ECLI:NL:RBMNE:2026:1437

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/2223
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.A.J. Woutersen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6 EVRMArtikel 2.1 Wet hersteloperatie toeslagenArtikel 2.6 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag eerste halfjaar 2012 wegens ontbreken bewijs

Eiseres, gedupeerde van de kindertoeslagaffaire, verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag en compensatie voor het eerste halfjaar van 2012. Dienst Toeslagen had haar voor meerdere jaren gecompenseerd, maar niet voor die periode omdat volgens KOI-viewer geen geregistreerde kinderopvang was afgenomen.

Eiseres stelde dat zij wel kinderopvang had afgenomen en verwees naar contact met de kinderopvanginstelling en een jaaropgave, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen. Dienst Toeslagen mocht uitgaan van de gegevens in KOI-viewer, tenzij aannemelijk werd gemaakt dat deze onjuist waren.

De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde en dat Dienst Toeslagen terecht geen compensatie gaf voor het eerste halfjaar 2012. Daarnaast werd vastgesteld dat eiseres al een immateriële schadevergoeding ontving voor schending van de redelijke termijn, maar dat griffierecht en proceskosten alsnog vergoed worden.

Het beroep tegen het eerste besluit werd niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het herziene besluit ongegrond. De rechtbank veroordeelde Dienst Toeslagen tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat Dienst Toeslagen terecht geen compensatie verleent voor het eerste halfjaar van 2012.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiseres om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Eiseres is gedupeerde van de kindertoeslagaffaire. Dienst Toeslagen heeft de herbeoordeling gedaan en aan eiseres een compensatie betaald, maar eiseres vindt dat Dienst Toeslagen haar onterecht niet ook heeft gecompenseerd voor het eerste half jaar van 2012. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Daarnaast verzoekt eiseres om een schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor het eerste half jaar van toeslagjaar 2012 en of eiseres recht heeft op een schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor het eerste half jaar van toeslagjaar 2012. Eiseres krijgt geen gelijk. De rechtbank stelt daarnaast vast dat eiseres al een immateriële schadevergoeding heeft gekregen voor de schending van de redelijke termijn. De rechtbank ziet wel aanleiding om het griffierecht en de proceskosten van eiseres te vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft onder meer voor het hele jaar 2012 kinderopvangtoeslag aangevraagd. Daarvoor heeft eiseres een voorschotbeschikking ontvangen.
2.1.
Vervolgens heeft Dienst Toeslagen het bedrag aan kinderopvangtoeslag voor 2012 in de definitieve beschikking naar beneden bijgesteld omdat eiseres een hoger toetsingsinkomen had dan waarvan bij de berekening van het voorschotbedrag was uitgegaan. Bij die berekening was namelijk uitgegaan van een kinderopvangtoeslag voor heel 2012, terwijl later uit de informatie van eiseres bleek dat eiseres in het eerste half jaar van toeslagjaar 2012 geen geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen.
2.2.
Eiseres heeft daarna verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 tot en met 2014.
2.3.
Dienst Toeslagen heeft eiseres voor verschillende jaren gecompenseerd (de primaire besluiten). Voor het toeslagjaar 2012 is eiseres gecompenseerd op basis van opzet/grove schuld. [1] Eiseres is voor dat jaar niet gecompenseerd op basis van vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen of hardheid. [2]
2.4.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. Met de beslissing van 13 februari 2025 op dat bezwaar heeft Dienst Toeslagen de primaire besluiten herroepen (het bestreden besluit I). Dienst Toeslagen heeft het compensatiebedrag naar boven aangepast.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I omdat zij vindt dat zij nog niet volledig is gecompenseerd.
2.6.
Naar aanleiding van dat beroep heeft Dienst Toeslagen het bestreden besluit I op 20 januari 2026 herzien en aangegeven dat een aantal bedragen ten onrechte niet zijn uitgekeerd of verkeerd zijn berekend (het bestreden besluit II). Deze bedragen zijn naar aanleiding van dit herziene besluit alsnog aan eiseres uitgekeerd. Het bestreden besluit II komt in de plaats van het bestreden besluit I.
2.7.
Eiseres heeft haar beroep tegen het bestreden besluit II gehandhaafd en Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen. Eiseres was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

