Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:74

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/4483
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kinderopvangtoeslag 2016-2019

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2016 tot en met 2019. Verweerder stelde dat dit verzoek geen nieuwe aanvraag was, maar een bezwaargrond tegen het eerdere besluit over 2013-2015. De rechtbank volgt dit standpunt en kwalificeert het beroep als een beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar.

De rechtbank constateert dat op het bezwaar van 20 maart 2022 nog niet is beslist, ondanks eerdere dwangsommen en een eerdere opdracht tot besluitvorming. Verweerder heeft toegezegd de jaren 2016-2019 alsnog te zullen beoordelen in een besluit op bezwaar. De rechtbank acht het onredelijk om eiseres te dwingen een nieuwe procedure te starten en verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar te nemen. De reeds lopende bestuurlijke dwangsom blijft van kracht. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank draagt verweerder op binnen twee weken een besluit op bezwaar te nemen en veroordeelt verweerder in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4483

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. Kort),
en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 20 maart 2022 (nader gespecificeerd op 18 september 2023) om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2016 tot en met 2019.
Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een reactie gegeven op de verweerschriften.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van niet-tijdig beslissen op een aanvraag. Dat heeft te maken met het volgende. Eiseres heeft op 3 augustus 2020 een verzoek ingediend om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Daarop heeft verweerder met het besluit van 9 februari 2021 beslist. In dit besluit heeft verweerder het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 tot en met 2015 beoordeeld. Eiseres heeft tegen dit besluit op 20 maart 2022 bezwaar gemaakt. Eiseres heeft verweerder op 20 maart 2022 (en aangevuld op 18 september 2023) weliswaar verzocht om ook het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2016 tot en met 2019 te beoordelen, maar dat moet (nu) gezien worden als een bezwaargrond gericht tegen het besluit van 9 februari 2021 en kan niet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag om integrale herbeoordeling. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2024 [3] .
3. Tijdens de zitting heeft verweerder toegelicht dat hij zich aanvankelijk op het standpunt stelde en de werkwijze hanteerde dat een ouder een tweede verzoek om herbeoordeling kon indienen voor toeslagjaren die niet waren meegenomen in de besluitvorming naar aanleiding van de (eerste) aanvraag. Een dergelijk verzoek werd als nieuwe aanvraag in behandeling genomen. Zo is dat destijds ook gebeurd in de zaak van eiseres. Na de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2024 heeft verweerder zijn standpunt en werkwijze gewijzigd. Verweerder meent sindsdien dat geen sprake kan zijn van een tweede aanvraag om herbeoordeling. Als op een aanvraag is beslist en een ouder verzoekt daarna om herbeoordeling van toeslagjaren die in de besluitvorming niet zijn meegenomen, dan wordt dit verzoek aangemerkt als een bezwaargrond, ongeacht de stand van de procedure op dat moment. In het nog te nemen besluit op bezwaar wordt dan alsnog een beoordeling gemaakt van de jaren die eerder buiten beschouwing zijn gebleven. In de situatie dat al is beslist op het bezwaar, zal verweerder een aanvullend besluit op bezwaar nemen voor die jaren. Het aanvullende verzoek van eiseres kan volgens verweerder daarom niet leiden tot het opnieuw verbeuren van dwangsommen. [4]
4. De rechtbank stelt vast dat op de (eerste) aanvraag om herbeoordeling van eiseres met het besluit van 9 februari 2021 is beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In haar gronden van bezwaar heeft eiseres naar voren gebracht dat het besluit niet volledig is, omdat daarin alleen is ingegaan op de jaren 2013 tot en met 2015. Zij voert aan dat de jaren 2016 tot en met 2019 ten onrechte niet zijn beoordeeld. Tijdens de zitting heeft verweerder toegezegd dat de herbeoordeling van deze jaren in een nog te nemen besluit op bezwaar alsnog zal worden gedaan. De rechtbank kan zich onder deze omstandigheden vinden in het standpunt van verweerder dat de ‘aanvraag’ van 20 maart 2022 moet worden gezien als een grond van bezwaar, omdat als uitgangspunt moet worden genomen dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin verweerder een beschikking daarover heeft gegeven en het niet voor de hand ligt dat een ouder de aanvraag beperkt, tenzij dit uitdrukkelijk wel het geval is. Dit betekent dat er geen
nieuweaanvraag is gedaan waarop verweerder nog niet heeft beslist. Een beroep tegen het niet tijdig beslissen op
aanvraag, zoals eiseres dat heeft ingediend, kan dus niet inhoudelijk worden beoordeeld.
5. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het beroep tegen niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiseres op te vatten als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 20 maart 2022. Als de rechtbank dit niet zou doen, dan zou eiseres namelijk worden gedwongen een nieuwe procedure te starten, terwijl zij door verweerder in eerste instantie in de ‘tweede aanvraagprocedure’ is bevestigd. Na het verzoek om herbeoordeling van 20 maart 2022 heeft verweerder haar namelijk een brief gestuurd waarin de ontvangst van haar ‘aanvraag’ werd bevestigd. Over het nadere standpunt en de gewijzigde werkwijze sinds de Rotterdamse uitspraak is eiseres door verweerder echter niet geïnformeerd, waardoor zij in de veronderstelling verkeerde dat ze in het ‘aanvraag-spoor’ zat. Het kan eiseres daarom niet tegengeworpen worden dat zij geen beroep niet tijdig beslissen op bezwaar heeft ingediend en daarom vat de rechtbank haar beroep zo op.
6. Op het bezwaar van 20 maart 2022 is nog steeds niet beslist. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
7. Laatstelijk bij uitspraak van 8 oktober 2025 [5] heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van die uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken. Deze termijn is inmiddels ruimschoots verstreken. De rechtbank zal verweerder daarom opnieuw opdragen om binnen twee weken een besluit op bezwaar bekend te maken.
8. De rechtbank verbindt hier om de volgende reden geen dwangsom aan. In de uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank een dwangsom vastgesteld van € 100,- voor elke dag waarmee hij de termijn van twee weken overschrijdt met een maximum van € 15.000,-. Omdat dit maximum nog niet is bereikt en er dus nog een dwangsom loopt, is er op dit moment geen reden om opnieuw een dwangsom vast te stellen.
Bestuurlijke dwangsom
9. Eiseres heeft verzocht om de verbeurde dwangsom vast te stellen. De rechtbank overweegt hierover dat uit het dossier UTR 25/4650 blijkt dat verweerder bij besluit van 18 november 2022 de verbeurde bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld voor de bezwaarfase. De rechtbank zal zich hierover dan ook verder niet uitlaten.
Proceskosten en griffierecht
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 934,-.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzitter, mr. G. Schnitzler en mr. I. Helmich, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Toelichting van de rechtbank: eiseres heeft al vier keer beroep niet tijdig beslissen op bezwaar ingediend en alle vier de uitspraken zijn gerechtelijke dwangsommen opgelegd (ECLI:NL:RBGEL:2023:1163, ECLI:NL:RBGEL:2024:2309, ECLI:NL:RBGEL:2025:1088 en ECLI:NL:RBGEL:2025:5948).
5.Zaaknummer UTR 25/4650, ECLI:NL:RBMNE:2025:5948.