Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1471

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/3520
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank herroept besluit UWV en kent IVA-uitkering toe wegens duurzame arbeidsongeschiktheid

Werkneemster was sinds 10 juli 2019 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 7 juli 2021 een WIA-uitkering. Het UWV paste op 3 juli 2024 de uitkering aan omdat werkneemster niet duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn. Eiseres, de werkgever, maakte bezwaar en stelde dat werkneemster wel recht had op een IVA-uitkering wegens duurzame arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank beoordeelde het geschil over de vraag of werkneemster vanaf 14 september 2023 recht had op een IVA-uitkering. Het UWV baseerde zich op rapporten van verzekeringsartsen die stelden dat de beperkingen aan de handen niet duurzaam waren vanwege lopend neurologisch onderzoek. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende concreet had onderbouwd waarom verbetering van de belastbaarheid nog te verwachten was en dat het motiveringsgebrek bestond.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit van 3 juli 2024. De rechtbank kent de IVA-uitkering toe met ingang van 14 september 2023. Tevens veroordeelt zij het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van het UWV en kent met ingang van 14 september 2023 een IVA-uitkering toe wegens duurzame arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3520

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland, uit Utrecht, eiseres

(gemachtigde: C.J. Loef),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: R. van den Brink).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (werkneemster)
(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham).

Inleiding

1.1
Werkneemster was bij eiseres op een tijdelijk contract werkzaam als [functie] voor gemiddeld 32 uur per week. Op 10 juli 2019 is zij voor haar werk uitgevallen.
1.2
Het Uwv heeft aan werkneemster vanaf 7 juli 2021 tot en met 6 januari 2022 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend, gebaseerd op 59,15% arbeidsongeschiktheid.
Vanaf 7 januari 2022 heeft het Uwv aan werkneemster een vervolguitkering toegekend. Na een ziekmelding voor uitzendwerk heeft het Uwv per 14 september 2023 de werkneemster een ZW-uitkering toegekend.
1.3
Op 31 januari 2024 heeft eiseres het Uwv verzocht om een herbeoordeling uit te voeren. Daarop volgden een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Met een besluit van 3 juli 2024 (
het primaire besluit) heeft het Uwv de WIA-uitkering aangepast per 1 december 2023, omdat werkneemster vanaf 14 september 2023 80 tot 100% – maar niet duurzaam – arbeidsongeschikt is.
1.4
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat zij meent dat werkneemster ook duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een uitkering op grond van de inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA). Ook heeft zij op
18 februari 2025 het Uwv opnieuw verzocht om een herbeoordeling arbeidsongeschiktheid.
1.5
Met het besluit van 16 mei 2025 (
het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het Uwv heeft beoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt. Werkneemster is arbeidsongeschikt, maar heeft geen recht heeft op een IVA-uitkering, omdat geen sprake is van duurzame beperkingen.
1.6
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld en aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft in beroep gereageerd met een verweerschrift en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 september 2025 en 18 december 2025.
1.7
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het Uwv en de gemachtigde van werkneemster.

