ECLI:NL:RBMNE:2025:7133

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2643
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om proceskostenvergoeding van verzoekster, die in beroep was gegaan tegen een besluit van verweerder, de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap. Verweerder had op 22 februari 2024 een besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond was verklaard. Op 29 april 2025 heeft verweerder echter een gewijzigde WOZ-waarde vastgesteld, waar verzoekster mee instemde en haar beroep introk, met het verzoek om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak gedaan. De rechtbank oordeelde dat verweerder in de proceskosten moest worden veroordeeld, omdat verzoekster in beroep was gekomen en verweerder haar tegemoet was gekomen. De proceskosten voor de beroepsfase zijn vastgesteld op € 226,75. Er was echter een geschil over de vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase, waarbij verweerder stelde dat hij alleen de kosten voor de beroepsfase hoefde te vergoeden. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster ook recht had op vergoeding van de kosten in de bezwaarfase, omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat er geen kosten in rekening zouden worden gebracht voor de bezwaarfase.

De totale proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 388,50, inclusief het griffierecht dat door verweerder aan verzoekster moet worden vergoed. De uitspraak is openbaar uitgesproken door rechter J. Wolbrink, in aanwezigheid van griffier S.N. Lekatompessij.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2643

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: D. van der Locht)
en

Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten gemaakt.
Verweerder heeft op 22 februari 2024 een besluit op bezwaar genomen. Het bezwaarschrift is ongegrond verklaard. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 29 april 2025 is verweerder verzoekster alsnog tegemoetgekomen met een gewijzigde WOZ-waarde van [adres] te [plaats] . Verzoekster kan zich hierin vinden en heeft het beroep ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Hierover bestaat geen geschil. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, een wegingsfactor 1 vanwege een gemiddelde zwaarte van de zaak en de wettelijke wegingsfactor van 0,25 uit artikel 30a van de Wet WOZ).
4. Tussen partijen is wel in geschil of er ook voor de bezwaarfase proceskosten toegekend moeten worden. De heffingsambtenaar vindt dat hij alleen de kosten van rechtsbijstand voor de beroepsfase hoeft te vergoeden en niet voor de bezwaarfase, omdat in die fase een andere gemachtigde betrokken was dan in de beroepsfase en aan belanghebbende geen kosten in rekening zijn gebracht. Daartoe heeft hij enkel gewezen op een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 november 2024 [1] waarin in een soortgelijke situatie is geoordeeld dat de proceskosten van de bezwaarfase niet voor vergoeding in aanmerking kwamen omdat aan de belanghebbende geen kosten in rekening waren gebracht.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad [2] moet ervan worden uitgegaan dat aan rechtsbijstand kosten zijn verbonden indien die bijstand door een derde beroepsmatig is verleend. Van een dergelijke verplichting is ook sprake als de rechtsbijstand wordt verleend op basis van ‘no cure no pay’. Daarbij is niet vereist dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank al een declaratie is opgemaakt of dat de kosten ten tijde van die uitspraak al zijn voldaan. Voor een uitzondering is slechts plaats indien het bestuursorgaan het tegendeel stelt en in geval van betwisting aannemelijk maakt. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar tegenover de betwisting van eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat op eiseres geen verplichting rust of komt te rusten om aan de vorige gemachtigde een vergoeding te voldoen voor de door haar in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand. Het enkele feit dat eiseres in beroep met een andere gemachtigde procedeert dan in de bezwaarfase, maakt niet dat de vorige gemachtigde de kosten niet alsnog factureert.
6. Verweerder heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat aan belanghebbende geen kosten in rekening gebracht zullen worden voor de bezwaarfase en daarom heeft verzoekster ook recht op een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. De rechtbank stelt de proceskosten voor de bezwaarprocedure vast op € 161,75 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,-, een wegingsfactor 1 vanwege een gemiddelde zwaarte van de zaak en de wettelijke wegingsfactor 0,125 uit artikel 30a van de Wet WOZ).
7. De totale proceskostenvergoeding is dan € 388,50. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Het griffierecht en de vergoeding voor de proceskosten moeten rechtstreeks aan eiseres worden betaald. [3]

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 388,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier
.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

2.Zie de arresten van 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, en 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1653.
3.Artikel 30a, vierde en vijfde lid van de Wet WOZ.