Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2053

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/1048
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op verzoek herbeoordeling WIA-aanvraag

ASR Re-integratie B.V. heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist op een verzoek om herbeoordeling van een WIA-aanvraag van een betrokkene.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de ingebrekestelling heeft ontvangen en sindsdien de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een besluit is genomen. Gezien het tekort aan verzekeringsartsen en de omstandigheden acht de rechtbank een beslistermijn van vier maanden redelijk.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het UWV op binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000. Het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van door een derde verleende rechtsbijstand. Het griffierecht wordt aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1048

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

ASR Re-integratie B.V., gevestigd te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: C. Rigters-Snijders)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer/mevrouw [A] .

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
3. Eiseres heeft haar verzoek om herbeoordeling ingediend op 19 mei 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 10 februari 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 7 augustus 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 2 februari 2026 beroep ingesteld.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [1] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
8. In artikel 1 van Pro het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, dan wel dat eiseres andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde van eiseres in dienst is bij eiseres zelf. Hierdoor is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. [2] De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.