3. Het bestreden besluit II vervangt het bestreden besluit I. Met het bestreden besluit II is Dienst Toeslagen voor een deel tegemoetgekomen aan de beroepen van eiseres. De rechtbank stelt vast dat eiseres daardoor geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit I en verklaart het beroep daartegen daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank merkt het beroep tegen het bestreden besluit II vervolgens aan als besluit in de zin van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit I van rechtswege ook gericht is tegen het bestreden besluit II. De rechtbank stelt ook vast dat na de herziening van het bestreden besluit I alleen nog in geschil is of eiseres voor het eerste half jaar van toeslagjaar 2012 recht heeft op compensatie op basis van vooringenomenheid of hardheid. Aan de overige beroepsgronden van eiseres is bij het bestreden besluit II namelijk tegemoetgekomen. De rechtbank zal die vraag hieronder behandelen.
Heeft eiseres recht op compensatie over het eerste half jaar van toeslagjaar 2012?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit II omdat daarin onterecht is geconcludeerd dat zij geen recht heeft op compensatie vanwege vooringenomenheid of hardheid over het eerste half jaar van toeslagjaar 2012. Dienst Toeslagen is er namelijk onterecht vanuit gegaan dat eiseres geen kinderopvang heeft afgenomen in het eerste half jaar van toeslagjaar 2012. Eiseres stelt in heel 2012 kinderopvang te hebben afgenomen. Eiseres heeft in 2012 gewerkt, net als voorgaande jaren en in die voorgaande (en opvolgende) jaren heeft eiseres kinderopvang afgenomen. Dus het is zeer onaannemelijk dat er opeens een periode zonder kinderopvang zou zijn. Daarbij betekent het feit dat in het eerste half jaar van toeslagjaar 2012 niets in KOI-viewer [3] staat, niet dat er geen kinderopvang is afgenomen. In 2010 en 2011 staat er namelijk ook niets in KOI-viewer, terwijl voor 2011 door Dienst Toeslagen aan eiseres wel het voordeel van de twijfel is gegeven dat zij kinderopvang heeft afgenomen. Verder heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting toegelicht dat er in januari 2012 contact is geweest tussen eiseres en de kinderopvanginstelling (KOI) over een betalingsachterstand. Ook daaruit blijkt dat het aannemelijk is dat er kinderopvang door eiseres werd afgenomen. Later kreeg eiseres een conflict met deze KOI en is zij in de zomer van 2012 overgestapt naar een andere KOI. Eiseres stelt dat zij destijds een jaaropgave van het eerste half jaar van 2012 naar Dienst Toeslagen heeft gestuurd als bewijs. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat zij vermoeden dat dit bewijs bij Dienst Toeslagen is kwijtgeraakt. Verder heeft Dienst Toeslagen destijds ook gebeld met de KOI om bewijsstukken op te vragen en die zijn volgens eiseres toen ook toegestuurd door de KOI. Ten slotte stelt eiseres dat zij destijds ook heeft aangeboden om de bewijsstukken nog eens aan te leveren bij Dienst Toeslagen, maar dat Dienst Toeslagen toen niet met haar daarover in gesprek zou willen.
4.1.
Dienst Toeslagen vindt dat eiseres geen recht heeft op compensatie over het eerste half jaar van toeslagjaar 2012. De voorschotbeschikking die eiseres heeft ontvangen voor haar kinderopvangtoeslag over 2012 is naar beneden bijgesteld omdat bleek dat eiseres bij de definitieve beschikking een hoger toetsingsinkomen had dan waarvan bij de berekening voor het voorschotbedrag was uitgegaan. Dat komt omdat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor heel 2012, maar volgens Dienst Toeslagen uit het door eiseres verstrekte antwoordformulier met het jaaroverzicht van 2012 en het overzicht in KOI-viewer bleek dat eiseres in het eerste half jaar van toeslagjaar 2012 geen geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. De bijstelling naar beneden is volgens Dienst Toeslagen een reguliere wijziging en daarom is van vooringenomenheid of hardheid geen sprake. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij toen wel kinderopvang heeft afgenomen. Daarom heeft eiseres geen recht op compensatie over het eerste half jaar van toeslagjaar 2012. Verder heeft Dienst Toeslagen geen telefoonnotitie terug kunnen vinden over het gesprek met de KOI. Ten slotte stelt Dienst Toeslagen dat uit het verhaal van eiseres zelf in het informatie- en beoordelingsformulier blijkt dat haar oudste dochter in het eerste half jaar van 2012 op haar kind heeft gepast dat normaal gesproken naar de opvang zou gaan.
4.2.
De rechtbank overweegt allereerst dat de bewijslast voor het recht op compensatie in principe bij de aanvrager van die compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. [4]
4.3.
De rechtbank benadrukt verder dat Dienst Toeslagen in beginsel mag uitgaan van hetgeen in KOI-viewer staat vermeld, tenzij eiseres (met bewijsstukken) voldoende aannemelijk maakt dat er aan die gegevens in redelijkheid moet worden getwijfeld of als Dienst Toeslagen zelf in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens in KOI-viewer. Daarvan kan sprake zijn als er stukken bekend zijn bij Dienst Toeslagen die niet overeenkomen met wat er in KOI-viewer staat, zoals een verklaring van een KOI dat er kinderopvang bij hen is afgenomen, terwijl dit niet in KOI-viewer staat vermeld.
