ECLI:NL:RBMNE:2026:1113

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11856121 \ UC EXPL 25-6919
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 lid 2 BWArt. 6:233 sub b BWArt. 6:234 BWArt. 7:408 BWArt. 7:411 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging opdrachtovereenkomst en onrechtmatigheid negatieve online reviews

Partijen sloten een overeenkomst waarbij eiseres PR-activiteiten zou verrichten voor gedaagde voor zes maanden. Na circa twee maanden beëindigde gedaagde de overeenkomst wegens ontevredenheid over het werk. De rechter oordeelde dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand was gekomen ondanks dat een niet-bevoegde medewerkster deze had ondertekend, omdat sprake was van schijn van volmacht.

De kantonrechter stelde vast dat gedaagde de overeenkomst rechtsgeldig had opgezegd op grond van artikel 7:408 BW Pro, waardoor geen volledige loonbetaling verschuldigd was. Gezien de duur van de opdracht en de geleverde inspanningen was het reeds betaalde bedrag een redelijk loon. Daarnaast oordeelde de rechter dat negatieve Google-reviews die door een medewerkster namens gedaagde waren geplaatst deels onrechtmatig waren omdat zij feitelijke grondslagen misten en de reputatie van eiseres onnodig schaadden.

De gevorderde dwangsom voor het verwijderen van toekomstige reviews werd afgewezen omdat de huidige reviews al waren verwijderd en toekomstige beoordelingen per geval moeten worden beoordeeld. De proceskosten werden verdeeld: eiseres draagt de kosten in conventie, gedaagde in reconventie.

Uitkomst: De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet het volledige loon verschuldigd is en verklaart negatieve reviews deels onrechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11856121 \ UC EXPL 25-6919 RvdH/1037
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: P.F. Passchier,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. N.A.W.E. Jansen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10,
- de akte vermeerdering van eis van [eiseres] met productie 11,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 4,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [eiseres] met productie 12,
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn met elkaar overeengekomen dat [eiseres] voor de duur van zes maanden PR-activiteiten voor [gedaagde] zou verrichten. Na ongeveer twee maanden heeft [gedaagde] de overeenkomst beëindigd, omdat zij niet tevreden was over het werk van [eiseres] . De vraag is of [gedaagde] in dit geval de volledige vergoeding voor de overeengekomen periode aan [eiseres] moet betalen. Daarnaast ligt ter beoordeling voor of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] , doordat haar medewerkster negatieve reviews online heeft geplaatst.

