ECLI:NL:RBMNE:2025:6993

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/6880
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van bezwaar inzake afvalstoffenheffing

In deze zaak heeft eiser, vertegenwoordigd door mr. D.A.N. Bartels MRE, beroep ingesteld tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, die het bezwaar van eiser tegen de opgelegde zuiveringsheffing niet-ontvankelijk had verklaard. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 1 december 2025 uitspraak gedaan. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser had bezwaar gemaakt tegen de opgelegde heffingen voor verschillende onroerende zaken, maar het bezwaar werd afgewezen omdat het te laat zou zijn ingediend. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd, waarna het bezwaar alsnog ongegrond werd verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar dat de aanslag zelf terecht is opgelegd. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding wegens een te lange procedure, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser en het griffierecht te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6880

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] ., uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Inleiding

1. In de beschikking van 31 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar voor diverse onroerende zaken de volgende bedragen voor zuiveringsheffing bedrijven opgelegd.
- [adres 1] in [plaats] : € 330,55,-;
- [adres 2] in [plaats] : € 396,66,-;
- [adres 3] in [plaats] : € 198,33,-.
Het tarief voor afvalstoffenheffing is € 66,11,-.
1.1.
Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 25 september 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat zou zijn ingediend. De zuiveringsheffing bedrijven is in de uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
1.2.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift laat de heffingsambtenaar weten dat het bezwaarschrift onterecht niet-ontvankelijk is verklaard.
1.3.
Het beroep is behandeld op de zitting van 20 oktober 2025. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.
Procedeergedrag
2. Bij de beoordeling van dit beroep bewaakt de rechtbank de goede procesorde en neemt daarbij het volgende in aanmerking. De door de gemachtigde van eiser opgestelde beroepschriften, de latere brieven en ‘pinpointbrieven’ staan vol met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. Daar kan de rechtbank niets mee en zal die stellingen dan ook verder buiten beschouwing laten. Het risico dat daarbij een stelling niet wordt behandeld die in een concreet voorliggende zaak mogelijk met enig succes zou kunnen worden verdedigd, is het rechtstreeks gevolg van de wijze van procederen door de gemachtigde van eiser en komt derhalve voor rekening van eiser namens wie hij optreedt. [1] De goede procesorde verzet zit vervolgens tegen het betrekken van standpunten in beroep, als de rechtbank of de heffingsambtenaar zich daarop, door het late moment waarop ze zijn ingenomen (op zitting), onvoldoende heeft kunnen voorbereiden.

Beoordeling door de rechtbank

Het geschil
3. De rechtbank stelt voorop dat niet langer in geschil is dat de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Partijen hebben inhoudelijk gereageerd op het beroep. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen. Hierna zal de rechtbank het beroep verder inhoudelijk behandelen en beoordelen of de aanslag terecht is opgelegd.
4. Partijen zijn het niet eens over de opgelegde zuiveringsheffing voor bedrijven.
5. In de stukken heeft eiser enkel algemeenheden aangevoerd over waardevastellingen. Op zitting heeft eiser aangevoerd dat het hem niet duidelijk is waarop de vervuilingseenheden zijn gebaseerd. De heffingsambtenaar heeft daarop aangegeven niet te kunnen reageren op dit standpunt van eiser. De rechtbank overweegt dat eiser niet eerder in de procedure de vervuilingseenheden ter sprake heeft gebracht, terwijl hij al op 2 juni 2025 op de hoogte was van het standpunt van verweerder dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft eiser bovendien per brief van 4 juni 2025 expliciet in de gelegenheid gesteld om desgewenst een nader of gewijzigd standpunt in te nemen naar aanleiding van het verweerschrift. Daarbij is eiser ook gewaarschuwd dat pas op zitting aangevoerde gronden vanwege strijd met de goede procesorde mogelijk buiten beschouwing gelaten worden. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de aanslag. Er staan opnieuw alleen algemeenheden in over waardevaststellingen van onroerend goed, maar dat ligt in deze procedure helemaal niet voor. Door pas op zitting de grondslag voor de hoeveelheid vervuilingseenheden aan te vechten, maakt eiser het verweerder, ook vanwege de aard van de grond, onmogelijk om zich goed te verweren. De rechtbank laat deze grond daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.
6. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de aanslag ten onrechte is opgelegd.
Het verzoek om vergoeding van de immateriële schade
7. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over zijn belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
8. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 13 maart 2024. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd, omdat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog ongegrond te verklaren.
10. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht dat eiser heeft betaald à € 51,- vergoeden. Eiser heeft recht op proceskostenvergoeding. De vergoeding voor rechtsbijstandskosten wordt vastgesteld aan de hand van het forfaitaire systeem uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de beroepsfase worden twee punten toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en de bijwonen van de zitting), met een waarde per punt van € 907,-. Voor de bezwaarfase worden geen punten toegekend omdat het bezwaar ongegrond is.
11. De rechtbank ziet wat betreft de wegingsfactor gelet op de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 4 november 2025 [2] geen ruimte om zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie deze zaak valt en acht zich gebonden aan het door de gerechtshoven geformuleerde Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024. [3] De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor van 0,5, omdat het beroep uitsluitend slaagt omdat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. [4] De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden daarom vastgesteld op € 907,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 25 september 2024;
- verklaart het bezwaar van eiser ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht à € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr.S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
De griffier is verhinderd
rechter

deze uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:475, r.o. 5.1.4.
3.Opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335. Dit richtsnoer is geactualiseerd ten opzichte van het richtsnoer proceskostenvergoeding, zoals opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10307.
4.Zie 1.3, onder e, van het Richtsnoer.