2.2Pas op zitting wordt door de gemachtigde van eiser concreet gemaakt waarom eiser het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. Nadat de heffingsambtenaar in de beroepsfase de WOZ-waardes nader heeft onderbouwd met het verweerschrift (ontvangen door de rechtbank op 13 oktober 2025 en op dezelfde dag doorgestuurd naar de gemachtigde van eiser met een verzoek om reactie) heeft de gemachtigde van eiser echter ruimschoots de kans gehad om daar op tijd op te reageren. Met dit procedeergedrag ontneemt de gemachtigde verweerder én de rechtbank de kans om zich adequaat voor te bereiden op (een reactie op) standpunten die pas op de zitting concreet aan een onroerende zaak worden gerelateerd. De rechtbank staat dit procedeergedrag niet toe wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat daarom de gronden die de gemachtigde op de zitting heeft aangevoerd en die niet een nadere onderbouwing zijn van gronden uit zijn beroepschrift of pinpointbrief buiten beschouwing. De rechtbank behandelt dus alleen de gronden die de gemachtigde eerder op schrift heeft gesteld en zijn geconcretiseerd op zitting.
3. De WOZ-waarde van de woningen is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woningen meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woningen zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woningen wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woningen. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woningen. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
4. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woningen op de waardepeildatum (1 januari 2021) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waardes heeft aangevoerd, meewegen.
Beoordeling van het geschil
5. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift aangegeven dat de vastgestelde waardes geen stand kunnen houden en heeft voorgesteld de waardes als volgt te verlagen:
- [adres 1] , vastgesteld € 99.000,-, voorgestelde waarde € 50.000,-;
- [adres 2] , vastgesteld € 81.000,-, voorgestelde waarde € 40.000,-;
- [adres 3] , vastgesteld € 53.0000,-, voorgestelde waarde € 26.000,-.
Omdat de heffingsambtenaar heeft aangegeven dat de vastgestelde waardes geen stand kunnen houden is het beroep gegrond. Eiser heeft tijdens de behandeling van de zaak op de zitting aangegeven akkoord te zijn met deze voorgestelde waardes. De rechtbank zal de waardes van de betreffende woningen conform waardevoorstel verlagen.
Proceskosten en griffierecht
6. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Eiser heeft, zowel in de beroeps- als in de bezwaarfase verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar ook te veroordelen in de proceskosten van eiser in bezwaar en beroep.
7. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer.
8. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert.
9. Zowel de aanslag als de uitspraak op bezwaar dateren van na 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase dan ook vast met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ op € 615,25 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,125, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van
€ 907,-, wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). De rechtbank gaat in beroep niet uit van een factor 1,5 voor samenhangende zaken. Eiser heeft één beroepschrift ingediend tegen in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar. Daarom is voor de toepassing van de regeling inzake proceskostenvergoeding sprake van één zaak.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
10. De gemachtigde van eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
11. Het bezwaarschrift is ontvangen op 3 mei 2024. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet overschreden is. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding dan ook af.