4.4.
De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen mocht uitgaan van de juistheid van wat er in KOI-viewer staat. Daarin staat dat eiseres voor het eerste half jaar van 2012 geen kinderopvang heeft afgenomen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij toen wel kinderopvang heeft afgenomen. Eiseres heeft dat alleen gesteld, maar heeft daar geen bewijsstukken van overgelegd. Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat eiseres een baan had in het eerste half jaar van 2012, is dat niet doorslaggevend voor de vraag of Dienst Toeslagen had moeten twijfelen aan de juistheid van wat er in KOI-viewer staat. Dat gaat namelijk over de registratie van kinderopvang door een KOI. Dat eiseres een baan had, betekent niet per definitie dat haar kind ook naar een geregistreerde kinderopvang ging. De jaaropgave van 2012 die eiseres heeft overgelegd, bevat alleen gegevens vanaf juli 2012. Ook heeft eiseres in het informatie- en beoordelingsformulier verklaard dat haar oudste dochter op haar kind, dat normaal gesproken naar de opvang gaat, heeft gepast. In die verklaring staat weliswaar niet specifiek genoemd dat dat over het eerste half jaar van 2012 gaat, maar aangezien dat een van de periodes is waarin geen kinderopvang is afgenomen volgens het overzicht in KOI-viewer, vindt de rechtbank het aannemelijk dat deze verklaring over die periode gaat. Ook omdat eiseres in haar bezwaarschrift uit 2015 heeft verklaard dat haar oudste dochter in die periode bij haar woonde. Daar komt bij dat uit de stukken blijkt dat er begin 2012 een conflict bestond over een betalingsachterstand tussen de KOI en eiseres. Ook dat maakt dat de rechtbank het aannemelijk vindt dat eiseres daarna geen kinderopvang meer heeft afgenomen bij die KOI en vanaf juli 2012 bij een andere KOI weer kinderopvang heeft afgenomen. Verder zijn bij Dienst Toeslagen geen gegevens bekend die het tegendeel bewijzen en is er ook geen telefoonnotitie teruggevonden over het telefoongesprek dat destijds tussen de KOI en Dienst Toeslagen zou hebben plaatsgevonden.
4.5.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen recht heeft op compensatie omdat geen sprake was van vooringenomenheid of hardheid. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen in het eerste half jaar van toeslagjaar 2012.
4.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schending redelijke termijn
5. Eiseres verzoekt ten slotte om een schadevergoeding op grond van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
5.1.
De rechtbank overweegt daarover allereerst dat de redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar maximaal zes maanden, de behandeling van het beroep maximaal anderhalf en de behandeling van het hoger beroep maximaal twee jaar mag duren. [5] Indien meerdere bezwaarschriften zien op hetzelfde onderwerp en in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld, daarvan is in deze zaak sprake omdat Dienst Toeslagen op de bezwaren in één beslissing op bezwaar heeft beslist, wordt slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd en wordt uitgegaan voor de bepaling van de redelijke termijn van het oudste bezwaarschrift. [6]
5.2.
De rechtbank stelt echter ook vast dat Dienst Toeslagen in het bestreden besluit II eiseres al een immateriële schadevergoeding heeft uitgekeerd vanwege het lange tijdsverloop. Dienst Toeslagen is daarbij uitgegaan van de periode tussen 16 mei 2011 en 28 januari 2026 en heeft daarvoor een vast bedrag van € 500,- per half jaar berekend. De rechtbank concludeert dat deze vaststelling juist is en eiseres dus al een immateriële schadevergoeding van in totaal € 15.000,- heeft gekregen voor schending van de redelijke termijn. Daarom kan de rechtbank Dienst Toeslagen niet nog verder veroordelen in het betalen van een schadevergoeding aan eiseres wegens schending van de redelijke termijn.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt, maar leidt dus gelet op het bovenstaande niet tot een veroordeling van Dienst Toeslagen in het betalen van een verdere immateriële schadevergoeding aan eiseres .

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Dat betekent dat eiseres niet wordt gecompenseerd door Dienst Toeslagen voor het eerste half jaar van toeslagjaar 2012 op grond van vooringenomenheid of hardheid. Omdat Dienst Toeslagen pas na het instellen van beroep het bestreden besluit I heeft vervangen door het bestreden besluit II, ziet de rechtbank wel aanleiding om te bepalen dat Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- moet vergoeden. Dienst Toeslagen moet om diezelfde reden de proceskosten in beroep van eiseres vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 2.6 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dat is een andere (lagere) compensatie dan waar eiseres in deze zaak om vraagt.
2.Op basis van artikel 2.1 van de Wht.
3.Dat is een systeem waarin wordt geregistreerd door de kinderopvanginstelling voor welke periode er bij hen kinderopvang wordt afgenomen, voor hoeveel uren en tegen welk tarief.
4.Kamerstukken II, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 72.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1489, r.o. 1.1.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3989, r.o. 3.3.