3.De beoordeling

in conventie en in reconventie
In het kort: de inhoud van de overeenkomst
3.1.
[eiseres] verricht public relations activiteiten. [gedaagde] heeft haar ingeschakeld om meer naamsbekendheid te creëren en klanten te werven. Partijen hebben een ‘kick-off’ afgesproken, waarna [eiseres] een PR-planning zou opstellen, inclusief passende inzet van persberichten, ‘newsjacking’ en pitches.
3.2.
[gedaagde] zou hiervoor maandelijks een bedrag van € 1.500,00 exclusief btw betalen, zo volgt uit de bepaling uit de offerte die luidt:
‘[…] De betaling vindt plaats door middel van een maandelijkse factuur met een betalingstermijn van 14 dagen. Het bedrag is per maand en excl. BTW.’. Dat [gedaagde] slechts eenmalig dit bedrag verschuldigd zou zijn, zoals zij stelt, blijkt nergens uit.
Er is een overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde]
3.3.
[A] (hierna: [A] ) heeft de overeenkomst met [eiseres] ondertekend, terwijl zij geen bestuurder is van [gedaagde] . Ook heeft [gedaagde] geen volmacht aan haar verleend. Dat betekent dat zij – aldus [gedaagde] - niet bevoegd was om namens [gedaagde] een overeenkomst met [eiseres] aan te gaan. De kantonrechter is van oordeel dat er desondanks tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.4.
Er zijn gevallen waarin een partij gebonden kan worden door een niet-bevoegde vertegenwoordiger. Dat is het geval als de wederpartij is afgegaan op een ‘schijn van volmachtverlening’ en daar ook op af mocht gaan. [1] De bestuurder van [gedaagde] (hierna: [B] ) was samen met [A] betrokken bij de besprekingen en onderhandelingen over de overeenkomst. [eiseres] mocht daarom aannemen dat ook [A] bevoegd was om de overeenkomst te ondertekenen en dat zij daarmee uiting gaf aan de wil van (de bestuurder van) [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling erkend, want [B] verklaarde tijdens de mondelinge behandeling dat hij dit verweer ‘uit balorigheid’ heeft opgeworpen. [gedaagde] is dus gebonden aan de overeenkomst.
De overeenkomst is niet ontbonden, maar opgezegd
3.5.
[gedaagde] voert aan dat zij op 26 mei, 2 juni en 5 juni 2025 schriftelijk en telefonisch kenbaar heeft gemaakt dat zij niet tevreden was over de wijze waarop [eiseres] invulling geeft aan de opdracht. [B] heeft in zijn e-mail van 26 mei 2025 onder andere gemeld dat hij wil dat de focus wordt gelegd op toegang bij serieuze media. In zijn e-mail van 5 juni 2025 heeft [B] geschreven dat de samenwerking niet in lijn is met zijn verwachtingen, dat hij niet verwacht dat dit gaat veranderen in een manier die bij [gedaagde] past en dat [gedaagde] daarom de samenwerking beëindigt. Na dit e-mailbericht hebben [B] en [C] elkaar telefonisch gesproken. Op 7 juni 2025 heeft [B] bevestigd dat [gedaagde] de samenwerking stopt.
3.6.
De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst op 5 juni 2025 is beëindigd door opzegging op grond van artikel 7:408 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Een opdrachtgever kan op grond van die bepaling te allen tijde de overeenkomst van opdracht opzeggen. Dat [eiseres] niet in verzuim verkeert, doordat [gedaagde] in geen van de hiervoor genoemde berichten een redelijke termijn voor nakoming heeft gesteld, doet daaraan niet af omdat voor opzegging op grond van artikel 7:408 BW Pro geen verzuim is vereist. Evenmin is vereist dat vaststaat dat [eiseres] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
De algemene voorwaarden zijn niet van toepassing
3.7.
[eiseres] wil dat [gedaagde] alsnog de vergoeding voor de overeengekomen zes maanden betaalt. Zij doet daarmee een beroep op artikel 5 lid Pro b en artikel 9 lid Pro c van haar algemene voorwaarden, maar [gedaagde] betwist dat [eiseres] die algemene voorwaarden ter hand heeft gesteld.
3.8.
De gebruiker van de algemene voorwaarden ( [eiseres] ) moet bewijzen dat de algemene voorwaarden aan de wederpartij zijn overhandigd. [2] Uit de door [eiseres] overgelegde printscreen blijkt niet dat [gedaagde] destijds de overeenkomst pas digitaal kon ondertekenen, nadat zij had aangevinkt dat zij de algemene voorwaarden had gelezen en daarmee akkoord was. [eiseres] heeft ook niet aangetoond dat [gedaagde] de algemene voorwaarden via een door [eiseres] aangereikte link kon raadplegen. Op de offerte staat:
‘Tevens gaat u akkoord met de algemene voorwaarden zoals gedeponeerd bij de KvK.’. [gedaagde] is dus voor de algemene voorwaarden verwezen naar de Kamer van Koophandel. Het enkel vermelden van het bestaan van de algemene voorwaarden is echter onvoldoende om deze van toepassing te laten zijn op de overeenkomst. [3]
3.9.
Dit betekent dat [eiseres] [gedaagde] geen redelijke mogelijkheid heeft gegeven om van de algemene voorwaarden kennis te nemen en dat die worden vernietigd. [4] [eiseres] kan daarom geen beroep doen op de bepalingen uit artikel 5 en Pro 9 van de algemene voorwaarden. Of [eiseres] aanspraak kan maken op een (volledige) vergoeding moet worden beoordeeld op grond van de wet.
[gedaagde] is een redelijk loon aan [eiseres] verschuldigd
3.10.
Artikel 7:411 lid 1 BW Pro geeft de opdrachtgever recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon, als de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht. Bij de bepaling van het loon moet rekening worden gehouden met de door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft genoten en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.
3.11.
[eiseres] maakt aanspraak op het volle loon. In het tweede lid van artikel 7:411 BW Pro is bepaald dat de opdrachtnemer slechts recht heeft op het volle loon, als het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. De stelplicht en de bewijslast van beide elementen – de toerekenbaarheid en de redelijkheid – rusten op [eiseres] .
3.12.
Aan de voorwaarde van toerekening is voldaan, doordat het initiatief tot de (rechtsgeldige) opzegging volledig bij [gedaagde] lag.
3.13.
De kantonrechter acht het in dit geval echter niet redelijk om [eiseres] het volle loon toe te kennen. Volgens [eiseres] heeft zij ruim zes weken lang intensief gewerkt aan de PR-positie van [gedaagde] . Dit betrof - aldus [eiseres] - strategisch denkwerk en uitvoerende taken. Er is een interview op [website] geplaatst en er stond een potentiële samenwerking met een topuitgeverij in de agenda van [gedaagde] . In de periode waarin [gedaagde] aangaf de samenwerking te willen beëindigen, hingen er volgens [eiseres] nog drie interviews in de lucht, maar die heeft [gedaagde] niet benut. [gedaagde] heeft wel gesproken met geïnteresseerde journalisten van een landelijke krant en van een nationaal magazine. Van al gedane deze inspanningen heeft [eiseres] evenwel geen onderbouwing overgelegd.
3.14.
[gedaagde] heeft daar tegenin gebracht dat zij slechts contact heeft gehad met één journalist voor een artikel over rommelige tuinen. [B] zag niet in hoe dit onderwerp kon bijdragen aan meer naamsbekendheid van zijn bedrijf. De website [website] is volgens [gedaagde] een ‘clickbait-website’ zonder abonnees waarbij [eiseres] zelf betrokken lijkt te zijn. [eiseres] heeft dit niet weersproken. Volgens [gedaagde] heeft zij niets gehad aan de vermeende inspanningen van [eiseres] .
3.15.
De opdracht liep van 14 april 2025 tot 7 juni 2025 (net geen twee maanden). [gedaagde] heeft € 3.630,00 inclusief btw (de prijs voor twee maanden) aan [eiseres] betaald. Gelet op de looptijd van de overeenkomst, de omvang van de niet-weersproken inspanningen en het ontbreken van enig voordeel voor [gedaagde] , is de kantonrechter van oordeel dat het reeds betaalde bedrag een redelijk loon is.
3.16.
Dit betekent dat de vordering van [eiseres] die strekt tot betaling van het volle loon (€ 6.000,00 exclusief btw) wordt afgewezen. Dat geldt ook voor de door [eiseres] gevorderde wettelijke rente. Het voorgaande (en de overweging onder 3.2) leidt er ook toe dat de vordering van [gedaagde] uit hoofde van onverschuldigde betaling wordt afgewezen: [gedaagde] heeft niets te veel, althans zonder rechtsgrond, aan [eiseres] betaald.
De reviews die door [A] zijn geplaatst zijn voor een deel onrechtmatig
3.17.
[eiseres] heeft op 27 augustus 2025 geconstateerd dat een medewerkster van [gedaagde] een tweetal Google-reviews heeft geplaatst:
3.18.
[eiseres] heeft (na vermeerdering van eis) gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat deze reviews zijn aan te merken als een onrechtmatige daad richting [eiseres] en dat [gedaagde] een dwangsom moet betalen van € 500,00 per dag dat deze reviews, dan wel nieuwe reviews met gelijke strekking, niet zijn verwijderd.
3.19.