Beoordeling door de rechtbank

2. Werkneemster heeft geen toestemming gegeven om haar medische informatie te delen met eiseres. Dit betekent dat de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig én voor zover mogelijk zal beperken om te voorkomen dat die gegevens alsnog via deze uitspraak openbaar worden.
Geschil
3. Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft beslist dat werkneemster vanaf
14 september 2023 geen recht heeft op een IVA-uitkering, omdat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt is.
4.1
Aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. Het gaat daarbij om de medische situatie van werkneemster op 14 september 2023, dat is de datum in geding (beoordelingsdatum).
4.2
Het Uwv heeft op 14 oktober 2025 besloten dat werkneemster vanaf 19 februari 2025 wel een IVA-uitkering krijgt. Het geschil is dus nu beperkt tot de vraag of de werkneemster niet al vanaf 14 september 2023 recht had op een IVA-uitkering in plaats van per 19 februari 2025.
Beoordelingskader
5. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens de Wet WIA hij of zij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. [1]
6.1
Het Uwv heeft in dit kader voor verzekeringsartsen het beoordelingskader duurzaamheid ontwikkeld. Volgens dat kader zijn arbeidsbeperkingen duurzaam als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten, of verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. Het beoordelingskader bevat een stappenplan dat de verzekeringsarts (en wat de derde stap betreft in overleg met de arbeidsdeskundige) doorloopt bij de prognose van de arbeidsbeperkingen. Hierbij moet worden uitgegaan van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling.
6.2
Er is sprake van stap één als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Hiervan is sprake bij een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Als de eerste stap niet leidt tot kwalificatie van duurzame arbeidsongeschiktheid, is verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten. Dan volgt de tweede stap. In stap twee geeft de verzekeringsarts aan in hoeverre verbetering in het eerstkomende jaar te verwachten is. Er is ofwel een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden, ofwel verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten. Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid wordt verwacht, beoordeelt de verzekeringsarts in het kader van stap drie of, en zo ja, in hoeverre, die verbetering van de belastbaarheid na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht.
6.3
Er zijn dan weer twee mogelijkheden, namelijk dat er een redelijke of goede verwachting is dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden (hiervan is alleen sprake bij een behandeling, waarvan vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid) of wel verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
7. In deze zaak gaat het om een werkgeversberoep. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat bij een werkgeversberoep de positie van de werkgever en de aard van betrokken belangen meebrengen dat het Uwv een besluit ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. [2] Daarbij speelt mee dat werkgevers niet de mogelijkheid hebben om medische informatie in te brengen en dat een werkgever niet veel anders kan dan proberen aan te geven dat het onderzoek van het Uwv onvoldoende is geweest of dat de door het Uwv gegeven motivering het besluit niet kan dragen. [3]
8. De CRvB hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. [4] De verzekeringsarts moet bij een claim van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid een inschatting maken van de herstelkansen in het eerste jaar en de periode erna. Die inschatting moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden van de verzekerde. Als de inschatting berust op een medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat van die behandeling voor de individuele verzekerde. De enkele stelling dat er nog behandelmogelijkheden zijn, is dus onvoldoende.
De beoordeling van het geschil
9.1
De rechtbank constateert dat tijdens de beroepsprocedure naar aanleiding van de ingediende gronden het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gewijzigd.
9.2
In haar rapport van 19 september 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de beperkingen van de diverse aandoeningen van werkneemster op de beoordelingsdatum wel duurzaam zijn te achten. De beperkingen die voor de klachten van de handen zijn aangenomen, acht zij echter vooralsnog niet duurzaam omdat er nog een neurologisch onderzoek gaande was naar die klachten en daarover nog geen prognose was te geven. Dat maakt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat verbetering op de beoordelingsdatum 14 september 2023 nog te verwachten was. Ook is de diagnose [diagnose] pas ruim erna, op 26 april 2024, gesteld.
9.3
In een aanvullend rapport van 18 december 2025 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw toegelicht dat werkneemster de klachten aan de handen al had bij haar ziekmelding, maar dat een diagnose of behandeling niet was gesteld. Op de beoordelingsdatum liep er nog een onderzoek bij de neuroloog met het oog op het bepalen van een mogelijk effectieve behandeling. Een diagnose was dus nog niet gesteld en er kon ook niet worden vastgesteld of er een behandeling zou zijn die verbetering kon geven, maar dat was wel het doel van het neurologisch onderzoek. Dit is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep de reden waarom alleen de beperkingen voor de handfuncties per datum in geding als niet duurzaam zijn gekenmerkt. Pas ruim daarna is de diagnose gesteld en bleek behandeling maar zeer beperkt verlichting van de klachten te geven. De klachten van werkneemster zijn voor een groot deel niet of nauwelijks te objectiveren afwijkingen en daarmee is sprake van een ziektebeeld zonder duidelijke behandelmogelijkheden. Omdat werkneemster de behandelmogelijkheden geprobeerd heeft zonder veel effect, is per 30 juli 2025 – de datum van het consult in het kader van de herbeoordeling – verbetering van de belastbaarheid alsnog niet of nauwelijks te verwachten en de arbeidsongeschiktheid duurzaam.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv onvoldoende concreet onderbouwd waarom ten aanzien van de handen op de beoordelingsdatum nog geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. Voor het standpunt dat op de beoordelingsdatum de belastbaarheid op basis van het lopende onderzoek bij de neuroloog nog zou kunnen verbeteren ontbreekt een concrete onderbouwing. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de primaire verzekeringsarts in zijn rapport al melding maakt dat vanaf het voorjaar 2023 de al langere tijd aanwezige hand- en armklachten zijn toegenomen. Nadien is op
26 april 2024 een diagnose vastgesteld. Al die tijd kon niet worden vastgesteld of er een behandeling was die verbetering kon geven bij werkneemster. In hoeverre dan toch nog vanwege alleen het lopende onderzoek bij de neuroloog verbetering van de belastbaarheid in het eerstvolgende jaar was te verwachten, vereist dan - juist gelet op het beoordelingskader en de vaste rechtspraak - een concrete en op de werkneemster toegespitste onderbouwing. Deze ontbreekt in het bestreden besluit. Hier komt bij dat eiseres een werkgever is, waardoor voor het Uwv een verzwaarde motiveringsverplichting geldt. Naar het oordeel van de rechtbank is daaraan niet voldaan. Dit betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek heeft.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Omdat het Uwv in beroep de overige klachten van werkneemster al wel als duurzaam heeft aangemerkt, het Uwv in beroep zijn standpunt meerdere keren heeft uiteengezet over de klachten aan de handen en het Uwv werkneemster per 19 februari 2025 wel al in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering, heeft de rechtbank niet de verwachting dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering per beoordelingsdatum kan worden voorzien en moet ervan worden uitgegaan dat de volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster met ingang van 14 september 2023 al als duurzaam is aan te merken.
12. De rechtbank voorziet daarom zelf in de zaak. [5] De rechtbank zal het primaire besluit van 3 juli 2024 herroepen en zal bepalen dat werkneemster met ingang van
14 september 2023 recht heeft op een IVA-uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
13. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, is op de hoorzitting verschenen, heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2025;
- herroept het primaire besluit van 3 juli 2024;
- kent aan werkneemster een IVA-uitkering toe met ingang van 14 september 2023;
- deze uitspraak komt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4 van Pro de Wet WIA.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 november 2015, ECLI:NLCRVB:2015:4292.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3969.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:257 en CRvB van 20 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1764 en 13 juni 2024, ECLI:NL:CRVBL2024:1214.
5.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.