ECLI:NL:RBMNE:2026:1152

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/5286
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar herbeoordeling kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 10 maart 2025 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 en 2019. Verweerder stelde dat dit verzoek moet worden gezien als een bezwaargrond tegen het eerdere besluit van 13 december 2021, waarop reeds een beslissing was genomen over andere jaren. De rechtbank volgt dit standpunt en oordeelt dat er geen nieuwe aanvraag is gedaan waarop nog niet is beslist.

De rechtbank vat het beroep daarom op als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 10 maart 2025. Omdat verweerder nog geen besluit op dit bezwaar heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en gegrond. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen een realistische termijn, gesteld op uiterlijk 14 september 2026, een besluit op bezwaar moet nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €467 en het betaalde griffierecht van €53 aan eiseres. De rechtbank volgt hiermee haar eerdere uitspraken en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen 14 september 2026 een besluit op bezwaar te nemen met oplegging van een dwangsom en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5286

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 10 maart 2025 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2013 en 2019.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van niet-tijdig beslissen op een aanvraag, zoals eiseres stelt. Eiseres heeft op 3 december 2019 een aanvraag om herbeoordeling gedaan. Daarop heeft verweerder met het besluit van 13 december 2021 beslist. In dit besluit heeft verweerder het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 en 2014 tot en met 2018 beoordeeld. Eiseres heeft op 30 november 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 december 2021. Zij heeft verweerder vervolgens op 10 maart 2025 verzocht om ook het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 en 2019 te beoordelen, maar dit moet (nu) worden gezien als een bezwaargrond gericht tegen het besluit van 13 december 2021 en kan niet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag om integrale herbeoordeling. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025 [4] .
4. In haar uitspraken van 16 januari 2026 [5] heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt dat een ‘aanvraag’ om herbeoordeling van niet eerder beoordeelde jaren moet worden gezien als een grond van bezwaar, omdat als uitgangspunt moet worden genomen dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin verweerder een beschikking daarover heeft gegeven en het niet voor de hand ligt dat een ouder de aanvraag beperkt, tenzij dit uitdrukkelijk wel het geval is. Voor dit oordeel heeft de rechtbank van belang geacht dat verweerder heeft toegezegd dat als op een aanvraag is beslist en een ouder daarna om herbeoordeling verzoekt van toeslagjaren die in de besluitvorming niet zijn meegenomen, dit verzoek wordt aangemerkt als een bezwaargrond, ongeacht de stand van de procedure op dat moment. In het nog te nemen besluit op bezwaar wordt dan alsnog een beoordeling gemaakt van de jaren die eerder buiten beschouwing zijn gebleven. In de situatie dat al is beslist op het bezwaar, zal verweerder een aanvullend besluit op bezwaar nemen voor die jaren. De rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval anders over te oordelen.
5. Dit betekent dat er in dit geval geen nieuwe aanvraag is gedaan waarop verweerder nog niet heeft beslist. Een beroep tegen het niet tijdig beslissen op aanvraag, zoals eiseres dat heeft ingediend, kan dus niet inhoudelijk worden beoordeeld.
6. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het beroep tegen niet tijdig beslissen van eiseres op te vatten als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar ‘bezwaar’ van 10 maart 2025. Als de rechtbank dit niet zou doen, dan zou eiseres namelijk worden gedwongen een nieuwe procedure te starten. Aangezien eiseres over het nadere standpunt en de gewijzigde werkwijze sinds de Rotterdamse uitspraak door verweerder niet is geïnformeerd, waardoor zij in de veronderstelling verkeerde dat ze in het ‘aanvraag-spoor’ zat, kan het eiseres niet tegengeworpen worden dat zij geen beroep niet tijdig beslissen op bezwaar heeft ingediend. Daarom vat de rechtbank haar beroep wel zo op.
7. Op het bezwaar van 10 maart 2025 is – voor zover de rechtbank bekend – nog steeds niet beslist. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
8. Omdat verweerder nog geen (aanvullend) besluit op bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [6] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. [7] Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
9. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025 [8] uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank ziet aanleiding om hierbij ook in gevallen zoals dat van eiseres, aan te sluiten.
10. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 13 december 2021 de definitieve beschikking genomen. Het (inhoudelijke) bezwaar van eiseres tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 17 maart 2025. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 18 maart 2025 en verliep op 21 juli 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 14 september 2026.
10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. De rechtbank volgt op dit punt dus niet het bedrag van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, zoals in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 is voorgesteld, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar – onder meer – een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.
Bestuurlijke dwangsom
10. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder bij besluit van 20 juni 2024 de maximale dwangsom van € 1.442,- voor de bezwaarfase al heeft toegekend. De rechtbank zal zich hier dan ook verder niet over uitlaten.
Proceskosten en griffierecht
21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op 14 september 2026 een aanvullend besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
25 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
6.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
7.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.