[gedaagde] voert aan dat de reviews niet van haar afkomstig zijn, maar van een werknemer die de reviews op persoonlijke titel heeft geplaatst. [A] is werkzaam voor [gedaagde] en was nauw betrokken bij de totstandkoming van de overeenkomst met [eiseres] (zie 3.3 en 3.4). De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [A] de reviews namens [gedaagde] heeft geplaatst, en heeft gebaseerd op haar ervaringen Met [eiseres] .
3.20.
De reviews zijn inmiddels verwijderd, maar de kantonrechter is van oordeel dat de inhoud van de reviews voor een deel onrechtmatig was. Hierbij is het volgende relevant.
3.21.
Bij de beoordeling of de reviews onrechtmatig waren, staan twee, ieder voor zich hoogwaardige, rechten tegenover elkaar, te weten enerzijds het recht van [eiseres] op bescherming van haar goede naam tegen lichtvaardig gepubliceerde beschuldigingen (artikel 10 Grondwet Pro en artikel 8 EVRM Pro) en anderzijds de vrijheid van [gedaagde] om haar mening te uiten (artikel 7 Grondwet Pro en artikel 10 EVRM Pro). Het belang van [gedaagde] is er met name in gelegen dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over haar ervaringen met [eiseres] .. Daartegenover staat het belang van [eiseres] dat er met name in is gelegen dat zij niet wordt blootgesteld aan ongefundeerde verdachtmakingen, die haar naam en reputatie onnodig schaden. [5]
3.22.
Vooropgesteld moet worden dat het is toegestaan om ervaringen van een bepaalde aanbieder van producten of diensten op internet te delen, ook als dit negatieve ervaringen zijn. Bij het schrijven van een review heeft de schrijver de vrijheid zijn of haar (op eigen ervaringen gebaseerde) mening te geven over de producten of diensten van de betreffende aanbieder. Dat dit niet in geschil is blijkt uit het feit dat [eiseres] de mogelijkheid van Google recensies heeft opengesteld. In alle gevallen geldt als uitgangspunt dat voor zover in een review feiten of feitelijke kwalificaties worden gebruikt, deze objectief vast moeten staan of door feiten worden gedragen. De mogelijkheid om een review te posten levert daarom geen vrijbrief op om informatie te verspreiden die feitelijke grondslag mist. [6]
3.23.
De kantonrechter is van oordeel dat de reviews die namens [gedaagde] zijn geplaatst subjectieve kwalificaties bevatten. [A] schrijft namelijk dat [eiseres] een nep bedrijf is, een factuur machine en dat [C] feitelijk een eenpitter is en doet alsof ze een team heeft. Dit zijn geen persoonlijke ervaringen met de dienstverlening van [eiseres] , maar niet op feiten gefundeerde uitlatingen van vermoedens over de bedrijfsvoering van [eiseres] . Zonder feitelijke grondslag had [A] deze informatie niet namens [gedaagde] mogen verspreiden. Dit deel van de inhoud van beide reviews is daarom onrechtmatig. De kantonrechter zal dit voor recht verklaren. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat de reviews zijn verwijderd. Het strekt naar het oordeel van de kantonrechter te ver om voor eventueel toekomstige reviews van gelijke strekking een dwangsom op te leggen, omdat voor elke review individueel moeten worden beoordeeld of die onrechtmatige inhoud bevat.
[eiseres] moet de proceskosten in conventie betalen
3.24.
[eiseres] is in conventie in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
[gedaagde] moet de proceskosten in reconventie betalen
3.25.
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
217,00
(2 punten × 0,5 × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
325,50
3.26.
De proceskostenveroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat niet heeft gevorderd.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
verklaart voor recht dat de onder 3.17 genoemde reviews onrechtmatig zijn, voor zover de inhoud ziet op de bedrijfsvoering van [eiseres] ( [eiseres] is een nep bedrijf, een factuurmachine, [C] is feitelijk een eenpitter en doet alsof ze een team heeft),
4.2.
wijst het meer of anders door [eiseres] gevorderde af,
4.3.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
4.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 325,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 3:61 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Hoge Raad 11 juli 2008, NJ 2008,416.
3.Artikel 6:234 BW Pro.
4.Op grond van artikel 6:233 sub b BW Pro.
5.Rechtbank Midden-Nederland 5 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2737, r.o. 4.4. en rechtbank Rotterdam 10 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4473, r.o. 2.9.
6.Rechtbank Rotterdam 10 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4473, r.o. 2.10.