ECLI:NL:RBMNE:2025:6832

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/4105
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 PWArt. 16 lid 1 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor tandheelkundige implantaten bevestigd

Eiseres diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand ter vergoeding van de resterende kosten van tandheelkundige implantaten, nadat haar aanvullende zorgverzekering slechts een deel vergoedde. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag af op grond van de Zorgverzekeringswet als toereikende en passende voorliggende voorziening en het ontbreken van zeer dringende redenen.

De rechtbank bevestigt dat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt, ook als niet alle kosten worden vergoed. Eiseres stelde dat sprake was van een acute medische noodsituatie, ondersteund door medische verklaringen, maar de rechtbank oordeelt dat een acute noodsituatie een levensbedreigende of blijvend ernstig letsel veroorzakende situatie betreft, wat hier niet is vastgesteld.

Daarnaast is het beroep op het evenredigheidsbeginsel onvoldoende onderbouwd. De rechtbank concludeert dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor tandheelkundige implantaten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4105

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Sala),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,het college
(gemachtigde: mr. W. van Beveren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor medische kosten, namelijk tandartskosten. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 27 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante feiten
3. Eiseres heeft op 27 november 2024 een tandheelkundige behandeling ondergaan waarbij implantaten zijn geplaatst. Eiseres heeft zich aanvullend verzekerd voor ziektekosten en was in de veronderstelling dat haar verzekering alle kosten hiervoor zou vergoeden omdat zij voor deze behandeling toestemming van de verzekering had gekregen. Achteraf bleek dat de verzekering maar een gedeelte van de kosten zou vergoeden. Daarom heeft eiseres op 26 februari 2025 voor het resterende bedrag van € 751,12 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand.
4. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen omdat de Zorgverzekeringswet een passende en toereikende voorliggende voorziening is en omdat eiseres dus feitelijk bijzondere bijstand vraagt voor het aflossen van een schuld. Er bestaat ook geen aanleiding om wegens zeer dringende redenen toch bijzondere bijstand aan eiseres te verlenen volgens het college. Ook voldoet eiseres niet aan de voorwaarden om op grond van het beleid in aanmerking te komen voor vergoeding van de kosten.
Standpunt eiseres
5. Volgens eiseres heeft het college haar aanvraag ten onrechte afgewezen. Aangezien de kosten voor het plaatsen van implantaten niet volledig worden vergoed op grond van haar aanvullende zorgverzekering is er in feite geen sprake van een voorliggende voorziening. Ook betrof het een acute medisch noodzakelijke behandeling. Zij kon niet zonder deze behandeling en verwijst in dit kader naar een medische verklaring van haar tandarts en de kaakchirurg.
Voorliggende voorziening
6. Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, voor de belanghebbende toereikend en passend wordt geacht. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Zorgverzekeringswet moet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. [1] De Zorgverzekeringswet (Zvw) is in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. In de regelgeving is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het wel of niet vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen. De bijstandswetgeving dient aan te sluiten bij de bewuste keuzes die binnen de Zvw is gemaakt. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat het stelsel van de voorliggende voorzieningen niet moet worden doorkruist door bijstandsverlening. [2] Dit is ook het geval als de kosten - zoals ook in het geval van eiseres - niet of niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed. [3]
Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Zeer dringende redenen
7. Ook in de situatie dat sprake is van een voorliggende voorziening kan toch verlening van bijstand mogelijk zijn als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. [4] Zulke redenen doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijke omstandigheden zich hier voordoen en acht hierbij het volgende van belang.
8. Eiseres heeft aangevoerd dat er in haar geval sprake was van een acute noodsituatie omdat zij niet zonder de tandheelkundige behandeling kon; die was noodzakelijk. Eiseres had erg veel pijn en kon niet op normale wijze eten. Hoewel het zeer begrijpelijk is dat eiseres haar situatie daarmee als een acute noodsituatie heeft ervaren, is de juridische invulling van dit begrip anders. De rechtbank legt dit hierna uit. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste rechter in deze zaken [5] wordt met een acute noodsituatie een levensbedreigende situatie of een situatie die blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben, bedoeld. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal ook moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. [6] De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiseres niet gebleken. De door haar overgelegde verklaringen van de tandarts en kaakchirurg bieden hiervoor onvoldoende grondslag. Uit deze verklaringen blijkt weliswaar dat eiseres al sinds 2019 kampt met pijnklachten aan haar voortanden en waarom is gekozen voor implantaten, maar hieruit valt niet af te leiden dat er sprake was van een zodanig schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het is daarbij aan eiseres om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die het oordeel kunnen dragen dat zich zeer dringende redenen voordoen. Zij beroept zich immers op een uitzonderingssituatie. De stelling van eiseres dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door geen medische informatie op te vragen, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
9. Verder heeft eiseres een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. In dit kader heeft eiseres aangevoerd dat niet (voldoende) is meegewogen dat zij en haar echtgenoot geen financiële ruimte hebben om schulden te betalen. De rechtbank stelt echter vast dat zij deze stelling niet hebben onderbouwd. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zodat artikel 15 van Pro de Participatiewet (Pw) zich tegen bijstandverlening verzet.
2.Vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 november 2024, ECLI:NLCRVB:2024:2313.
3.Zie ook de uitspraak van de CRvB van 15 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:554.
4.Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw.
5.De CRvB.
6.Zie ook uitspraak van de CRvB van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.