Eiseres heeft op 25 juli 2024 een verzoek tot herbeoordeling van een WIA-aanvraag ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Verweerder heeft niet tijdig op dit verzoek beslist, wat onomstreden is en door verweerder zelf erkend wordt. Na ontvangst van een ingebrekestelling op 3 juni 2025 verstreken twee weken zonder beslissing, waarna eiseres op 10 februari 2026 beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat verweerder nog geen besluit heeft genomen en bepaalt dat verweerder binnen een termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is gebaseerd op de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de rechtbank Midden-Nederland.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Het beroep wordt kennelijk gegrond verklaard, waardoor eiseres recht heeft op vergoeding van proceskosten van € 467,- en het griffierecht van € 397,-, welke door verweerder moeten worden betaald.
De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink en griffier E.J.H.C. Hui op 4 maart 2026. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.