Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1377

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/7355
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens te late beslissing op verzoek herbeoordeling arbeidsongeschiktheid WIA

Eiser heeft in september 2024 een verzoek tot herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid ingediend bij het UWV, dat dit verzoek op 21 oktober 2024 ontving. Verweerder heeft niet tijdig op dit verzoek beslist, wat niet in geschil is. Eiser stelde het UWV met een brief van 28 november 2025 formeel in gebreke, wat door de rechtbank als een geldige ingebrekestelling wordt aangemerkt.

De rechtbank oordeelt dat verweerder binnen twee maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing moet nemen op het verzoek van eiser. Dit is een afwijking van de standaardtermijn van twee weken, vanwege de omstandigheden en het feit dat de verzekeringsarts nog niet in de gelegenheid was het verzoek binnen de normale termijn af te handelen.

Daarnaast wordt verweerder verplicht een dwangsom van € 100 per dag te betalen voor elke dag dat de beslissing langer uitblijft, met een maximum van € 15.000. Verweerder moet ook het griffierecht van € 53 en proceskosten van € 467 aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink en griffier I. van Ittersum op 24 februari 2026.

Uitkomst: Verweerder moet binnen twee maanden alsnog beslissen op het verzoek tot herbeoordeling en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7355

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn aanvraag om herbeoordeling ingediend in september 2024.
Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 21 oktober 2024. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiser. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 22 december 2025.
4. Eiser stelt dat hij het Uwv met de brief van 28 november 2025 in gebreke gesteld
heeft. Verweerder betwist dat deze brief een ingebrekestelling is en dat het beroep niet tijdig daarom niet-ontvankelijk is, maar daar is de rechtbank het niet mee eens. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is volgens vaste rechtspraak sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag of welk bezwaarschrift het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag of het bezwaarschrift heeft beslist en dat belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. De ingebrekestelling is, afgezien van de eis dat deze schriftelijk moet zijn, vormvrij (Kamerstukken II, 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 7). [2]
5. Uit de brief van 28 november 2025 blijkt duidelijk om welk verzoek tot herbeoordeling het gaat, dat verweerder nog niet beslist heeft en verzoekt, en zo nodig sommeert, eiser het Uwv om binnen twee weken te beslissen. Daarmee voldoet de brief aan de voorwaarden voor een ingebrekestelling.
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
7. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat de verzekeringsarts nog niet in de
gelegenheid is geweest de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [3] Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

9. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiser.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53,- aan
eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:929.