Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2117

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/2501
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt spoedige beslissing op bezwaar na overschrijding beslistermijn UWV

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op haar bezwaar. De rechtbank had eerder een termijn gesteld waarbinnen het UWV moest beslissen, maar deze termijn is verstreken zonder besluit. De rechtbank bevestigt dat het UWV alsnog binnen twee maanden een besluit moet nemen, aansluitend bij eerdere jurisprudentie.

De rechtbank neemt het verzoek van het UWV in overweging dat door een tekort aan verzekeringsartsen de termijn verlengd moet worden, maar stelt een maximale termijn van twee maanden vast. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-.

Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding van € 467,- voor proceskosten en wordt het griffierecht van € 54,- door het UWV aan eiseres vergoed. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt het UWV op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV binnen twee maanden alsnog te beslissen op het bezwaar en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2501

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar.
Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk binnen twee maanden een besluit op bezwaar te nemen.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 augustus 2025 [UTR 25/4363] een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
3. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaar van eiseres.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het bezwaar binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 [3] . De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [4] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. Dat sprake is van een tweede beroep niet tijdig beslissen, is voor de rechtbank vooralsnog geen reden om een kortere termijn te hanteren.
6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. Voor een hogere dwangsom ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Het Uwv moet binnen een termijn van twee maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 54,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.