2.1De heffingsambtenaar stelt in zijn verweerschrift dat de klacht van eisers van
26 oktober 2023 als beroepschrift had moeten worden doorgezonden naar de rechtbank. De heffingsambtenaar is van mening dat het beroep van eisers daarom ontvankelijk is. De rechtbank zal het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. Wanneer de klacht van eisers van 26 oktober 2023 als beroepschrift was doorgestuurd naar de rechtbank was het beroep binnen de termijn van zes weken ingediend. De rechtbank oordeelt daarom dat het beroep ontvankelijk is en zal het beroep inhoudelijk beoordelen.
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
3. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
4. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de diverse waardepeildata niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eisers ter betwisting van de vastgestelde waarde hebben aangevoerd, meewegen.
5. De woning is een in 1980 gebouwde vrijstaande woning met een overkapping van 17 m², een carport van 13 m² en een garage van 50 m². De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 135 m² en ligt op een perceel van 3.315 m².
Belastingjaren 2021 en 2022 (UTR 23/1971)
6. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2020 (belastingjaar 2021) en de waardepeildatum 1 januari 2021 (belastingjaar 2022). De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarden van € 570.000.- voor belastingjaar 2021 en € 605.000,- voor belastingjaar 2022. Eisers bepleiten een lagere waarde.
7. Om de waarden van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar taxatiematrices overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 20 december 2019 voor € 780.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 18 september 2019 voor € 925.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 14 juli 2020 voor € 850.000,-.
8. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning voor beide belastingjaren niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook vrijstaande woningen op een relatief groot perceel in het buitengebied van [plaats] zijn, die niet te ver van de waardepeildata zijn verkocht. Met de taxatiematrices maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning qua onder andere de bouwkundige kwaliteit, de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau door voor de woning een woningwaarde ruim onder de gemiddelde prijs per m² van de referentiewoningen te hanteren. Met de taxatiematrices heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
Belastingjaar 2023 (UTR 24/926)
9. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 708.000,-. Eisers bepleiten een lagere waarde.
10. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar twee taxatiematrices overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 5] , verkocht op 30 november 2021 voor € 900.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 14 juli 2020 voor € 817.500,-;
- [adres 6] , verkocht op 13 april 2021 voor € 1.475.000,-.
11. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook vrijstaande woningen in het buitengebied van [plaats] zijn, die niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning qua onder andere de bouwkundige kwaliteit, de staat van onderhoud, het voorzieningenniveau en de ligging door voor de woning een woningwaarde ruim onder de m²-prijzen van de referentiewoningen te hanteren. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
Belastingjaar 2024 (UTR 24/5460)
12. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 737.000,-. Eisers bepleiten een lagere waarde.
13. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar twee taxatiematrices overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met vier verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 7] , verkocht op 5 juni 2023 voor € 472.000,-;
- [adres 8] , verkocht op 14 maart 2023 voor € 945.000,-;
- [adres 9] , verkocht op 22 december 2022 voor € 499.500,-;
- [adres 10] , verkocht op 16 maart 2022 voor € 470.000,-.
14. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn. Ze zijn niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Twee referentiewoningen zijn ook vrijstaande woningen die op een relatief groot perceel in [plaats] liggen. De taxateur heeft op de zitting toegelicht dat er niet meer goede vergelijkbare vrijstaande woningen in het buitengebied beschikbaar waren en dat daarom ervoor is gekozen ook twee hoekwoningen uit de “onderkant van de markt” in de vergelijking te betrekken. Deze hoekwoningen zijn qua gebruiksoppervlakte vergelijkbaar. De vrijstaande woningen die op dat moment werden verkocht waren niet vergelijkbaar met de woning van eisers, omdat die woningen in een betere staat verkeerden. De taxateur heeft de waardebepalende factoren voor de woning naar beneden bijgesteld om te voorkomen dat de woning te hoog zou worden gewaardeeerd. De rechtbank kan de toelichting van de heffingsambtenaar volgen. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning qua onder andere de bouwkundige kwaliteit, de staat van onderhoud, het voorzieningenniveau en de ligging door voor de woning een woningwaarde onder de prijs per m² van de referentiewoningen te hanteren. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
15. Eisers voeren in beroep voor alle belastingjaren dezelfde gronden aan. Wat eisers in beroep aanvoeren, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
16. Eisers voeren aan dat de bouwkundige staat van de woning slecht is. Volgens eisers is een redelijke vergelijking tussen de woning en de diverse referentiewoningen niet goed mogelijk. De referentiewoningen zijn stenen huizen met een fundament, terwijl het huis van eisers houten balken heeft en aan de buitenkant uit geperste vezel bestaat. Eisers voeren verder aan dat de woning niet inpandig is opgenomen en dat daardoor de kwalificatie van de woning niet juist is beoordeeld.