten) of externe omstandigheden. Bij de beoordeling van een beroep op bijzondere omstandigheden die de betrokkene treffen wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in hun samenhang worden bezien. Als er bijzondere omstandigheden zijn, moet de betrokkene minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen. [3]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. Vast staat dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt is gedagtekend op 7 maart 2025. Er zijn geen aanknopingspunten dat het besluit later dan 7 maart 2025 bekend is gemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde daarmee op 18 april 2025.
4.1.
Verweerder heeft het bezwaarschrift op 9 mei 2025 ontvangen. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiseres heeft voor de te late indiening als reden gegeven dat haar moeder ziek was en zij haar verzorgde. Daarnaast draagt zij als alleenstaande moeder ook de volledige zorg voor haar kinderen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres omschreven omstandigheden in dit geval geen verontschuldiging zijn voor de termijnoverschrijding. Het is de rechtbank niet gebleken dat de situatie van de moeder van eiseres gedurende de bezwaartermijn van zodanige aard was, dat tijdig bezwaar maken niet van haar kon worden verlangd. Eventueel had eiseres de hulp van derden kunnen inschakelen of bezwaar kunnen maken waarbij zij later de bezwaarredenen aanvult (op nader aan te voeren gronden). Dat zij alleen de volledige zorg draagt voor haar kinderen, maakt het voorgaande niet anders.

Conclusie en gevolgen

6. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
3.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 31 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1406).