Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [woonplaats] ,
het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder
Inleiding
Inhoud bestreden besluit (in essentie)
algemeennoodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Dat eisers het vanwege de energieprijzen wenselijk vinden om over te stappen van een gasfornuis op een elektrisch kooktoestel maakt niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Het gegeven dat het fornuis aan vervanging toe was, valt hier ook niet onder.
Beroepsgronden (sterk verkort en in essentie)
Beoordeling door de rechtbank
“Bij dezen trekken we het beroep met zaaknummer UTR 25/3200 PW terug.”Zij schrijven in dezelfde brief echter ook:
“(…)Eisers u hierbij verzoeken: Het beroep gegrond te verklaren en het betreden besluit te vernietigen.”Met brieven van 7 juli 2025 heeft de rechtbank de intrekking van het beroep aan partijen bevestigd. Twee dagen later, op 9 juli 2025, heeft de rechtbank het bericht ontvangen van eisers dat zij de onderhavige beroepszaak niet wensen in te trekken. Zij hebben dit herhaald met berichten van 16 juli 2025. De rechtbank heeft met de brief van 4 september 2025 geantwoord dat de beroepszaak niet als ingetrokken wordt beschouwd, omdat de mededeling van de intrekking niet rijmt met het verzoek in hetzelfde document om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. In het verweerschrift van 9 oktober 2025 voert verweerder aan dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat een gedane intrekking niet buiten de beroepstermijn ongedaan gemaakt kan worden. De argumenten van verweerder hebben grotendeels betrekking op de fase nadát is vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is van een intrekking. Die argumenten zien dus niet op de procesbeslissing van de rechtbank dat de brief van eisers van 4 juli 2025 niet is aan te merken als intrekking, om de reden dat deze niet eenduidig is geformuleerd. De rechtbank blijft bij de procesbeslissing, zodat het beroep wordt voortgezet.
“De tweede juridische grond is dat zowel het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, de belangenafweging als het motiveringsbeginsel in relevante omstandigheden is geschonden. Dit blijkt duidelijk uit zowel de overtreding van de procedurele waarborgen en voorschriften, als de besluiten in de brieven van 19 juli 2024 als 8 januari 2025 als 15 januari 2025 als 9 mei 2025 (zie bijlagen 8-11). Ook volgt de onjuiste werkwijze uit de manier waarop verweerder de aanvragen herhaaldelijk negatief heeft beoordeeld, zowel op 19 juli 2024, op 8 januari 2025 als 15 januari 2025 / 9 mei 2025.”De rechtbank begrijpt dit argument van eisers zo, dat zij vinden dat in algemene zin onvoldoende duidelijk en gemotiveerd is ingegaan op hun individuele belangen en omstandigheden. Dit volgt de rechtbank echter niet. Zij overweegt daartoe dat verweerder in het nu voorliggende bestreden besluit is ingegaan op de argumenten van eisers, alsmede op de voor bijzondere bijstand geldende criteria. Eisers concretiseren verder niet ten opzichte van welk vergelijkbaar geval zij ongelijk zouden zijn behandeld of waarom het bestreden besluit in hun individuele geval te bezwarend is (los van de financiële situatie die eisers wel noemen). Het enkel noemen van meerdere beginselen, brieven en besluiten, zonder een duidelijke relatie te leggen met het nu voorliggende bestreden besluit, is onvoldoende. Om deze reden slagen de beroepsgronden niet.